+32 9 334 94 70

2018

Yearly Archives

Vacature: studentenjob / stage in het sportrecht – Gent

Wegens de aanhoudende groei binnen het departement sportrecht van het advocatenkantoor Everest zijn wij op zoek naar een gemotiveerde, al dan niet afgestudeerde, student Rechten en dit gedurende meerdere maanden voor een vier à acht uur per week.

Gedurende de stage zal je actief zijn binnen het departement sportrecht maar zal je afhankelijk van jouw interesses ook kennismaken met andere rechtsdomeinen.

Je zal kennismaken met en meewerken aan sportdossiers in diverse sporten en domeinen. Wij werken zowel voor sporters als voor bedrijven, clubs, federaties en supporters.

Je takenpakket houdt onder meer het volgende in: het opstellen van voorbereidende nota’s, het meewerken aan procedures, het schrijven van juridische artikels / blogberichten, het opvolgen van sociale media, het organiseren van events, etc.

Wij verwachten een zelfstandige en gemotiveerde student met een interesse en enige voorkennis in het sportrecht. Vergoeding overeen te komen.

Geïnteresseerd in een eerste kennismaking met het sportrecht in de praktijk? Stuur dan een motivatiebrief met uw CV en uw puntenlijsten naar sport@everest-law.be. Vermeld in de motivatiebrief in welke periode en op welke tijdstippen je beschikbaar bent.

Everest heeft kantoren in Gent, Brussel, Antwerpen en Brugge maar het departement sportrecht opereert in hoofdzaak vanuit Gent.

Veel meer dan de individuele advocaat gespecialiseerd in sportrecht heeft het departement sportrecht binnen Everest de troef om te zijn ingebed binnen een in België groot en gereputeerd ondernemingsadvocatenkantoor (https://www.everest-law.eu/nl). Dit zorgt voor een unieke kruisbestuiving tussen het sportdepartement en de overige departementen – zoals de departementen sociaal recht, fiscaal recht,… –  waarmee ook de sporter, de sportclub of de sportfederatie in aanraking komt. Deze wisselwerking biedt de opportuniteit om een volledige juridische begeleiding aan de sporter, sportclub, sportfederatie of zelfs evenementorganisator aan te bieden.

 

 

 

 


Pers: Renner Lotto-Soudal test positief tijdens zesdaagse

Afgelopen week werd een van onze advocaten geciteerd in de pers:

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De zaak Mutu en Pechstein (CAS) voor het EHRM

Een korte voorgeschiedenis

Adrian Mutu

Adrian Mutu betreft een voetballer die in 2003 een transfer had gerealiseerd van AC Parma naar Chelsea. In 2004 werd de heer Mutu een positieve dopingtest inzake cocaïne ten laste gelegd. De interne geschillenbeslechting binnen de FA en vervolgens de FIFA oordeelden dat de heer Mutu contractbreuk had gepleegd en dat Chelsea gerechtigd was op schadevergoeding. Na jaren van procederen wees de Dispute Resolution Chamber van de FIFA een schadevergoeding van meer dan 17 miljoen euro toe aan Chelsea.

De heer Mutu wendde zich naar het CAS (Court of Arbitration for Sport). Het CAS wees het hoger beroep echter af. De heer Mutu was van oordeel dat het CAS niet onafhankelijk en onpartijdig was. Er volgde uiteindelijk een procedure voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Claudia Pechstein

Claudia Pechstein was en is nog steeds een schaatser. Op 3 juli 2009 werd door de Internationale Schaatsunie (ISU) bekend gemaakt dat mevrouw Pechstein een dopingovertreding (bloeddoping) had begaan. Er volgde een schorsing van twee jaar. Mevrouw Pechstein vocht deze bevindingen aan en wendde zich tot het CAS. Het CAS, en nadien het Zwitsers Federaal Hof, wees het hoger beroep af als ongegrond.

