+32 9 334 94 70

Blog

Everest wordt erkend voor haar expertise in sportcriminaliteit door de Legal 500

Het departement (anti-) fraude en ondernemingsstrafrecht van Everest werd gerankt  in de nieuwste editie van The Legal 500 Europe, Middle East & Africa (EMEA) 2021 onder de categorie “Fraud and White-collar crime”.

De expertise van het team in criminaliteit die specifiek betrekking heeft op sport werd expliciet aangehaald:

“Clients also recognise senior associate Mathieu Baert as ‘extremely professional and knowledgeable’ in sports-based crime and compliance.”

Stijn De Meulenaer, Inge Tuytens en Mathieu Baert werden benoemd als recommended lawyers en Mathieu Baert werd specifiek benoemd als “Rising star” in de Legal 500.

De volledige review kan worden nagezien op de website van Legal 500: https://www.legal500.com/c/belgium/fraud-and-white-collar-crime/.

Legal 500

 

 

 

 

 

 

The legal 500 biedt een overzicht van gerankte advocatenkantoren met een dekking van 80 landen. Meer dan 300.000 cliënten wereldwijd zijn gevraagd naar feedback over in hoeverre advocatenkantoren voldoen aan de criteria en wensen van bedrijfsjuristen en bedrijfsleiders. Dit wordt gebruikt om elk advocatenkantoor te vergelijken met concurrenten in de betreffende expertisegebieden.


Mathieu Baert geeft op 18/03 gastcollege over sportfraude aan Universiteit Antwerpen

Mathieu Baert van het departement sportrecht geeft op 18 maart 2021 een gastcollege over sportfraude aan de Universiteit Antwerpen.

Mathieu Baert licht een aantal ophef wekkende dossiers toe, onder meer over het Russisch dopingschandaal.

Daarnaast wordt ingegaan op de aanpak van sportfraude in de praktijk en dit door zowel sportfederaties als de overheden.

Onder meer volgende video wordt als introductievideo vertoond:


Lening voor sportclubs – sportnoodleningen – Corona

Persbericht: Sportnoodleningen om clubs door corona te helpen

Op 20 december 2020 publiceerde Minister van Sport Weyts een persbericht waarin werd meegedeeld dat er leningen ( sportnoodleningen ) konden worden verstrekt voor sportclubs in moeilijkheden. Het persbericht kan worden geconsulteerd (link).

Deze leningen voor sportclubs – sportnoodleningen genaamd – zouden maximum 1 miljoen euro bedragen met een maximale looptijd van 9 jaar met een interestvoet van 1%.

De vereiste is volgens het persbericht dat er door middel van een financieel plan wordt aangetoond dat er ingevolge de coronacrisis schade werd geleden door de sportclub, dat de sportclub voordien gezond was en dat de sportclub de capaciteiten heeft om de lening terug te betalen.

Men verwijst specifiek naar sportclubs die inkomsten zien wegvallen uit bijvoorbeeld ticketverkoop, horeca en tv-rechten en sportclubs die blijvende betalingen zoals afbetalingen voor sportinfrastructuur of uitbetalingen van lonen moeten uitvoeren.

Als verantwoording stelt men dat de private leningsmarkt niet altijd even gunstig is voor sportclubs.

Volgens het persbericht zou er vanaf 1 januari 2021 kunnen worden geleend.

De praktijk: concreet nieuws vanaf de 2e helft van januari 2021

Op basis van diverse inlichtingen blijkt dat er nog niet vanaf 1 januari 2021 door de sportclubs zal kunnen worden verzocht om een lening. Ook de concrete formaliteiten voor een aanvraag van een sportnoodlening of een lening voor sportclubs zijn nog niet bekend.

Volgens informatie van Sport Vlaanderen zal er vanaf de tweede helft van januari 2021 gecommuniceerd worden over de praktische invulling van deze sportnoodleningen. Er zal meer bepaald meer informatie volgen over (1) de wijze en de vorm van de aanvraag; (2) het tijdstip en de doorlooptijd van de aanvraag; en (3) de modaliteiten van de terugbetaling.

Er is inmiddels wel al bijkomend bekend dat deze lening voor sportclubs minimaal 50.000,00 EUR en maximaal 1.000.000,00 EUR zal bedragen, met zoals hierboven vermeld een rentevoet van 1% en een looptijd van 9 jaar.

De lening voor sportclubs kan gecombineerd worden met steun vanuit het Vlaams noodfonds aan de lokale overheden  en vanuit de subsidies van de sportfederaties en organisaties voor vriestijdsbesteding. Een combinatie met andere  Vlaamse steunmaatregelen zou niet mogelijk zijn.

Wat kan Everest Sport voor U betekenen?

Everest Sport volgt de verdere uitrol op en neem contact op met de nodige instanties om de precieze modaliteiten voor de aanvraag van deze lening voor sportclubs te achterhalen.

