+32 9 334 94 70

Blog

De licentie voor het profvoetbal 1A en 1B

In de media waren er de afgelopen weken een aantal ophefmakende nieuwsberichten over de aanvragen tot het bekomen van een licentie in het voetbal door de clubs in eerste klasse A en eerste klasse B. Er werden zich onder meer vragen gesteld bij de verkoopsconstructie van KV Oostende – waarbij het effectieve overnamebedrag uitgesteld zou worden betaald – en of dit door de licentiecommissie zou worden toegelaten.

Enige duiding over de precieze procedure tot het bekomen van dergelijke licentie ontbreekt evenwel of kenmerkt zich door onvolledigheid.

Deze duiding levert evenwel interessante inzichten op.

1) De procedure en de aanvraag voor het bekomen van een licentie

De procedure voor het bekomen van een licentie wordt bepaald in de artikelen P401 tot P429 van het Bondsreglement van de KBVB.

Om in Eerste Klasse A of in Eerste Klasse B aan te treden moet een club beschikken over “een licentie van club in afdeling 1A van het profvoetbal”, respectievelijk “een licentie van club in afdeling 1B van het profvoetbal”. Vanaf het seizoen 2018-2019 zullen clubs die dalen naar Eerste Klasse B of die het komend jaar in Eerste Klasse B blijven ook dienen te beschikken over “een licentie van club in afdeling 1A van het profvoetbal”.

De licenties moeten conform art. P417 Bondsreglement worden aangevraagd per aangetekend schrijven en dit tussen 1 en 15 februari voorafgaand aan het nieuwe seizoen. De licentiecommissie stelt voor deze aanvragen een standaardformulier op, waarop alle voorwaarden en vereiste bewijsstukken en attesten worden aangegeven.

Indien een club wenst aan te treden in een Europese competitie dient deze club bovendien te beschikken over een Europese licentie.

2) De voorwaarden waaraan de clubs dienen te voldoen

Wat betreft de voorwaarden die door de clubs dienen te worden voldaan staat artikel P406 van het Bondsreglement centraal.

Artikel P406 Bondsreglement bepaalt als toekenningsvoorwaarden dat de clubs (1) de verantwoordelijke rechtsperso(o)n(en) dienen op te geven ; (2) dienen aan te tonen dat de continuïteit verzekerd is; (3) dienen te voldoen aan het artikel P407 Bondsreglement; en (4) dienen te voldoen aan het artikel P408 Bondsreglement voor de clubs in 1A en aan het artikel P410 Bondsreglement voor de clubs in 1B.

In de praktijk wordt in eerste instantie nagegaan of de clubs voldoen aan de artikelen P408, dan wel P410 Bondsreglement en aan art. P407 Bondsreglement.

Enkel in het geval hieraan voldaan is – het betreft een noodzakelijke voorwaarde – wordt onderzocht  – onder meer op basis van boekhoudkundige gegevens,  verklaringen van schuldeisers en verklaringen van financierders – of de continuïteit verzekerd is.

Belangrijk hierbij is dat een licentie nooit kan worden toegekend onder voorwaarden.

De artikelen P408/P410 Bondsreglement – afhankelijk of de club aantreedt in 1A of 1B – betreffen meer technisch vereisten zoals het behalen van de diverse criteria waaraan het stadion, het speelveld, de verlichting, etc. dienen te voldoen. In de praktijk leiden deze artikelen tot weinig discussie.

Het artikel P407 Bondsreglement – dat voor alle clubs een uitgebreide reeks van algemene voorwaarden uiteenzet – is voor de meeste clubs die geen licentie behalen het grootste struikelblok.

Voorwaarden die met regelmaat tot discussie leiden betreffen onder meer:

  • Art. 407.1.4°:  het voorleggen van een controleverslag door een benoemde commissaris over het laatst afgesloten boekjaar welke voldoet aan alle wettelijke bepalingen ter zake;
  • Art. 407.1.5°: een geraamde staat van ontvangsten en uitgaven tot het einde van het seizoen waarvoor de licentie wordt aangevraagd (leningen en waarborgen waarvan de schuldeiser de terugbetaling kan eisen voor het einde van het seizoen mogen hierbij niet in rekening worden genomen);
  • Art. 407.1.6°: het bewijs leveren niet in gebreke te blijven bij de betaling van onder meer de lonen aan spelers, trainers en alle personeel en de aan R.S.Z. verschuldigde sommen (de Licentiecommissie eist onbetwistbare bewijsstukken zoals bij wijze van voorbeeld een afbetalingsplan uitgaande van de RSZ of de betalingsbewijzen van de lonen).

Wat betreft de voorwaarde opgenomen in art. 407.1.6° dat betrekking heeft op de schulden van de club staat het Bondsreglement toe dat een licentie mag worden toegekend indien de desbetreffende schulden worden betwist en waarvan de betwisting niet kennelijk onredelijk schijnt te zijn. In voorkomend geval kan het toekennen van de licentie afhankelijk worden gemaakt van het blokkeren door de club van de betwiste sommen.

Tevens bepaalt artikel P407 Bondsreglement dat een licentie niet zal worden toegekend aan een club waarvan een of meerdere verbonden juridische entiteiten eveneens verbonden zijn met een andere club in het profvoetbal.  Het artikel definieert vervolgens wat onder een verbonden juridische entiteit wordt begrepen.

Een verbonden juridische entiteit is onder meer de partij die direct of indirect over 10% of meer van de stemrechten beschikt in de schoot van de algemene vergadering van de licentie kandidaat of die op één of andere wijze een beduidende invloed uitoefent op de licentie kandidaat; en/of de partij die de bevoegdheid heeft, in feite of in rechte, om het directie comité of de vertegenwoordigers van de club bij de Pro League te benoemen.