Mevrouw Pechstein startte vervolgens een burgerrechtelijke procedure in Duitsland. Het Hof van Beroep van Munchen (Oberlandesgericht Munchen) volgde de argumenten van mevrouw Pechstein en oordeelde onder meer dat de overeenkomst tussen mevrouw Pechstein en de ISU ongeldig was. Het hof van Beroep meende namelijk dat mevrouw Pechstein geen vrije keuze had in het al dan niet ondertekenen van de overeenkomst indien zij wou sporten op het allerhoogste niveau. De rechtbank verklaarde de beslissingen van het CAS en het Zwitsers Federaal Gerechtshof als niet toepasselijk in Duitsland en kende mevrouw Pechstein een aanzienlijke schadevergoeding toe. Het Duits Federaal Grondwettelijk Hof hervormde echter de voormelde beslissing en oordeelde op 7 juni 2016  dat Pechstein uit vrije wil de overeenkomst met de ISU had ondertekend, onder meer inhoudende dat disputen door het CAS zouden worden behandeld. Het Hof oordeelde dat er geen misbruik van de dominante positie van de ISU werd vastgesteld.

Mevrouw Pechstein wendde zich hierop volgend eveneens naar het Europees Hof van de Rechten van de Mens.

De procedure voor het EHRM

Op 2 oktober 2018 volgde een beslissing in de beide dossiers van de heer Mutu en mevrouw Pechstein tegen Zwitserland (N. 40575/10 en N.  67474/10) voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

De kern van de zaak betrof de al dan niet geldigheid van de procedures van beide atleten voor het CAS. Beide atleten argumenteerden in hoofdorde dat het CAS niet kon aanzien worden als een onafhankelijk en onpartijdig tribunaal.

Het EHRM kwam in eerste instantie tot het belangrijk besluit dat het CAS moet voldoen aan alle vereisten die noodzakelijk zijn om de atleten een eerlijk proces conform het EVRM te garanderen. Het EHRM bevestigde tevens dat mevrouw Pechstein niet vrijwillig haar toestemming had gegeven om zich te onderwerpen aan het CAS nu dit haar enige optie was om te sporten op professioneel niveau.

Het EHRM oordeelde vervolgens dat de bezwaren van mevrouw Pechstein met betrekking tot het structureel gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid en dat de bezwaren van de heer Mutu met betrekking tot de onafhankelijkheid van bepaalde arbiters evenwel moesten worden verworpen. Het EHRM oordeelde met andere woorden dat er geen schending was van het artikel 6§1 EVRM, het recht op een eerlijk proces,  inzake de onafhankelijkheid van het CAS.

Het recht op toegang tot een rechtbank verhindert de werking van arbitragetribunalen niet en het CAS kan volgens het EHRM de vergelijking doorstaan met een door de wet opgericht tribunaal.

Het EHRM oordeelde tot slot wel dat er een schending was van het artikel 6§1 in de zaak van mevrouw Pechstein ingevolge het feit dat haar hoorzitting niet publiekelijk was. Deze schending was evenwel niet doorslaggevend.

Enkele kanttekeningen voor het CAS

Alhoewel één en ander op het eerste zicht een positieve beslissing lijkt voor het CAS dienen er niettemin ernstige kanttekeningen bij de beslissing te worden geplaatst.

Vooreerst is het oordeel van het EHRM dat atleten zich vaak niet vrijwillig verbinden om zich te onderwerpen aan het CAS opvallend. Dit zal in de toekomst ongetwijfeld worden aangegrepen door diverse partijen.

Daarnaast waren twee van de zeven rechters, Helen Keller en Georgios Serghides, van oordeel dat het CAS niet voldeed aan de vereisten van onafhankelijk en onpartijdigheid zoals vereist onder het artikel 6§1 van het EVRM. Beiden schreven een uitgebreide afwijkende opinie.

Zo menen beiden dat het problematisch is dat het CAS voor een aanzienlijk aantal professionele atleten de enige beroepsinstantie is die kan oordelen over hun zaken. Ook de invloed en de samenstelling van het ICAS (International Council of Arbitration for Sport) dat de arbiters selecteert kan als problematisch worden beschouwd.

De beslissing bepaalt tot slot dat beide atleten kunnen verzoeken om de zaak te laten behandelen door de Grote Kamer van het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Rekening houdende met de afwijkende opinies bestaat er een kans dat de beslissing hervormd zal worden door de Grote Kamer. De kans dat er wordt verzocht om de zaak door te verwijzen is dan ook reëel.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

De volledige beslissing vind je hier (franstalig).

Het persbericht vind je hier (engelstalig).