Wij zullen dan samen met U instaan voor de aanvraag en de opvolging.
Mits interesse adviseren wij U om nu reeds contact op te nemen.

 


Internationale Schaatsunie delft opnieuw onderspit – Mededingingsrecht

Een inleiding over mededingingsrecht

De zaak ISU / Europese Commissie die in het onderstaand artikel wordt besproken vindt zijn grondslag in het mededingingsrecht.
Het mededingingsrecht heeft als doelstelling om de vrije markt zoveel als mogelijk te beschermen.
Zij bevat tal van regels om vrije, onvervalste en eerlijke concurrentie te garanderen.

Praktijken die de vrij markt onrechtmatig verstoren vormen inbreuken op het mededingingsrecht.
Voorbeelden van dergelijke verboden praktijken zijn het maken van kartelafspraken tussen ondernemingen of ondernemingsverenigingen, het misbruik maken van een bepaalde machtspositie op een specifieke markt of misbruik maken van de economische afhankelijkheid van ondernemingen.

De belangrijkste rechtsregels dienaangaande vindt men in de Belgische wetgeving onder de artikelen IV.1 en IV.2 van het Wetboek Economisch Recht (WER) en in de Europese regelgeving onder de artikelen 101 en 102 van het Verdrag van de Werking van de Europese Unie (VWEU).

Zowat elke sportfederatie of sportvereniging dient als een onderneming te worden beschouwd en valt dus onder de toepassing van het mededingingsrecht.
De bekende beslissing inzake Walrave en Koch voor het Europees Hof van Justitie was daarin richtinggevend (HvJ, 36/74, Walrave en Koch, Jur. 1974, I, 1405, §4).

Vaak hebben sportfederaties een machtspositie in de organisatie van wedstrijden binnen hun sport en dienen zij dus omzichtig om te springen met deze machtspositie teneinde misbruik van de machtspositie en andere mededingingsrechtelijke verboden praktijken te voorkomen. Een marktaandeel van 50% in een specifieke markt, in casu de organisatie van een bepaald soort sportwedstrijden, is in de meeste gevallen immers voldoende om van een machtspositie te spreken. Machtspositie wordt in het WER omschreven als (art. I.6 WER):

“de positie die een onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen en het haar mogelijk maakt om zich, jegens concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen.”

 

Voorgeschiedenis: schaatsers dienen klacht in bij de Europese Commissie

Een bedrijf, Icederby International, had in 2014 een nieuw concept van schaatswedstrijden uitgewerkt waarbij men bekende schaatsers met hoge fees overtuigde om deel te nemen. Een eerste wedstrijd zou doorgaan in Dubai. De Internationale Schaatsunie (ISU) verleende echter geen toestemming.  De Internationale Schaatsunie (IUS) had daarnaast in haar regels opgenomen dat sporters hoge sancties riskeerden indien zij deelnamen aan ongeautoriseerde wedstrijden. Deze regel gold ook voor coaches, trainers en scheidsrechters. De ISU argumenteerde dat dit noodzakelijk was om de gezondheid en veiligheid van de sporters te beschermen.

Deze regel hield concreet in dat een schaatser (of ander lid) die deelnam aan een “niet-toegelaten” event (de ISU moet volgens haar regels immers elk schaatsevent erkennen) niet meer in aanmerking kwam om deel te nemen aan organisaties van de ISU.
In het geval van een schaatser was de mogelijke sanctie een levenslange schorsing.
Voor professionele schaatsers zou dit het einde van de carrière betekenen.

Aangezien de events van Icederby International niet erkend waren kon zij weinig of geen belangrijke schaatsers overtuigen om deel te nemen.
De schaatsers wensten immers het risico niet te lopen om geschorst te worden bij de ISU, niettegenstaande dat zij brood zagen in een extra manier om inkomsten te vergaren.

Twee schaatsers namen het voortouw om zich tegen deze regel van de ISU te verzetten.
Dit waren de bekende schaatsers Mark TUITERT en Niels KERSTHOLT.
Dit leidde onder meer tot een opvallende Twitter conversatie tussen TUITERT en EU-commissaris VESTAGER:

 

 

In juni 2014 werd finaal door beide schaatsers, geruggesteund door een aantal belangengroepen voor atleten, een klacht ingediend bij de Europese Commissie.

De Europese Commissie weerhoudt schending van het mededingingsrecht

Op 8 december 2017 nam de Europese Commissie een beslissing in de zaak. De link naar de beslissing vindt U hier.

De Europese commissie ging na in hoeverre deze regel van de ISU de concurrentiemogelijkheden op de markt van het schaatsen, en meer bepaald het organiseren van schaatswedstrijden, beperkte en of er hierdoor een schendig was van de artikelen 101 en/of 102 VWUE.