Gelet op de bewoordingen “die op één of andere wijze een beduidende invloed uitoefent op de licentiekandidaat” en in feite of in rechte”  kan zich de vraag gesteld worden of de door de media geschetste constructie van KV Oostende hieronder niet begrepen kan worden. In dit geval zou er zich wel degelijk een probleem voor zowel KV Oostende als voor RSCA Anderlecht kunnen stellen.

3) Tussenkomende schuldeisers

Tevens belangrijk is het artikel P418 Bondsreglement dat stelt dat schuldeisers van clubs die een aanvraag indienen die menen dat met hen rekening moet worden gehouden bij de toekenning van de licentie zich kenbaar kunnen maken bij de KBVB. In voorkomend geval kan de Licentiecommissie rekening houden met de schuld van deze schuldeiser bij het al dan niet toekennen van de licentie.

Onder meer de heer Eddy WAUTERS, voormalig voorzitter van RAFC Antwerp, heeft meermaals gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

4) De beslissing

Na het verslag van de Licentiemanager te hebben gehoord, spreekt de Licentiecommissie zich uit over de aanvraag van de club.

Ofwel kent de Licentiecommissie – indien aan alle voorwaarden is voldaan – de licentie onmiddellijk toe en moet de aanvragende club niet verschijnen voor de Licentiecommissie.

Indien de Licentiecommissie de licentie niet kan toekennen dan verzoekt zij om bijkomende stukken. Na het voorleggen van deze stukken dient de club vervolgens te verschijnen om één en ander toe te lichten op een zitting van de Licentiecommissie. Op basis hiervan oordeelt de Licentiecommissie of de vergunning al dan niet kan worden toegekend. Deze beslissing dient behoorlijk gemotiveerd te worden meegedeeld aan de club.

Artikel P419 Bondsreglement bepaalt dat er over alle licentieaanvragen in eerste aanleg een beslissing dient te zijn genomen voor 15 april voorafgaand aan het nieuwe seizoen.

5) De sanctie indien er geen licentie wordt bekomen

Iedere club die wenst uit te komen in het profvoetbal 1A of 1B moet houder zijn van de voormelde licentie.

Wordt een licentie geweigerd of werd geen licentie aangevraagd dan degradeert de club naar 1e klasse Amateurs, in zoverre ze aan de licentievoorwaarden voor 1e klasse Amateurs voldoet. Wordt de licentie bovendien geweigerd of ingetrokken doordat de club niet voldoet aan de voorwaarden zoals opgelegd in Art. P407.1.6° dan moet de club het  kampioenschap aanvangen in 2e klasse amateurs met een handicap van drie punten.

6) Verhaalsrecht bij het Belgisch Arbitragehof voor Sport

Binnen de drie dagen na de betekening van de beslissing kan de club hoger beroep aantekenen bij het Belgisch Arbitragehof voor Sport (BAS).

Ook het Bondsparket van de KBVB of een derde belanghebbende club kan tegen de beslissing tot het toekennen van de licentie beroep aantekenen.

Het BAS dient vervolgens uitspraak te doen uiterlijk op 10 mei voorafgaand aan het nieuwe seizoen.

Essentieel aan deze beroepsprocedure is dat het BAS de zaak in zijn geheel – dit betekent zowel de feiten, de stukken als de juridische argumenten – herneemt en dat zij volheid van rechtsmacht heeft. Het BAS mag hierbij rekening houden met nieuwe betalingen of akkoorden.

Dit betekent concreet dat ook in het geval de Licentiecommissie beslist om de licentie niet toe te kennen aangezien er bepaalde schulden niet werden betaald, het BAS de licentie alsnog kan toekennen indien de club naderhand deze schulden alsnog betaalt.

De club krijgt als het ware een tweede kans (en iets meer tijd) om aan de voorwaarden te voldoen.

Onder meer RAFC Antwerp heeft inmiddels meermaals en succesvol gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

 

Verdere vragen? Aarzel niet om ons te contacteren via het nummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be.

 


Aansprakelijkheid en regels bij een skiongeval

Februari is traditioneel een maand waarbij er in grote getale op wintervakantie wordt gegaan. Tijdens deze drukke periodes op de skipistes wordt er nogal eens geklaagd over het soms roekeloze gedrag van sommige wintersporters. Hierbij is een skiongeval – soms ernstig en zelfs met dodelijke afloop – niet ongewoon.

Bestaan er regels op de skipiste die in acht dienen te worden genomen? Neemt U een risico door in volle snelheid een piste naar beneden te gaan?

Ja. Indien U een ongeval veroorzaakt kunt U wel degelijk aansprakelijk worden gesteld voor de door U aangerichte schade.Dit betekent ook dat U als slachtoffer mogelijks recht kunnen hebben op een schadevergoeding.

De toepasselijke wetgeving

In principe is de wetgeving  van de plaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan van toepassing.

Zelfs in het geval één en ander zou leiden tot een gerechtelijke procedure in België, zou er worden geoordeeld dat het recht van de plaats van het ongeval van toepassing is. De rechtsvordering tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een onrechtmatige daad in het buitenland gepleegd, wordt in België beheerst door de wet van de staat waar de daad is begaan, ook al is de mogelijke dader een Belg (Cass. 29 april 1996, C.95.0093.N).

Er bestaan evenwel uitzonderingen in het Internationaal Privaatrecht waardoor partijen onder meer vrijwillig kunnen opteren om het Belgisch recht van toepassing te verklaren.