 


Bridgen en schaken, geen sporten in het kader van de BTW

Circulaire 2018/C/84 over de BTW-vrijstelling inzake sport

De FOD Financiën vaardigde recent een circulaire uit die inhoudt dat activiteiten met een niet te verwaarlozen lichamelijk component sport zijn en dus vallen onder de vrijstelling van het Wetboek BTW over de Btw-vrijstelling inzake sport [1]. De belastingautoriteit hanteert met andere woorden een nieuwe definitie van sport. Vanaf 1 januari 2019 zal men bridgen en schaken dus niet als een sport beschouwen in het kader van BTW. Dit kwam er naar aanleiding van een recent arrest van het Hof van Justitie.

The English Bridge Union en het HvJ

In het arrest van 26 oktober 2017 gaf het Hof van Justitie een definitie met betrekking tot het begrip sport in de zin van artikel 132, lid 1, m) van de btw-richtlijn [2]. Dit arrest kwam er naar aanleiding van een discussie tussen the English Bridge Union en de belastingdienst van het Verenigd Koninkrijk. De discussie betrof de vraag of bridge al dan niet een sport was in het kader van btw.

In de conclusie van advocaat-generaal SZPUNAR[3] werd vergeleken wat door de belastingautoriteiten in verschillende lidstaten als sport behandeld wordt. De conclusie was dat er geen uniformiteit te bespeuren was. Waar wedstrijdbridge in België, Denemarken, Frankrijk, Nederland en Oostenrijk een sport is, wordt dat niet zo gezien in Ierland en Zweden. Ook schaken wordt in sommige lidstaten zoals België en Italië als sport gezien, maar in Duitsland dan weer niet.

Volgens het Hof kan men slechts van een sport spreken als er een niet te verwaarlozen lichamelijk component aanwezig is, hierbij verwijzend naar de achterliggende bedoeling van het begrip “sport” in de omgangstaal. ‘Bridge is een activiteit die de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de beoefenaar ten goede komt, maar dat volstaat niet om te spreken van ‘sport’ in deze context’, zo dus het Hof van Justitie. Sport moet strikt worden uitgelegd en uit de systematische en teleologische uitlegging van de btw-richtlijn komt het Hof tot de conclusie dat het begrip slaat op ‘activiteiten die worden gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component’. Om deze reden valt bridge dus niet te begrijpen onder sport.

Een nieuwe definitie van sport

Naar aanleiding van dit arrest heeft men recentelijk op Belgisch niveau de voormelde circulaire uitgevaardigd met de voormelde nieuwe definitie van sport. Deze circulaire houdt in dat vanaf 1 januari 2019 de sporten waar een niet te verwaarlozen lichamelijk component aanwezig is, onder de vrijstelling van het BTW-Wetboek vallen. Waar de advocaat-generaal in zijn conclusie aanhaalde dat in België wedstrijdbridge door de belastingautoriteit als sport wordt aanzien, zal dat in de toekomst dus niet meer zo zijn. Dit heeft onder andere gevolgen voor de toepassing van de vrijstellingsregeling voorzien in artikel 44 van het wetboek btw.

 

[1] Circulaire 2018/C/84 over de Btw-vrijstelling inzake sport.

[2] HvJ 26 oktober 2017, nr. C-90/16, ECLI:EU:C:2017:814, The English Bridge Union Limited/Commissioners for Her Majesty’s Revenu & Customs.

[3] Concl. M. SZPUNAR bij HvJ 15 juni 2017, C-90/16.

 

Dit artikel werd geschreven door onze zomerstagiair Elodie Blancke.

 


Everest Sport geeft toelichting bij mogelijke overname Sniper Cycling Team

Mathieu Baert van het sportdepartement van Everest werd gecontacteerd door het Nieuwsblad en de Gentenaar om toelichting te geven bij de mogelijke overname door Aqua Blue Sport van Sniper Cycling Team.

Sniper Cycling team is het team van Wout Van Aert en wordt gesponsord door Veranda’s Willems en Crelan.

Er wordt onder meer dieper ingegaan op het proces en de gevolgen van een eventuele overname.

Het artikel verscheen op 2 augustus 2018 in het Nieuwsblad en de Gentenaar en geniet veel aandacht in de wielerwereld.

Lees hieronder het artikel:

Wout Van Aert

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De minimumleeftijd voor profvoetballers wordt verlaagd

De verlaging van de minimum leeftijd voor profvoetballers van 16 jaar tot 15 jaar

De minimumleeftijd voor professionele voetballers wordt op 16 juni 2018 verlaagd. Waar voorheen de minimumleeftijd om arbeidsovereenkomsten af te sluiten 16 jaar bedroeg, wordt dit nu verlaagd tot het einde van de voltijdse leerplicht. Dit is 15 jaar indien de eerste twee leerjaren van het secundair onderwijs werden doorlopen.