De Europese Commissie vond dat de regel geen ander doel had dan het voorkomen van atleten om deel te nemen aan niet-toegelaten wedstrijden.  De Europese Commissie vervolgde haar redenering en stelde dat hiermee concurrerende organisatoren de pas werden afgesneden.  Er werd besloten dat de toelatingsregels tot doel hadden de mededinging te beperken op de wereldwijde markt voor de organisatie en commerciële exploitatie van internationale schaatsevenementen.  Er was sprake van een inbreuk en de ISU moest haar regels aanpassen bij gebreke waaraan er een dwangsom zou worden opgelegd.

De regel om de deelname aan andere organisaties te verbieden was niet passend, en al zeker niet proportioneel, om de beweerde doelstelling van de ISU, zijnde het bewaken van de gezondheid en veiligheid van sporters, te bereiken. Er werd meer bepaald een schending van artikel 101 VWEU vastgesteld.

Het moest voortaan mogelijk zijn dat leden van de ISU ook konden deelnemen aan organisaties van derden.

De ISU deed aanpassingen aan haar reglement en ging tevens in beroep.

16/12/2020: het Gerecht van de Europese Unie bevestigt de beslissing van de Europese commissie

De Internationale Schaatsunie verzette zich tegen deze uitspraak van de Europese Commissie middels een beroep op 19 februari 2018.
De ISU verzocht de vernietiging van de beslissing van de Europese Commissie en argumenteerde dat de bewuste regel niet tot doel had om de mededinging in te perken.

Vandaag, 16 december 2020, heeft ook het Gerecht van de Europese Unie een beslissing genomen.
De integrale beslissing kan worden teruggevonden via deze link. Er is tevens een Nederlandstalig persbericht: link.
Het Gerecht herneemt de beslissing in die zin dat zij wederom een schending van artikel 101 VWEU weerhoudt en gaat op een aantal punten dieper in.
De ISU als organisator van wedstrijden oefent een economische activiteit uit en is tegelijkertijd ook een regulerend orgaan inzake de schaatssport.
Zij moet dus voldoende waarborgen en mogelijkheden voorzien dat derde partijen niet onrechtmatig verboden worden om wedstrijden in te richten waaraan evident ook schaatsers aangesloten bij de ISU, de enige erkende olympische federatie inzake ijsschaatsen, kunnen deelnemen.
Dit was met de bewuste regel, die overigens relatief vaag was omschreven, niet het geval.

Deze beslissing kan nog worden aangevochten bij het Europees Hof van Justitie.

Nuance vereist

Concreet moeten externe organisatoren in de mogelijkheid zijn om wedstrijden te organiseren en moeten leden van sportfederaties in de mogelijkheid zijn om deel te nemen aan activiteiten van externe organisatoren.

Het mededingingsrecht is echter complex.
Simpelweg stellen dat het opleggen van een verbod door een sportfederatie aan leden om deel te nemen aan niet-erkende wedstrijden een schending van het mededingingsrecht uitmaakt, is kort door de bocht.

Vanzelfsprekend is enige nuance noodzakelijk aangezien er onder bepaalde voorwaarden wel degelijk restricties aan derde-organisatoren zouden kunnen worden opgelegd.
Er moet in dit geval wel sprake zijn van een objectieve verantwoorde reden waarbij de regel bovendien proportioneel is met de doelstelling van de regel.
De restricties mogen vanzelfsprekend niet als doelstelling hebben om de mededinging op de markt van de organisatie van sportwedstrijden onrechtmatig te beperken.

Mogelijke consequenties voor andere sportfederaties

De beslissing van 8 december 2017  van de Europese Commissie  heeft geleid tot discussies binnen en over andere sportfederaties.
Ook heel wat andere sportfederaties hebben immers reglementen vergelijkbaar met deze van de ISU.
Een aantal federaties hebben inmiddels hun oude reglementen, al dan niet op basis van de beslissing van de Europese Commissie, aangepast.

De oude regel binnen de KBWB die stelde “er mag niet worden deelgenomen aan wedstrijden van nevenbonden” is bijvoorbeeld niet meer terug te vinden in de reglementen van de KBWB. De UCI heeft echter nog steeds onder “1.2.019” een regel over “verboden wedstrijden”.

Het valt te verwachten dat de nieuwe beslissing van het Gerecht van de Europese Unie van 16 december 2020 opnieuw druk zal doen ontstaan bij een aantal sportfederaties om hun regels aan het mededingingsrecht aan te passen.

Ook in België moet worden vastgesteld dat een groot aantal sportfederaties mogelijks reglementsbepalingen hebben die in navolging van deze beslissing in strijd zouden kunnen worden geacht met het mededingingsrecht.

Zo stelt de KBWB nog steeds dat

“Commissarissen in geen geval dienst mogen doen bij organisaties die niet zijn aangesloten bij Belgian Cycling, Cycling Vlaanderen of FCWB.”