Het FIS Ski-reglement

Daarnaast heeft de FIS, zijnde de Internationale Skifederatie of de Fédération Internationale de Ski, in 2002 een Ski-reglement uitgewerkt die regelmatig geactualiseerd wordt. Dit Ski-reglement is van toepassing in het gehele Alpijnse gebied – waar de meerderheid van de skivakanties plaatsvinden – en tracht de veiligheid op de skipiste te waarborgen. Deze regels kunnen hier teruggevonden worden.

Dit reglement, dat uit tien artikels bestaat, kan als volgt worden samengevat:

  • Respect voor anderen

Een skiër of snowboarder moet zich zo gedragen dat hij anderen niet in gevaar brengt of schade berokkent

  • Controle over de snelheid en over het skiën of het snowboarden

Een skiër of snowboarder moet zich gecontroleerd voortbewegen. Hij moet zijn snelheid en zijn manier van skiën of snowboarden aanpassen aan zijn capaciteiten, de weersomstandigheden, de staat van de piste en de mate van het verkeer.

  • De keuze van de te volgen route

Een skiër of een snowboarder die van achter (boven) komt moet zijn route op een dusdanige manier kiezen dat hij geen voorgaande skiërs of snowboarders in gevaar brengt.

  • Inhalen

Inhalen is toegestaan en dit zowel bovenaan als onderaan en zowel links als rechts, voor zover hij voldoende afstand laat zodanig dat de ingehaalde skiër of snowboarder steeds voldoende bewegingsruimte heeft om vrijwillige of onvrijwillige manoevers uit te voeren.

  • Het opgaan van de piste

Een skiër of snowboarden die een piste opgaat nadat hij op de piste is gestopt of zich omhoog heeft begeven moet omhoog en omlaag kijken zodat hij de piste kan opgaan zonder zichzelf en anderen in gevaar te brengen.

  • Het stoppen op de piste

Behalve indien het absoluut noodzakelijk is, moet een skiër of snowboarder vermijden om te stoppen op de piste waar het smal is of waar de zichtbaarheid beperkt is. Na een valpartij op dergelijke plaats moet een skiër of snowboarder zich zo snel als mogelijk verwijderen van deze plaats.

  • Te voet klimmen en afdalen

Een skiër of snowboarder die te voet aan het klimmen of aan het afdalen is moet zich aan de zijkant van de piste begeven.

  • Respect voor borden en aanwijzingen

Een skiër of snowboarder moet alle borden en aanwijzingen respecteren.

  • Hulp

Indien er zich ongevallen voordoen is het de verplichting van elke skiër of snowboarder om hulp aan te bieden.

  • Identificatie

Elke skiër of snowboarder die getuige is van een ongeval, aansprakelijk of niet aansprakelijk, moet zijn identiteitsgegevens in navolging van dit ongeval uitwisselen.

De toepassing in België

Er is in België beperkte rechtspraak die handelt over een ongeval op een skipiste (zie o.m. Gent, 30 maart 2006, TGR-TWVR 2006, afl. 4, 215).

In de meeste gevallen wordt toepassing gemaakt van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de persoon die een foutieve gedraging stelt waardoor een andere persoon schade lijdt, deze schade moet vergoeden. Er moet sprake zijn van schade, een fout en een oorzakelijk verband tussen de schade en de fout.

De fout kan bestaan uit het overtreden van een bepaald gebod of verbod of door de schending van de zorgvuldigheidsnorm.

De zorgvuldigheidsnorm gaat na hoe een normaal voorzichtige en redelijke mens in dezelfde feitelijke omstandigheden zou hebben gehandeld. Het gedrag van de persoon die de fout begaat wordt met andere woorden vergeleken met een bedachtzame skiër of snowboarder.

In de beoordeling van deze zorgvuldigheidsnorm komen de spelregels en in dit geval het FSI Ski-reglement in beeld. Men zou kunnen stellen dat een normaal zorgvuldig persoon het FSI Ski-reglement niet zou overtreden. Bij een overtreding van het FSI Ski-reglement kan worden geoordeeld dat de persoon in kwestie niet zorgvuldig handelde en dus aansprakelijk kan worden gesteld voor de daardoor veroorzaakte schade.

Er dient vanzelfsprekend ook rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden waardoor een overtreding van het FSI Ski-reglement niet altijd tot een fout volgens art. 1382 BW zal leiden. Ook omgekeerd betekent het niet omdat er geen fout volgens het FSI Ski-reglement werd begaan dat een persoon niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de veroorzaakte schade. In elke zaak dienen de feitelijke omstandigheden te worden nagegaan.

Het staat niettemin buiten kijf dat het FSI Ski-reglement – dat de veiligheid van de wintersporters beoogt – een belangrijke leidraad vormt.

Tot slot zal de uitkomst van een zaak in veel gevallen afhangen van het beschikbare bewijs. Bent U betrokken bij een skiongeval, dan is het noodzakelijk om zoveel mogelijk bewijs te verzamelen. Dit kan bestaan uit foto’s van de plaats van het ongeval, getuigenissen van omstaanders, etc.

Hebt U verdere vragen of wenst U juridische bijstand? U kunt ons contacteren via het telefoonnummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be

 

 


De whereabouts-regeling is niet strijdig met het EVRM

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 18 januari 2017 geoordeeld dat de regeling met betrekking tot de whereabouts niet in strijd is het met Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Het Hof stelde meer bepaald vast dat er geen schending is van het artikel 8 van het EVRM, hetgeen betrekking heeft op het recht op respect voor het privé- en familieleven.