Op 6 juni 2018 verscheen in het Belgisch Staatsblad het Koninklijk besluit van 25 mei 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan. Het Koninklijk besluit treedt in werking op 16 juni 2018.

Wat werd nu precies gewijzigd?

Welnu, artikel 6 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars voorziet reeds jaar en dag in de regeling dat arbeidsovereenkomsten ten vroegste kunnen worden afgesloten vanaf het einde van de voltijdse leerplicht. Er wordt bij de bepaling evenwel vermeld dat er voor bepaalde sporttakken hogere leeftijdsgrenzen kunnen worden vastgesteld:

“De arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars kan slechts , en ten vroegste , geldig aangegaan worden vanaf het einde van de voltijdse leerplicht.
Na advies van het Nationaal Paritair Comité voor de Sport kan de Koning voor de uitoefening van bepaalde sporttakken een hogere leeftijd vaststellen dan onmiddellijk na het beëindigen van de voltijdse leerplicht.”

Deze hogere leeftijdsgrens kwam er ook voor een aantal sporttakken door het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan.

Deze sporttakken waren met name het basketbal, het voetbal, het volleybal en het wielrennen. Voor deze sporttakken werd de minimumleeftijd verhoogd tot 16 jaar voor deeltijdse arbeidsovereenkomsten waarbij de sporter maximaal 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever, en tot 18 jaar voor voltijdse arbeidsovereenkomsten en deeltijdse arbeidsovereenkomsten waarbij de sporter meer dan 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever.

Het bewuste artikel 1 bepaalt meer bepaald het volgende:

“De in artikel 6 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars bedoelde leeftijd vanaf welke de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars slechts, en ten vroegste, geldig kan worden aangegaan, wordt, voor de uitoefening van de sporttakken van het basketbal, het voetbal, het volleybal en het wielrennen, als volgt vastgesteld :
– voor een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars gesloten voor deeltijdse arbeid welke voorziet in een arbeidsregeling waarbij de betaalde sportbeoefenaar maximaal 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever : 16 jaar, onverminderd de bepalingen die de leerplicht regelen en de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 die van toepassing zijn op jeugdige werknemers;
– voor een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars gesloten voor deeltijdse arbeid welke voorziet in een arbeidsregeling waarbij de betaalde sportbeoefenaar meer dan 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever evenals voor een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars gesloten voor voltijdse arbeid : 18 jaar.”

Door het art. 1 van het “Koninklijk Besluit van 25 mei 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan” werd het woord “voetbal” opgeheven:

“In artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan, worden de woorden ′′het voetbal,′′ opgeheven.”

Hierdoor wordt voetbal niet langer als een uitgezonderde sporttak gezien en valt het voetbal terug onder de oorspronkelijke regeling van art. 6 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.

Vanaf 16 juni 2018 kunnen voetballers dan ook een arbeidsovereenkomst sluiten vanaf het einde van de voltijdse leerplicht. De voltijdse leerplicht loopt tot 15 jaar, weliswaar onder de voorwaarde dat tenminste de eerste twee leerjaren van het secundair onderwijs werden doorlopen. De voltijdse leerplicht eindigt sowieso op 16 jaar.

Dit betekent de facto dat voetballers – in tegenstelling tot wielrenners, volleyballers en basketballers – vanaf 16 juni 2018 één jaar vroeger en op hun 15e een arbeidsovereenkomst kunnen ondertekenen.

Voor meer informatie en advies, aarzel niet om met ons contact op te nemen via ons  contactformulier, per e-mail (sport@everest-law.be) of telefonisch (09/334.94.70).


GDPR voor sportclubs en sportfederaties

De Algemene Verordening Gegevensbescherming (de “AGV”, ook bekend onder de Engelse afkorting “GDPR”) treedt op 25 mei 2018 in werking in de ganse Europese Unie.

De GDPR heeft een aantal consequenties voor elke organisatie die persoonsgegevens verwerkt. De begrippen “persoonsgegevens” en “verwerking” zijn zeer ruim gedefinieerd, zodat in feite bijna elke entiteit vroeg of laat met deze nieuwe regels geconfronteerd zal worden.