Ook de Koninklijke Belgische Voetbalbond heeft bijvoorbeeld de volgende regel:

“Artikel B6.124 Het is aan de clubs van de KBVB verboden wedstrijden te spelen tegen niet-aangesloten, geschorste of geschrapte clubs. Iedere inbreuk wordt gestraft met een boete van 100,00 EUR tot 500,00 EUR.”

 


Toelichting in de Morgen – portretrechten – FIFA21 | Everest Sport

Advocaten Joris Deene, partner IP-recht, en Mathieu Baert, de verantwoordelijke voor het sportrecht-departement, hebben een aantal vragen beantwoord naar aanleiding van een artikel in De Morgen van 1 december 2020.

Het artikel gaat dieper in op de recente media-aandacht over de portretrechten van voetballers en meer bepaald het gebruik van de afbeeldingen van voetballers in het voetbalspel FIFA 21.  Deze media-aandacht is het gevolg van uitlatingen van Ibrahimovic en Bale over het feit dat zij hiervoor nooit toestemming, noch aan FIFPro, noch aan FIFA, zouden hebben gegeven.

Everest Sport ging reeds eerder dieper in op het concept van portretrechten in de sport (LINK).

Joris Deene verklaarde onder meer als volgt:

Bij voetballers ligt dat anders. In artikel 40 van de CAO Betaalde Voetballer staat dat voetballers hun club, competitie of nationale ploeg het recht geven om hun afbeelding te gebruiken in het kader van een wereldwijde actie. “Met andere woorden: Club Brugge of de Pro League kan een deal sluiten met EA Sports om ofwel de speler van Club Brugge of de spelers van de volledige Belgische competitie op te nemen in de game”, zegt Joris Deene, advocaat bij Everest Advocaten.

Mathieu Baert deelde het volgende mee:

“De laatste jaren is gebleken dat topvoetballers hun portretrechten op fiscaal voordelige wijze laten uitkeren”, zegt Mathieu Baert (Everest). “Het blijft dan ook een interessant onderdeel van hun bezoldiging.”

Het volledige artikel kan worden teruggevonden via de volgende link: https://www.demorgen.be/nieuws/waarom-stervoetballers-na-al-die-jaren-opeens-klagen-over-hun-digitaal-portret-in-fifa-games~bfcc9478/?utm_campaign=shared_earned&utm_medium=social&utm_source=copylink

Vragen over portretrechten? Aarzel niet om ons te contacteren: sport@everest-law.be of via het nummer +32 9 334 94  70.

 


De “voetbal witwaswet” in België – een game changer?

De toepassing van de preventieve witwaswet voor het professioneel voetbal

Er komt een “voetbal witwaswet”. Naar aanleiding van operatie ‘Propere handen’ , een onderzoek van 2018 naar fraude in het Belgisch voetbal, werd de antiwitwaswet van 18 september 2017 in die zin gewijzigd dat zij ook van toepassing wordt op het professioneel voetbal. Voortaan zullen binnen het voetbal entiteiten zoals professionele voetbalploegen, maar ook sportmakelaars in de voetbalsector (voetbalmakelaars) en de VZW Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBVB) ressorteren onder het toepassingsgebied van de antiwitwaswet.

Tijdens de eerste lezing van het wetsontwerp houdende de wijzigingen aan de antiwitwaswet op 17 juni 2020 werd amendement nr. 8 ingediend dat voorzag dat de antiwitwaswet voortaan ook van toepassing zou moeten zijn op professionele voetbalclubs en sportmakelaars of voetbalmakelaars. Dit amendement bevatte echter verschillende hiaten, vooral gelieerd aan de onvoldoende aflijning van bepaalde begrippen, waardoor het amendement terug werd ingetrokken.

Om aan deze hiaten tegemoet te komen, werden de amendementen nrs. 10 tot 15 ter verfijning van het amendement nr. 8 ingediend en in een tweede lezing op 7 juli 2020 door de Commissie Financiën alsnog goedgekeurd.

Voetbalclubs, voetbalmakelaars en de KBVB vallen onder het toepassingsgebied

De antiwitwaswet zal van toepassing worden op de “professionele topvoetbalclubs”. Hiermee wordt bedoeld, elke in België gevestigde onderneming die een professionele topvoetbalclub bezit of beheert waarvan ten minste één ploeg in de kampioenschappen van het hoogste niveau in de competitie van België speelt. De koning voorziet in hun registratie door de FOD Economie volgens de nadere regels, criteria en voorwaarden die Hij bepaalt. Specifiek gaat het hier binnen het voetbal over de 24 clubs afkomstig uit de voetbalreeksen 1A en 1B.