In deze zaak werd meer bepaald nagegaan in hoeverre de verplichting voor een specifieke groep van professionele sporters om hun whereabouts mee te delen met het oogmerk om onaangekondigde dopingcontroles uit te voeren gerechtvaardigd was.

Het Hof erkende dat de whereabouts-regeling een impact heeft op het privéleven van sporters, maar oordeelde dat het publieke belang die dopingcontroles noodzakelijk maakt deze inperking rechtvaardigt.

Zo stelde het Hof vooreerst vast dat het afschaffen van de wereabouts-regeling zou kunnen leiden tot een toename van de mogelijke negatieve gevolgen die doping op de gezondheid van sporters kan hebben.

In tweede instantie oordeelde het Hof dat een afschaffing van deze regeling ook in strijd zou zijn met de Europese en internationale consensus over de noodzaak van onaangekondigde dopingcontroles.

De whereabouts-regeling houdt in dat sporters die hieraan onderworpen zijn precieze informatie over hun verblijfplaats en dagelijkse activiteiten dienen mee te delen aan een publieke autoriteit teneinde onaangekondigde dopingcontroles mogelijk te maken.

Een van de sporters die de desbetreffende procedure die geleid heeft tot deze uitspraak heeft opgestart betreft de Franse renster Jeannie Longo.

Deze beslissing lijkt voor het WADA een enorme opsteker te zijn en zou een mijlpaal kunnen zijn in de strijd tegen doping. De whereabouts-regeling was (en is) onderhevig aan veel kritiek.

Of dit een vrijbrief inhoudt voor de huidige whereabouts-regeling is niet duidelijk. De klacht die tot de onderhavige uitspraak van het EHRM heeft geleid dateert immers van 2011. De whereabouts-regeling is op heden een stuk strenger en meer ingrijpend geregeld dan de regeling in 2011.

De officiële persmededeling kan op volgende link worden teruggevonden: https://t.co/lekirhvYY6


De Voetbalwet en het stadionverbod

Voor veel voetbalsupporters is de zogenaamde voetbalwet – en het bijhorend stadionverbod – welbekend. Indien een supporter bepaalde regels binnen het stadion of in de onmiddellijke omgeving van het stadion overtreedt  bestaat het risico dat hij gedurende een bepaalde periode geen toegang meer zal krijgen tot een stadion en dat hij hier bovenop een geldboete zal moeten betalen.

De toepasselijke wet betreft de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden. De wet legt zowel verplichtingen op aan de supporters als aan de wedstrijdorganisatoren en de overkoepelende sportfederatie.

Op de volgende link hebben wij de voor voetbalsupporters relevante informatie gebundeld. Er wordt ingegaan op de verboden handelingen, de mogelijke sancties en de procedure:

 https://www.sportadvocaten.be/voetbalwet-stadionverbod/

 

 


Pers: In 2014 nog ritwinnaar in Togo, nu advocaat voor wielrenners

Een van onze advocaten kwam recent in de pers. Lees hieronder het artikel:

pers; nieuws;


Opinie: Het IOC en het WADA stellen hun vizier eindelijk scherper

Het WADA en nu ook het IOC hebben eindelijk hun tanden ontbloot. Na maanden aandringen vanwege het WADA heeft het IOC Rusland uitgesloten van de komende Olympische Spelen te Pyeongchang.  Tot voor kort schijnbaar onaantastbare personen zoals Vitaly Mutko kregen bovendien een levenslange schorsing opgelegd voor alle toekomstige Olympische Spelen.

Individuele Russische atleten zullen niettemin onder strikte voorwaarden aan de komende Spelen kunnen deelnemen. Hierbij zullen deze atleten evenwel niet voor Rusland maar voor het Olympisch team moeten aantreden. Hoe strikt deze voorwaarden zullen zijn staat nog niet vast en dit valt enigszins te betreuren. Het IOC heeft slechts een aantal richtinggevende principes aangaande deze voorwaarden meegedeeld. Bovendien zal het IOC, hoewel er een panel van deskundigen werd aangeduid, finaal en met een discretionaire bevoegdheid beslissen over de uiteindelijke toelating van de individuele atleet tot de Spelen.

Dat er een aantal zuivere atleten zullen worden geweigerd is eveneens erg waarschijnlijk en kan bekritiseerd worden. Toch moest er een afweging worden gemaakt tussen de bewezen feiten en de geloofwaardigheid van het IOC en de sport enerzijds en de kans op een aantal onterechte weigeringen anderzijds. Deze afweging doorstaat mijn inziens, wegens een gebrek aan alternatieve sancties, de test van de proportionaliteit.

De feiten zoals geschetst door de heer Rochenkov, de klokkenluider die de bal aan het rollen bracht, en nadien beschreven en onderzocht door Professor Richard McLaren, zijn hallucinant. Zo werd er tijdens de Olympische Spelen te Sotsji naast het officiële laboratorium een geheim laboratorium opgezet waarbij er, door middel van een gat in de muur, officiële positieve stalen werden verwisseld met vervalste negatieve stalen. Deze operatie zou onder meer met medewerking van de Russische geheime diensten hebben verlopen. Het rapport van 2 december 2017, in opdracht van het IOC, en op basis waarvan de uitsluiting van Rusland werd goedgekeurd, bevestigt deze feiten en stapelt de bewijzen op.

Samen met de maatregelen die door het IAAF, de wereldatletiekbond, werden genomen tijdens de Olympische Spelen in Brazilië, focust men zich met deze schorsing eindelijk en op grote schaal op de brede omgeving van de sporter. Deze evolutie kan enkel maar worden toegejuicht.