Ook sportclubs, sportfederaties en zelfs wedstrijdorganisatoren vallen onder het toepassingsgebied van de GDPR. Aangezien sportclubs en sportfederaties op velerlei wijze persoonsgegevens verwerken verwerken, denk maar aan leden- of deelnemerslijsten, of via databanken voor abonnementen- en ticketverkoop, is een bijzondere aandacht hiervoor aangewezen. Deze aandacht is des te meer gerechtvaardigd nu sportclubs en sportfederaties vaak werk met – 13 jarigen, hetgeen bijkomende verplichtingen met zich mee brengt.

De GDPR bouwt voort op de bestaande privacywetgeving, maar wijzigt deze ook substantieel. Een greep uit de belangrijkste verplichtingen onder de GDPR:

  • Elke sportclub of -federatie die persoonlijke gegevens laat verwerken door andere ondernemingen (bijvoorbeeld bepaalde IT-diensten, personeelsadministratie, bepaalde onderaannemers) is verplicht een schriftelijke overeenkomst af te sluiten (een zogenaamde verwerkingsovereenkomst) die conform is aan de GDPR en waarin de verplichtingen van deze dienstverlener, of onderaannemer met betrekking tot gegevensbescherming worden vastgelegd.
  • De vereisten voor een geldige toestemming van een individu voor het verwerken van zijn persoonsgegevens worden strenger;
  • Elke sportclub of -federatie die persoonlijke data verwerkt moet een intern register van haar verwerkingsactiviteiten bijhouden, moet een passend privacybeleid hebben en moet maatregelen implementeren die voldoen aan de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp (privacy by design) en gegevensbescherming door standaardinstellingen (privacy by default).
  • Mogelijks dienen bepaalde sportclub of -federaties voorafgaandelijk aan welbepaalde nieuwe verwerkingen van persoonsgegevens een ‘Gegevensbeschermingseffectbeoordeling’ uit te voeren (Data Protection Impact Assessment – PIA);
  • Bepaalde organisatie zullen misschien ook verplicht een functionaris voor gegevensbescherming (Data Protection Officer) moeten aanstellen;
  • In bepaalde omstandigheden moeten lekken van persoonsgegevens binnen de 72 uur aan de bevoegde autoriteit (in België de Gegevensbeschermingsautoriteit) moeten gemeld worden.
  • Inbreuken kunnen worden bestraft met geldboetes (tot 20 miljoen euro ofwel 4% van de wereldwijde omzet);

De GDPR treedt zoals gezegd in werking op 25 mei 2018. Tot dan hebben organisaties de tijd om zich in regel te stellen met de GDPR.

De implementatie van al deze verplichtingen vereist evenwel de nodige tijd en aanpassingen binnen de sportclub, sportfederatie of wedstrijdorganisatie.

Wij raden alle sportclubs, federaties en organisatoren dan ook aan om dit thema zo snel mogelijk aan te pakken. Een eerste stap bestaat erin te (laten) analyseren welke persoonsgegevens er binnen uw club, federatie of organisatie worden verwerkt en welke verplichtingen dit voor uw club of federatie met zich zal meebrengen onder de nieuwe wetgeving.

Everest Sport kan uw bedrijf begeleiden bij de opmaak van een eerste analyse en een verdere implementatie van de verplichtingen.

Voor meer informatie en advies over de GDPR, aarzel niet om met ons contact op te nemen via ons  contactformulier, per e-mail (sport@everest-law.be) of telefonisch (09/334.94.70).


Corruptie in sport: matchfixing

Voorafgaandelijk

Op donderdag 1 maart 2018 was Everest Sport vertegenwoordigd op een symposium van de Onderzoeksgroep Sportmanagement van de Universiteit Gent, getiteld “A 360° Perspective on Matchfixing”.

Een uiterst interessante lezing waarbij er eveneens een onderzoek over Matchfixing in Vlaanderen van Dr. Els De Waegeneer werd toegelicht. Een uitgelezen gelegenheid om hierop kort dieper in te gaan.

Tijdens het symposium en in het voormeld onderzoek werd enkel dieper ingegaan op matchfixing. Matchfixing of wedstrijdvervalsing betreft slechts één vorm van de corruptie die voorkomt binnen de sport. Een veel voorkomende tweedeling die wordt gemaakt is het onderscheid tussen wedstrijdvervalsing (matchfixing) en managementcorruptie.