Daarnaast zullen ook “sportmakelaars in de voetbalsector”, dus voetbalmakelaars, onderworpen worden aan de antiwitwasregelgeving. Evenwel, wordt het begrip “voetbalsector” niet verder gedefinieerd waardoor de wet van toepassing is van zodra er sprake is van het sluiten van een arbeidsovereenkomst voor een betaalde voetballer, ongeacht of het hier gaat om “topvoetbal”.

Tot slot zal ook de “VZW Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBVB)” onder het toepassingsgebied van de antiwitwaswet vallen. De KBVB zal een clearing house opzetten waarmee een overzicht kan gemaakt worden van alle voetbaltransfers en de transacties die daarmee gepaard gaan. De exacte draagwijdte van haar verdere verplichtingen zal echter nog moeten blijken uit het reglement dat zal vastgelegd worden door de FOD Economie. Dit reglement zal eveneens het begrip “cliënt” specifiëren alsook transacties met een laag en/of hoog risico identificeren.

Wat betekent dit concreet voor het voetbal?

Concreet betekent dit dat bovengenoemde entiteiten binnen hun interne werking een cel dienen op te richten die zich bezighoudt met de operationele toepassing van de antiwitwaswetgeving. Indien deze cel van mening is dat de transactie is verricht op basis van geld van dubieuze oorsprong meldt zij dit aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI). De CFI kan daarna op haar beurt, als zij vaststelt dat het geld inderdaad van criminele oorsprong is, de zaak overmaken aan het parket.

Wanneer wordt de “voetbal witwaswet” van toepassing?

Om de voetbalsector de nodige tijd te geven om deze bepalingen van de voetbal witwaswet te implementeren, treden deze wijzigingen met betrekking tot de professionele voetbalclubs en de KBVB ten vroegste in voege op 1 juli 2021. Wat betreft de sportmakelaars werd nog geen termijn betreffende de inwerkingtreding afgesproken aangezien eerst overleg met de regionale overheden vereist is.

Lees ook de bijdrage over de voetbal witwaswet op de website van het departement ondernemingsstrafrecht – LINK !

 


Het federaal regeerakkoord en sport

Het federaal regeerakkoord

Op 1 oktober 2020 was er een nieuwe regering na de eedaflegging van de regering De Croo. Samen met de eedaflegging werd het federaal regeerakkoord voorgesteld. Naast klemtonen op de economie na corona, pensioenen en een klimaatbeleid vonden wij in het federaal regeerakkoord  ook een aantal relevante elementen voor de sportsector.

Het integraal regeerakkoord kunt U hier downloaden.

Fiscale voordelen voor de professionele sport

Onder hoofdstuk 7 “eerlijke fiscaliteit en correcte inning” van het federaal regeerakkoord vinden wij een eerste passage inzake sport.

“De regering hervormt de huidige fiscale en parafiscale voordelen van beroepssporters en sportclubs met
het oog op meer billijkheid, waarbij gegarandeerd wordt dat iedereen een eerlijke bijdrage levert, afhankelijk van de draagkracht van de sport. Tevens zal de controle op de sport-makelaars versterkt worden.”

Na de discussies van de voorbije maanden dat onder meer profvoetballers genieten van een te gunstig fiscaal regime was het zo goed als zeker dat de overheid maatregelen in deze zin zou aankondigen.

Ook de sportmakelaars zelf worden specifiek geviseerd.

Onbelast bijverdienen

Onder hoofdstuk 2 “Arbeidsmarkt en organisatie” van het federaal regeerakkoord vinden wij een tweede passage waarbij onder meer gefocust wordt op de sportsector:

“We voeren in overleg met de betrokken sectoren een nieuwe regeling inzake verenigingswerk in, die in
werking zal treden op 1 januari 2021. We houden hierbij rekening met de opmerkingen gemaakt door het
Grondwettelijk Hof in haar arrest van 23 april 2020.”

De vorige regering had een regeling in het leven geroepen waardoor onder meer trainers, begeleiders en scheidsrechters door hun sportclub of sportfederatie (maar ook in het kader van ander verenigingswerk) tot een bepaald plafond vergoed konden worden zonder dat zij hiervoor belast werden.

Deze regeling werd door het Grondwettelijk Hof bij beslissing van 23 april 2020 vernietigd. Zij bepaalde dat de regeling zou uitdoven op 31 december 2020. De Raad van State gaf bovendien op 9 oktober 2020 een negatief advies op een voorstel om de regeling juridisch te repareren.

De federale regering verbindt zich er thans toe om alsnog een soortgelijke regeling te vinden die wel de toets van het grondwettelijk hof zal doorstaan en dit met ingang van 1 januari 2021.

 

Besluit

In het federaal regeerakkoord wordt slechts ingegaan op twee aspecten die expliciet betrekking hebben op sport en de sportsector, zijnde een luik over fiscaliteit en een luik over het onbelast bijverdienen bij verenigingswerk.