Het gebrek aan actiemiddelen tegen de omgeving van de sporter wordt immers sedert jaar en dag als een van de grootste tekortkomingen in de strijd tegen doping beschouwd. De omgeving en de begeleiding van de sporter speelt in veel gevallen een doorslaggevende rol in het al dan niet gebruiken van doping. In een omstandig aantal gevallen wordt de sporter omringd door personen die nog meer verblind zijn door de lokroep van het succes, de roem en het geld dan de sporter zelf. De druk die de sporter hierdoor ondervindt is in bepaalde gevallen zo groot dat de sporter hieronder bezwijkt. Sporters zijn vaak slechts pionnen op een groter schaakbord, en in dit geval waarschijnlijk Poetins schaakbord.

Hoewel de omgeving van de sporter, zoals trainers, dokters, familie of in dit geval vertegenwoordigers van een land, soms strafbaar wordt gesteld door middel van nationale wetgevingen viel (valt) zij meestal door de mazen van het net.

De eerlijkheid gebiedt er weliswaar op te wijzen dat deze gewijzigde focus op de omgeving van de sporter reeds in 2015 was waar te nemen toen de derde en meest recente WADA-code in werking trad. De WADA-code definieert doping en bepaalt de bijhorende bestraffingen en procedures. Deze code wordt beschouwd als het belangrijkste wapen in de strijd tegen doping en wordt gemonitord door het WADA. De code wordt door academici beschouwd als een vorm van zacht internationaal recht die over alle aangesloten landen en sportfederaties heen afdwingbaar is. Zo stelt het IOC de aanvaarding van de WADA-code als een voorwaarde om toegelaten te worden tot de Olympische Spelen.

Een van de meest ingrijpende wijzigingen in de nieuwe WADA-code was de opname van de omgeving van de sporter in de regelgeving. Er werd vooreerst een nieuwe dopingovertreding in het leven geroepen, artikel 2.10 van de WADA-code, die atleten verbiedt om zich te associëren met atleten of begeleidend personeel die eerder werden geschorst of veroordeeld wegens dopingovertredingen.  In tweede instantie werd er aan het begeleidend personeel van de sporter een verbod opgelegd om zelf en zonder geldige reden verboden stoffen of middelen te gebruiken en / of te bezitten.

Navraag leert evenwel dat deze bepalingen en bijhorende sancties amper of niet worden toegepast en dat het begeleidend personeel in veel gevallen buiten schot blijft. Dopingonderzoeken en -vervolgingen worden dan ook al te vaak, en al te gemakkelijk, enkel en alleen op de sporter toegespitst.

Deze tekst mag vanzelfsprekend niet worden beschouwd als een vrijbrief voor sporters, en sporters blijven bovenal baas van hun eigen lichaam en beslissingen. Er zou niettemin meer aandacht moeten zijn voor de context waarin een dopingovertreding zich heeft voorgedaan en in hoeverre de omgeving van de sporter een invloed heeft gehad. Het sanctioneren van deze omgeving, zijnde het begeleidend personeel, de familie of een overheid, zal bovendien een significant grotere impact hebben in de strijd tegen doping. Een strijd waar alle betrokken partijen belang bij hebben.

De beslissing van het IOC om eindelijk en op grote schaal het probleem bij de wortel aan te pakken is in zijn kern dan ook een goede beslissing. Of een eventueel hoger beroep van Rusland de sanctie alsnog kan opheffen of wijzigen zal de toekomst moeten uitwijzen.

Mathieu Baert schreef deze opinietekst in eigen naam. 

Klik hier voor meer informatie omtrent doping.


De sportmakelaar en voetbalmakelaar

Update: Vanaf 1 juni 2019 zijn er strengere regels in werking getreden voor sportmakelaars, waaronder voetbalmakelaars, ingevolge een decreet nieuw decreet van de Vlaamse overheid. Lees onze blogpost hierover.

Update: Vanaf 1 juli 2020 zijn er nieuwe regels in werking getreden voor voetbalmakelaars ingevolge een aanpassing aan het Bondsreglement.

De sportmakelaar / voetbalmakelaar

Een sportmakelaar, in dit geval de voetbalmakelaar, wordt door de grootste sportfederatie ter wereld, de FIFA, als volgt gedefinieerd: “een natuurlijk of rechtspersoon die ofwel voor een vergoeding ofwel gratis, spelers en/of clubs vertegenwoordigt in het kader van onderhandelingen met het oog op een tewerkstellingscontract of clubs vertegenwoordigt in de onderhandelingen met het oog op het afsluiten van een transferovereenkomst“. Afhankelijk van de instelling of sportfederatie kan de definitie van het begrip evenwel sterk variëren.

Algemeen kan worden gesteld dat een sportmakelaar een tussenpersoon betreft die optreedt tussen de sporter enerzijds en de derde zoals een sportclub, sponsor of een federatie anderzijds. Alhoewel deze taak de belangrijkste en hoofdactiviteit van de makelaar betreft, bieden sommige makelaars ook bijkomende diensten aan.

Een makelaar kan met andere woorden een grote invloed uitoefenen. Dit betekent dat het als sporter of sportclub erg belangrijk is om nauwkeurig na te gaan of een makelaar noodzakelijk is, met welke makelaar U samenwerkt en welke taken U wilt toevertrouwen aan de makelaar. Wat dit laatste betreft kan het aangewezen zijn, gelet op het mogelijk belangenconflict en om een extra controlefunctie te creëren, om een derde aan te duiden voor de financiële en juridische begeleiding. Waar een makelaar van groot belang kan zijn, lopen de belangen tussen de makelaar en de sporter niet altijd 100% gelijk.