Managementcorruptie

Bij managementcorruptie wordt er binnen het niveau van de sportfederatie of -organisatie corrupt gedrag vertoond, zonder dat er rechtstreeks een vervalsing van het spel of de sportresultaten beoogd wordt. Voorbeelden zijn legio en werden recentelijk in de media uitvoerig besproken. Zo is de toewijzing van de Wereldkampioenschappen voetbal in Rusland (2018) en Qatar (2022) omgeven met een mist van verdachtmakingen. Er zijn sterke vermoedens dat diverse leden van het uitvoerend comité van de FIFA steekpenningen zouden hebben ontvangen in ruil voor een stem over de toewijzing van het Wereldkampioenschap. (HARDYNS, W. en DORMAELS, A., “wantoestanden in de voetballerij: veel meer dan alleen supportersgeweld”, Orde van de Dag, 2015, 79).

Wedstrijdvervalsing / Matchfixing

Volgens Prof. Spapens (en de Raad van Europa) is wedstrijdvervalsing of matchfixing “een intentionele regeling, handeling of verzuim om een valselijke wijziging te bekomen van het resultaat of de uitkomst van een sportcompetitie om zo gedeeltelijk of volledig het onvoorspelbaar karakter  van de voornoemde sportcompetitie weg te halen met als doel om een ongerechtvaardigd voordeel voor hemzelf of voor derden te bekomen”. (vrij vertaald)

Concreet kan de omkoping onder meer gebeuren door scheidsrechters of spelers om te kopen en dit door het betalen van geld, door het betalen in natura of door het plaatsen van morele dwang (presentatie door Prof. Spapens dd. 1 maart 2018).
.
Er zijn weliswaar veel mogelijkheden. Zo is een andere vorm van wedstrijdvervalsing – welbekend in het wielrennen –  de afspraak dat binnen een beperkte kopgroep de winnaar de verliezers betaalt. Alhoewel in veel gevallen de beste renner wint, worden de renners die zich voorin in de wedstrijd bevinden gemotiveerd om niet te pokeren en voorop te blijven. De wedstrijd wordt in die zin “vervalst” aangezien zonder de desbetreffende afspraak, de kopgroep zou kunnen worden ingerekend door het peloton.
 .
Wedstrijdvervalsing kan vervolgens worden opgedeeld in sportgerelateerde wedstrijdvervalsing en gokgerelateerde wedstrijdvervalsing. In het eerste geval gebeurt de omkoping met een sportieve doelstelling, waarbij men bij wijze van voorbeeld tracht een promotie te bekomen of een degradatie te vermijden. In het tweede geval gebeurt de omkoping doordat er geld werd ingezet op een welbepaalde overwinning, score of gebeurtenis.
.
In het desbetreffend onderzoek werd 5,9% van de ondervraagden benaderd om een wedstrijd te vervalsen. In 72,2% van de gevallen was het vermijden van een degradatie de reden tot de mogelijke wedstrijdvervalsing. Dit toont aan dat er sprake is van een reëel probleem (presentatie door Dr. De Waegeneer dd. 1 maart 2018).
.

Strafrechtelijk instrumentarium

Inleiding

Alhoewel er velen van mening zijn dat er geen voldoende juridisch kader is om corruptie in sport aan te pakken, zijn er mijn inziens niettemin een aantal handvatten binnen het Strafwetboek om de problematiek te benaderen. De toepassing en de efficiëntie hangt vanzelfsprekend af van de prioriteit die de politiek en het Openbaar Ministerie hieraan wenst te geven. Bovendien zijn een aantal, veeleer beperkte, wijzigingen aangewezen.

Private omkoping

In eerste instantie kan er bij wedstrijdvervalsing, matchfixing of managementcorruptie worden teruggegrepen naar het misdrijf passieve en actieve private omkoping dat wordt strafbaar gesteld in het artikel 504bis Strafwetboek:

§ 1. Passieve private omkoping bestaat in het feit dat een persoon die bestuurder of zaakvoerder van een rechtspersoon, lasthebber of aangestelde van een rechtspersoon of van een natuurlijke persoon is, rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde, een aanbod, een belofte of [een voordeel van welke aard dan ook vraagt, aanneemt of ontvangt], om zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur of de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, een handeling van zijn functie of een door zijn functie vergemakkelijkte handeling te verrichten of na te laten.
  § 2. Actieve private omkoping bestaat in het rechtstreeks of door tussenpersonen voorstellen aan een persoon die bestuurder of zaakvoerder van een rechtspersoon, lasthebber of aangestelde van een rechtspersoon of van een natuurlijke persoon is, van een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook voor zichzelf of voor een derde om zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur of de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, een handeling van zijn functie of een door zijn functie vergemakkelijkte handeling te verrichten of na te laten.