Dit is voor het eerste luik een gevolg van de reeds langdurige discussies over de fiscale voordelen voor bepaalde professionele sporters en sportclubs.

Het tweede luik is een rechtstreeks gevolg van het feit dat de regeling inzake onbelast bijklussen werd vernietigd door het Grondwettelijk Hof en uitdooft op 31 december 2020.

Dat er in het federaal regeerakkoord slechts twee aspecten gewijd worden aan sport is in grote mate te verklaren doordat sport een gemeenschapsbevoegdheid is en dat het dus – voor Vlaanderen – de Vlaamse overheid is die de grootste verantwoordelijkheid inzake sport heeft. De Vlaamse overheid is diegene die de beleidslijnen over sport uitzet.

 


Everest staat VRT en Radio1 te woord in de zaak Jakobsen / Groenewegen

Bij elke wielerliefhebber staan de onaangename beelden van de zware valpartij van Jakobsen na een manoeuvre van Groenewegen in het geheugen gegrift.

Onmiddellijk stelden diverse mediakanalen een rist juridische vragen naar de mogelijke juridische consequenties voor Groenewegen.

Mathieu Baert stond zowel Radio 1 als de VRT te woord om juridische toelichting te verschaffen.

Het interview kan worden beluisterd via de volgende link: https://radio1.be/programma/de-wereld-vandaag/radioitem/kan-renner-dylan-groenewegen-aangeklaagd-worden-voor-moord/24431 .

De toelichting bij VRT kan worden nagelezen via volgende link: https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2020/08/06/juridische-gevolgen-valpartij/

Onder meer volgende argumenten haalde Mathieu Baert aan:

Sportrechtadvocaat Mathieu Baert (Everest – UGent) volgt die redenering niet helemaal. “Het opzet moet bewezen worden. De verdediging van Groenewegen zou kunnen argumenteren dat hij het niet opzettelijk heeft gedaan. Dat het niet zijn bedoeling was om Jakobsen effectief in de dranghekken te rijden, maar dat het gewoon zijn doel was om de wedstrijd te winnen. Als de rechter die redenering zou volgen, zou Groenewegen nog steeds veroordeeld kunnen worden voor onopzettelijke slagen en verwondingen.”

“In ieder geval zal de rechter moeten oordelen of Groenewegen een fout heeft gemaakt. Was hij onvoorzichtig? Heeft hij de zorgvuldigheidsnorm geschonden? Heeft hij gehandeld zoals iedere voorzichtige profwielrenner zich in diezelfde omstandigheden zou gedragen?”

“Maar hoe groot is de kans dat het effectief tot een proces komt? “Het zou in ieder geval niet de eerste keer zijn dat een dergelijke valpartij een juridisch staartje krijgt”, herinneren Van Steenbrugge en Baert zich. De eerste keer gebeurde het in 1978. De correctionele rechtbank van Oudenaarde veroordeelde de profrenner Marinus Pijnen voor onopzettelijke slagen en verwondingen. Pijnen had tijdens een wielerwedstrijd in Sint-Martens-Lierde Pierre Berckmans ten val laten komen. De renner van de “bruine garde” van Eddy Merckx liep een schedeltrauma op, stapte naar de rechtbank en kreeg gelijk.

10 jaar later, na een valpartij tijdens het WK van Ronse in 1988, oordeelde de rechter anders. Wielrenner Steve Bauer werd vrijgesproken voor onopzettelijke slagen en verwondingen nadat hij Claude Criquielion op 200 meter van de eindstreep in de hekken had gereden.

Maar het is dus zeker niet onmogelijk dat de valpartij van gisteren een juridisch staartje krijgt, al benadrukken de advocaten dat zo’n strafproces zeer uitzonderlijk is. “Sporters proberen lange en ingewikkelde procedures voor rechtbanken te vermijden”, klinkt het.

Maar Baert en Van Steenbrugge onderstrepen ook dat de schade van dit ongeval zeer groot is. “Er is de fysieke schade van Jakobsen zelf, er is de schade voor zijn familie, de morele schade, de schade voor de ploeg Deceuninck-Quick Step,… Een jonge profrenner die misschien jarenlang niet meer zal kunnen rijden, dit gaat over miljoenen.”

Al is het volgens de twee advocaten uitgesloten dat dit voor een Belgische rechtbank zou kunnen komen. In de eerste instantie kijkt men naar de plaats van de feiten, Polen dus. In dat geval zal dus ook het Poolse strafrecht van toepassing zijn. In tweede instantie zou het land van de nationaliteit van de “dader” bevoegd kunnen zijn, Nederland dus.”