Sportmakelaars werken doorgaans met een commissie die wordt berekend als een percentage van de transfersom, de onderhandelde vergoedingen of het loon. De bijkomende diensten die worden verleend door de makelaar worden ofwel verrekend binnen deze commissie ofwel bekostigd door een bijkomende vergoeding.

Dat de impact van sportmakelaars en hun vergoedingen niet te onderschatten valt blijkt niet in het minst uit de omzetten die in deze sector worden gehaald. Forbes berekende dat de 40 grootste ondernemingen in deze sector in 2016 een som van 2,1 miljard dollar aan commissies ontvingen. In België ontvingen de voetbalmakelaars voor het seizoen 2015-2016 volgens de Koninklijke Belgische Voetbalbond exact 22.380.807,12 euro aan commissies.

Vanuit deze optiek is het belangrijk om als sporter of sportclub op de hoogte te zijn van de rechten en verplichtingen die U dienaangaande hebt.

 

De rechten en verplichtingen van de sporter en de sportmakelaar

De bemiddelingsactiviteiten van de makelaar, zijnde het onderhandelen bij transfers en het zoeken van een club dan wel speler, vallen integraal onder de definitie van de private arbeidsbemiddeling zoals opgenomen in artikel 1 van het Decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling. Het desbetreffend decreet betreffende de private arbeidsbemiddeling dient  nageleefd te worden en regelt een aantal belangrijke rechten en verplichtingen.

Het Decreet is van toepassing van zodra er activiteiten van arbeidsbemiddeling worden uitgevoerd in het Vlaamse Gewest, ongeacht waar het arbeidsbemiddelingsbureau – oftewel de sportmakelaar – gevestigd is. Het arbeidsbemiddelingsbureau – de sportmakelaar – moet volgens het Vlaams Decreet niet erkend zijn (dit kan evenwel vereist worden door de sportfederatie in kwestie). Er moet niettemin voldaan worden aan artikel 5 van het decreet die een lijst van voorwaarden voor het arbeidsbemiddelingsbureau opstelt. De sociale en fiscale verplichtingen moeten worden opgevolgd (art.5, 4°), de zaakvoerders mogen niet eerder veroordeeld zijn wegens financiële misdrijven (art. 5, 3°), de werknemer (sporter) dient objectief en respectvol behandeld te worden (art. 5,7°), etc.

In principe mag het arbeidsbemiddelingsbureau geen vergoeding vragen van de werknemer .Voor sporters is hierbij een uitzondering voorzien waardoor makelaars ook van de sportbeoefenaar een vergoeding mag vragen. In het licht hiervan heeft de decreetgever een aantal belangrijke bijkomende verplichtingen voor de makelaar opgenomen.

Zo wordt de berekening van het commissieloon voor de bemiddeling van de betaalde sportbeoefenaar vastgelegd. Het commissieloon wordt berekend op het voorziene totale brutojaarinkomen van de betaalde sportbeoefenaar voor de totale duur van het contract.

De makelaar kan – volgens art.8 van het decreet – slechts een vergoeding eisen – en dit op straffe van een gevangenisstraf en/of geldboete – in de volgende gevallen:

  • Het commissieloon wordt vooraf vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen het bureau en de opdrachtgever. Als de private arbeidsbemiddeling wordt aangeboden samen met andere diensten, wordt het commissieloon voor de verschillende diensten afzonderlijk vastgelegd;
  • De werknemer stemt uitdrukkelijk en voorafgaandelijk in met het commissieloon;
  • Alle partijen beschikken over een origineel exemplaar van deze overeenkomst.

De belangrijkste rechten van de sporter kunnen echter worden teruggevonden in artikel 5,16° en art. 5.20° van het Decreet.

Volgens art.5,16° is er een verbod op exclusiviteit, hetgeen betekent dat de makelaar niet contractueel kan vastleggen dat de sporter ook op hem beroep zal doen bij een volgende bemiddeling.

Art. 5.20° stelt dat de makelaar geen vergoeding kan eisen als de sporter de bemiddeling of de samenwerking vroegtijdig wenst te beëindigen of niet wenst in te gaan op een voorstel van de makelaar.

Dit betekent concreet dat de sporter op elk ogenblik zijn contract met de sportmakelaar kan beëindigen. Hierbij dient evenwel te worden opgemerkt dat de makelaar met de sporter ook een overeenkomst kan hebben gesloten over andere diensten die niet onder het Decreet private arbeidsbemiddeling vallen.

 

De regelgeving van de sportfederaties

Alhoewel de nationale wetgeving (bv. wetten en decreten) prioritair is dienen ook de reglementen van nationale en internationale sportfederaties met betrekking tot makelaars te worden nagegaan .

Zo dienen makelaars die binnen het professioneel wielrennen wensen op te treden een door het UCI georganiseerd examen af te leggen. Na het slagen worden zij erkend door het UCI als UCI Riders’ Agent. De reglementering van de UCI – de Riders’ Agent Regulations – bepaalt op haar beurt in art.2 dat renners bij hun onderhandelingen met World Tour ploegen, professionele continentale ploegen of met wedstrijdorganisatoren enkel mogen worden bijgestaan door een erkende Riders’ Agent. De UCI voorziet evenwel een uitzondering voor advocaten.

De UCI voorziet in haar regelgeving bovendien een modelcontract waarbij er – ons inziens ongelukkig – uitsluitend een vergoeding wordt voorzien die een percentage bedraagt van het loon van de renner. Dit betekent dat de Riders’ Agents, ook indien zij enkel aanwezig waren bij de contractbesprekingen, vaak nog aanspraak kunnen maken op relatief hoge vergoedingen. Alhoewel Riders’ Agents vaak erg nuttig zijn, kan het vanuit deze optiek aan te raden zijn om in bepaalde gevallen enkel beroep te doen op een advocaat waarmee een eenmalige vergoeding kan worden afgesproken.

De FIFA op haar beurt schafte op 1 april 2015 het systeem van makelaarslicenties in het voetbal af. Op heden wordt er gewerkt met een systeem van registraties waarbij ook de transfers nauwkeurig dienen te worden geregistreerd.

Op de websites van de diverse sportfederaties kan meer informatie omtrent de specifieke regelgeving van de sportmakelaar worden teruggevonden.

 

Meer vragen of wenst U advies of bijstand van een advocaat? Aarzel niet om ons te raadplegen per telefoon (09/334.94.70), per e-mail (sport@everest-law.be) of via het contactformulier.

 

 


De sporter en zijn portretrechten

Het gebruik van het recht op afbeelding, ook wel portretrechten genoemd, is voor mening professioneel sporter een belangrijke inkomstenbron geworden.

Elke sporter, zoals elke persoon, heeft het recht op zijn afbeelding. Bij misbruik van dit recht op diens afbeelding kan de sporter zich hiertegen dan ook verzetten. Dit recht voert vlooit uit artikel 10 van de Auteurswet en de regelgeving ter bescherming van het privéleven.

Dit betekent meteen ook dat sporters hun recht op afbeelding ten gelde kunnen maken. Zo kunnen sporters in ruil voor een bepaalde som toestemming aan een derde geven om hun afbeelding te gebruiken. Dit gebeurt veelal in het kader van een sponsorovereenkomst waarbij de sporter wordt gebruikt om een bepaald product of een dienst te promoten.

Ook sportclubs en sportfederaties hebben hiervan de voordelen ingezien.  Zij laten hun sporters in bepaalde gevallen gedeeltelijk afstand doen van de eigen rechten op de afbeelding. Op deze manier kunnen zij hun publicitaire inkomsten verhogen.

Toch zijn de portretrechten van de sporter niet onbeperkt. Indien er slechts voor informatieve doeleinden van gebruik wordt gemaakt , dan kan de sporter zich hiertegen niet verzetten. Dit geldt des te meer voor meer bekende en maatschappelijk relevante sporters. Hierbij kan worden gedacht aan het publiceren van een foto in een krant of een videomontage in een nieuwsbericht. Wordt de afbeelding gebruikt voor commerciële doeleinden dan kan men zich hiertegen uiteraard verzetten en desgevallend zelfs een schadevergoeding eisen.

Zoals het zich laat raden leidt de discussie of de afbeelding voor commerciële dan wel voor informatieve doeleinden gebruikt werd regelmatig tot gerechtelijke procedures.

Zo spande Kim Clijsters een gerechtelijke procedure aan tegen het weekblad ACE. Dit weekblad had twee nummers uitgebracht naar aanleiding van de tennistornooien van Roland Garros en de US Open van 2003 en had hierbij foto’s van Kim Clijsters gebruikt.  Kim Clijsters wendde zich tot de rechtbank van eerste aanleg te Gent en eiste een schadevergoeding van de uitgever. De rechter oordeelde echter dat er moest geacht worden dat Clijsters toestemming had gegeven voor het nemen en het commercialiseren van de foto.

Het Hof van Beroep daarentegen hervormde dit vonnis en oordeelde dat het weekblad geen informatieve maar een commerciële functie had. Dat deze foto’s gebruikt konden worden voor de berichtgeving aangaande deze evenementen had niet tot gevolg dat deze foto’s konden gecommercialiseerd worden. Het Hof stelde Kim Clijsters in het gelijk en veroordeelde de uitgever tot een schadevergoeding van 10% van de omzet. De schadevergoeding werd uiteindelijk begroot op de luttele som van 790 EUR (J. DEENE, “Hof van Beroep geeft Clijsters haar portretrecht terug”, Juristenkrant 11 juni 2008, p. 171.)

Vragen omtrent uw portretrechten? Contacteer ons via het contactformulier of via sport@everest-law.be.


Een transfer zonder transfervergoeding?

In België vallen sporters wat betreft hun statuut ofwel onder de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars ofwel onder het decreet van 24 juli 1996 tot vaststelling van het statuut van de niet-betaalde sportbeoefenaar.

Het criterium op basis waarvan het toepassingsgebied wordt bepaald is het loon die de sporter ontvangt. Deze loongrens voor sporters van binnen de Europese Economische Ruimte wordt jaarlijks bij koninklijk besluit vastgesteld voor de periode van 1 juli tot en met 30 juni. Voor de periode 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018 bedraagt deze loongrens – ongeacht of het gaat over deeltijdse of voltijdse arbeid – 10.200,00 EUR. Onder loon wordt onder meer het vast loon, de wedstrijdpremies, de winstpremies, het tekengeld, de huisvesting en het gebruik van een wagen of gsm gerekend.

Verdient de sporter meer dan 10.200,00 EUR / jaar, dan is de wet van 24 februari 1978 van toepassing. Valt de sporter onder deze loongrens dan betreft het een niet-professionele sportbeoefenaar die onder het voormeld decreet van 24 juli 1996 valt. Er bestaan evenwel uitzonderingen voor sporters die onder de loongrens vallen maar toch gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst. Dit laatste is een gevolg van een uitspraak van het Grondwettelijk Hof.