Het Vlaams Dopingtribunaal wordt het Vlaams Sporttribunaal

Het Vlaams Sporttribunaal tegen grensoverschrijdend gedrag

Er komt een nieuw Vlaams Sporttribunaal. De Vlaamse Sportfederatie focust samen met Sport Vlaanderen en de Minister van Sport op het bestrijden van grensoverschrijdend gedrag. Om deze reden hebben zij zes beleidsmaatregelen geïmplementeerd bij de diverse sportfederaties.

Een van de zes beleidsmaatregelen is naast het invoeren van een tuchtreglement die grensoverschrijdend gedrag kan beteugelen het implementeren van een overkoepelend tuchtorgaan.

Hiertoe werd het bestaande Vlaams Dopingtribunaal op 8 juni 2020 gewijzigd in het Vlaams Sporttribunaal.

Het Vlaams Sporttribunaal zal vanaf 1 januari 2021 grensoverschrijdend gedrag kunnen onderzoeken en sanctioneren.

Juridische grondslag van het Vlaams Sporttribunaal tegen grensoverschrijdend gedrag

De juridische basis ligt vervat in het aangepaste decreet van 10 juni 2016 houdende de erkenning en subsidiëring van de georganiseerde sportsector en het aangepaste bijhorend besluit van 16 september 2016 van de Vlaamse regering tot vaststelling van de algemene erkennings- en subsidieringsvoorwaarden voor de georganiseerde sportsector.

Op 1 januari 2021 treedt de nieuwe versie in werking.

In het besluit van 16 september 2016 vinden we onder art. 7/1 volgende bepaling terug:

§ 1. Om in aanmerking te komen voor een algemene werkingssubsidie, voert de sportfederatie een integriteitsbeleid uit als vermeld in artikel 11, § 1, eerste lid, 3° /1, van het decreet van 10 juni 2016. In het kader daarvan neemt de sportfederatie maatregelen om het kwaliteitsbeleid, preventiebeleid en reactiebeleid op het vlak van de fysieke, psychische en seksuele integriteit van personen te verbeteren, om risico’s te verkleinen en om incidenten te voorkomen en correct af te handelen. De sportfederatie neemt minstens de volgende maatregelen, die ze implementeert en stimuleert in haar werking:

6° beschikken over een tuchtrechtelijk systeem, specifiek voor grensoverschrijdend gedrag, door:
a) in het tuchtreglement van de sportfederatie een rubriek over grensoverschrijdend gedrag op te nemen;
b) te beschikken over of door te verwijzen naar een tuchtrechtelijk orgaan dat beschermend en sanctionerend kan optreden;”

Indien sportfederaties zich met andere woorden niet aansluiten bij het Vlaams Sporttribunaal of geen eigen procedure inrichten, dreigen zij niet te kunnen beschikken over subsidies.

Wat doet het Vlaams Dopingtribunaal?

Het Vlaams Dopingtribunaal omschrijft haar doel en activiteiten als volgt:

“Het Vlaams Dopingtribunaal heeft als doel de aangesloten sportfederaties te ondersteunen bij de organisatie van disciplinaire procedures betreffende dopingpraktijken gepleegd door elitesporters en begeleiders in de zin van de Vlaamse antidopingregelgeving.”

Concreet beteugelt zij dopinginbreuken gepleegd door elitesporters van een groot percentage van de Vlaamse sportfederaties.

De amateursporters worden berecht door de Vlaamse disciplinaire commissie in de schoot van NADO Vlaanderen. Federaties zoals de Wielerbond zijn niet aangesloten.

Wat zal het Vlaams Sporttribunaal doen?

Dat de doelstelling erin bestaat om grensoverschrijdend gedrag zowel te onderzoeken (dit is nieuw t.o.v. het Vlaams Dopingtribunaal) als te berechten is wel duidelijk. Er zal worden gewerkt met een disciplinair openbaar ministerie (onderzoeksorgaan) en rechtelijke macht (tuchtorgaan). Dit is een vorm van tuchtrecht (link) waarover wij eerder al toelichting hebben gegeven.

De precieze contouren van de taken, de doelgroepen en de betrokken sportfederaties zijn nog onduidelijk. Sportfederaties zouden de keuze hebben tussen aansluiten bij het Vlaams Sporttribunaal of het zelf inrichten van een tuchtrechtelijke procedure. Het lijkt ons vanzelfsprekend dat ook hier alle rechten van verdediging zullen kunnen worden uitgeoefend zoals de inzage in het dossier, de bijstand van een advocaat, etc.

Aangezien er aan het Vlaams Sporttribunaal een vrij ruime invulling kan worden gegeven is het de vraag of er in de toekomst ook andere zaken dan deze van doping en grensoverschrijdend gedrag zullen kunnen worden behandeld.