De niet-professionele sportbeoefenaar heeft krachtens artikel 3.1 van het decreet het recht om zijn overeenkomst tussen hem en zijn sportvereniging jaarlijks te beëindigen. Deze beëindiging dient evenwel te gebeuren middels een aangetekende brief en in principe tussen 1 juni en 30 juni. Deze periode – die altijd één maand moet bedragen – kan voor sportverenigingen evenwel gewijzigd worden na goedkeuring van de Vlaamse regering.

Dergelijke beëindiging betekent dat de sporter vrij naar een andere sportvereniging – zelfs als professioneel sportbeoefenaar – mag overgaan. Er zijn hiertegen geen verzetsmogelijkheden.

Artikel 3§2 van het decreet is in het geval van een regelmatige beëindiging van een overeenkomst tussen een amateursporter en zijn sportvereniging duidelijk. De betaling van enige vergoeding naar aanleiding van een overgang is verboden.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars maar ten vroegste geldig kan worden afgesloten vanaf het einde van de voltijdse leerplicht. Deze minimumleeftijd werd in het voetbal, basketbal, volleybal en wielrennen bovendien opgetrokken tot 16 jaar voor een deeltijdse arbeidsovereenkomst en tot 18 jaar voor een voltijdse arbeidsovereenkomst. Onder deze leeftijd valt men dan ook per definitie onder het decreet van 24 juli 1996.

Concluderend kan worden gesteld dat iedere amateursporter en iedere jonge sporter die het einde van de voltijdse leerplicht nog niet bereikt heeft elk jaar mits een geldige beëindiging vrij en kosteloos van sportclub kan veranderen.

Elke bepaling in een reglement in strijd met het decreet van 24 juli 1996 en die de rechten van de niet-professionele sportbeoefenaar verzwaart is nietig.

In bepaalde gevallen kan er niettemin voor jonge sporters een opleidingsvergoeding verschuldigd zijn. Daarnaast wordt soms gebruik gemaakt van de in de sportwereld discutabele figuur van de sterkmaking. Hierbij verbinden de ouders zich tot het betalen van een bepaald bedrag (schadevergoeding) aan de sportclub indien hun kind bij het einde van de leerplicht of bij het bereiken van de meerderjarigheid geen nieuw contract ondertekent bij diezelfde sportclub.

Vragen hieromtrent? Aarzel niet om ons te contacteren via het contactformulier of via sport@everest-law.be.


Het WADA en de WADA-Code

De ‘dopingproblematiek’ lijkt de laatste tijd wel uit zijn voegen te barsten. Dit heeft voornamelijk te maken met de openbaring van de georganiseerde dopingpraktijken in Rusland. Nochtans beheerst het fenomeen de sportwereld reeds geruime tijd. Alhoewel het gebruik van planten en medicijnen niet verboden was in de Oudheid luidt het dat de Grieken al tijdens de Oude Spelen gebruik zouden hebben gemaakt van planten en paddenstoelen om hun prestaties te verbeteren. Het was tijdens één van de eerste Moderne Spelen, meer bepaald in 1904 in St. Louis, dat er voor het eerst dopinggebruik werd geregistreerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van een combinatie van strychnine met cognac.

De WADA-code, waarvan de eerste versie op 1 januari 2004 in werking trad, wordt beschouwd als het belangrijkste wapen in de strijd tegen deze dopingpraktijken. De WADA-code werd ontwikkeld en wordt gemonitord door het Wereld Anti-Doping Agentschap (“WADA”). Het WADA, dat werd opgericht middels de ‘Verklaring van Lausanne’, tracht een wereldwijde samenwerking te organiseren tussen de verschillende internationale sportfederaties, het IOC en de publieke overheden in de strijd tegen doping.

Door het afsluiten van de “Internationale Conventie tegen Doping in de Sport”  binnen het kader van UNESCO slaagde het WADA er in om de WADA-code – als een vorm van zacht internationaal recht – over alle aangesloten landen heen afdwingbaar te maken

Gelet op de snelle ontwikkelingen binnen het dopinglandschap en de hieraan gekoppelde nood aan een geïntensiveerde samenwerking werd op 15 november 2013 in Johannesburg de derde en meest recente WADA-Code goedgekeurd. De nieuwe Code trad in werking op 1 januari 2015 en er worden sinds een aantal maanden met regelmaat beslissingen op basis van deze nieuwe Code genomen.

Het WADA heeft de wijzigingen in de nieuwe Code 2015 ondergebracht in zeven themata, namelijk (1) langere periodes van uitsluiting, doch met meer flexibiliteit; (2) meer respect voor de mensenrechten en het proportionaliteitsbeginsel; (3) meer aandacht voor onderzoek en inlichtingenverzameling; (4) een grotere focus op het begeleidend team van de atleet; (5) het versterken van de dopingtests en het analyseproces; (6) een duidelijker evenwicht en meer samenwerking tussen de sportfederaties en de antidopingorganisaties en een (7) duidelijkere en kortere Code.

De WADA-code zou volgens Minister van Sport Muyters door de wijziging “strenger, slimmer en klantvriendelijker” moeten worden.  Uit de praktijk blijkt evenwel dat dit enigszins genuanceerd dient te worden.

In een volgend blogbericht zal dieper worden ingegaan op een aantal van de meest opvallende wijzigingen en de effecten ervan op de rechtspraak.

Klik hier voor meer informatie omtrent doping.

 


Page 5 of 5First...345