 

 


Watersport tijdens het corona-virus kan volgens het Ministerieel Besluit

Sporten tijdens het corona-virus

In ons blogbericht van 26 maart 2020 gingen wij reeds uitgebreid in op de mogelijkheden om te sporten gelet op de maatregelen die werden genomen in het kader van het corona-virus. Wij stelden erg duidelijk dat het ons inziens enig relevant document het Ministerieel Besluit is.  De richtlijnen of de FAQ van het Crisiscentrum en de diverse verklaringen in de media hebben geen kracht van wet en zijn soms tegengesteld zijn aan het Ministerieel Besluit. Dit zorgt voor verwarring. Hier leest U onze blog.

Er is namelijk veel miscommunicatie over welke sporten mogen worden beoefend en welke sporten niet mogen worden beoefend . Alwaar initieel enkel wandelen, lopen en fietsen werd vermeld, werd dit op 6 april 2020 uitgebreid met een aantal bijkomende activiteiten zoals skateboarden of skeeleren.

Ons inziens is het Ministerieel besluit, hetgeen in tegenstelling tot de richtlijnen van het crisiscentrum juridisch bindend is, veel ruimer.
Elke individuele fysieke activiteit is toegelaten. Dit houdt ons inziens ook individueel basketballen, stretchen en elke andere individuele sportbeoefening in.
Het Ministerieel Besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken voorziet in art. 8 – dat stelt dat men moet thuisblijven – in de uitzondering dat situaties onder art. 5, alinea 2 wel toegelaten zijn.
Art. 5, alinea 2 staat het volgende toe:

de beoefening van een individuele fysieke activiteit of met de familieleden die onder hetzelfde dak wonen of telkens een zelfde vriend, dit alles met respect van een afstand van 1,5 meter tussen elke persoon

Er worden geen andere beperkingen opgelegd.

Is watersport (bv. kajak of roeien) tijdens het corona-virus toegelaten?

Het Ministerieel Besluit is duidelijk en is thans het enig bindend document. Elke individuele fysieke activiteit is toegelaten.
Nergens wordt een uitzondering voorzien dat het beoefenen van een watersport zoals kajak of roeien zou verboden zijn.
De eventuele beperkingen opgelegd door het Crisiscentrum hebben ons inziens geen bindende kracht en zijn slechts van toepassing voor zover ze in lijn zijn met het Ministerieel Besluit.

Tot onze verbazing wordt op de website van de FOD Mobiliteit meegedeeld dat brandingssporten en watersporten verboden zouden zijn ingevolge het Covid-19 virus:
https://mobilit.belgium.be/nl/nieuws/nieuwsberichten/2020/covid_19_vaarverbod_pleziervaart_en_verbod_op_brandingsporten
Ook veel sportfederaties hebben deze interpretatie navolging gegeven.
Wij deden navraag bij de FOD Mobiliteit en nu blijkt dat dit verbod niet gestoeld is op een externe bijkomende beslissing, doch dat dit een vertaling betreft van de huidige FAQ en richtlijnen uitgevaardigd door het Crisiscentrum en te raadplegen op https://www.info-coronavirus.be/nl/faq/  :

 

 

 

 

Gelet op onze analyse die hierboven werd gemaakt dienen wij echter opnieuw te besluiten dat deze vermelding op de website van het Crisiscentrum geen kracht van wet heeft en dat moet nagegaan worden of dit verbod op watersporten (kajak / roeien) kan worden afgeleid uit het Ministerieel Besluit (of een ander wetgevend document).
Dit is niet het geval voor wat betreft het Ministerieel Besluit en wij hebben geen weet, zelfs niet na navraag, van enig ander wetgevend document dienaangaande.

Roeien, kanovaren, kajakken, zeilen, suppen, windsurfen en andere watersporten kunnen ons inziens dan ook niet verboden worden op basis van het Ministerieel Besluit.

Er kan uiteraard steeds een proces-verbaal worden opgesteld. Het zal uiteindelijk evenwel aan de rechter toekomen om na te gaan in hoeverre het uitoefenen van deze watersporten (kajak / roeien) conform is met de individuele fysieke activiteit  zoals vastgelegd in het Ministerieel Besluit. Wij menen dat de kans erg reëel is dat de rechter zal oordelen dat watersport – in zoverre het effectief een fysieke individuele activiteit is – een toegelaten individuele fysieke activiteit is.

Disclaimer

Wij zijn juristen en doen dus geen uitspraken over de al dan niet noodzakelijkheid van het ene of gene verbod.
Wij zijn wel van mening dat de wet duidelijk moet zijn en dat de burger in staat moet zijn om op een eenvoudige wijze de wetgeving te begrijpen.
Als er verboden worden in het leven geroepen is het van het allergrootste belang dat deze wettelijk, zij het via een aanpassing van het Ministerieel Besluit, worden vastgelegd.
Op een website gepubliceerde richtlijnen zijn geen wetgevende documenten.
Dit is een noodzakelijkheid voor de algemene rechtszekerheid, een basisprincipe in onze rechtstaat.


Page 1 of 6123...Last