Er kunnen conform artikel 504ter straffen worden opgelegd van 6 maanden tot drie jaar gevangenisstraf en een geldboete van 100,00 EUR tot 100.000,00 EUR (vermenigvuldigd met de opdeciemen).

De beschrijving van het misdrijf is vrij voor zich sprekend. Er dienen evenwel een aantal belangrijke kanttekeningen te worden gemaakt.

Vooreerst betreft de omgekochte een “bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of aangestelde” van een rechtspersoon of een natuurlijke persoon. Voor professionele sporters of trainers etc. die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst lijkt er geen twijfel over te bestaan dat zij onder deze definitie, als aangestelde, kunnen worden begrepen. Ook sporters, trainers of anderen die verbonden zijn met de club en het statuut van zelfstandige hebben, worden beschouwd als “aangestelde” (Gedr. St., Senaat, 1997-98, nr. 1-107/4, 18).

Enkel voor de amateursporter of vrijwilliger – die geen aangestelde is – zou er kunnen worden geargumenteerd dat men niet onder de desbetreffende definitie valt. Dit kan mijn inziens terecht aanleiding geven tot interpretatieve juridische discussies.

In de voorbereidende werken werd niettemin geoordeeld dat ook amateursporters onder de toepassing van art.  504bis Strafwetboek vallen (Gedr. St, Senaat, 1997-98, nr. 1-107/5, 8 en 18 en Gedr. St. , Kamer, 1997-98, nr. 1664/3, 12.). En ook in de rechtsleer heeft men de definitie verruimd en stelt men dat “de private omkoping iedere persoon kan beogen die ten aanzien van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een bepaalde functie heeft (DEWANDELEER, D., Omkoping,  Postal Memorialis. Lexicon strafrecht, strafvordering en bijzondere wetten , O91/01 – O91/21 (22p.)).

Daarnaast betreft één van de essentiële bestanddelen dat de omkoping gebeurt zonder medeweten en zonder machtiging van de raad van bestuur of van de algemene vergadering. Indien de omkoping met andere woorden gepleegd wordt met medeweten of goedkeuring van de Raad van Bestuur of van de Algemene Vergadering, kan er theoretisch geen sprake zijn van het desbetreffend misdrijf. Om dit te voorkomen kan de Algemene Vergadering erg duidelijk in haar statuten (en tevens in haar gedragscode, huishoudelijk reglement, etc.) opnemen dat omkoping (wedstrijdvervalsing / managementcorruptie) binnen haar club (vennootschap / vereniging) ten allen tijde wordt afgekeurd en nooit zal/kan worden gemachtigd door de raad van bestuur of de algemene vergadering. Een goede en precieze omschrijving van de verboden gestelde handelingen is aangewezen.

Oplichting

Ook het misdrijf oplichting zal in gevallen van omkoping in de sport vaak worden toegepast. Dit misdrijf vindt men terug in het artikel 496 Strafwetboek:

“Hij die, met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, zich gelden, roerende goederen, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen doet afgeven of leveren, hetzij door het gebruik maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of van een denkbeeldig krediet, om een goede afloop, een ongeval of enige andere hersenschimmige gebeurtenis te doen verwachten of te doen vrezen of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot drieduizend [euro].”

Dit artikel zal in hoofdzaak kunnen worden toegepast op de omkoper en slechts in mindere mate op de (passieve) sporter.

Afpersing

Tot slot zal  ook Artikel 470 Strafwetboek met betrekking tot afpersing in bepaalde gevallen van corruptie in sport toepassing vinden:

“Met de straffen, bij het artikel 468 bepaald, wordt gestraft alsof hij een diefstal met geweld of bedreiging had gepleegd, bij die met behulp van geweld of bedreiging afperst, hetzij gelden, waarden, roerende voorwerpen, schuldbrieven, biljetten, promessen, kwijtingen, hetzij de ondertekening of de afgifte van enig stuk dat een verbintenis, beschikking of schuldbevrijding inhoudt of teweegbrengt.”

De rechtspraak begrijpt hieronder expliciet morele dwang:

Die bedreiging betreft elk middel van morele dwang dat een onmiddellijk kwaad doet vrezen. Het kwaad waartegen men zich,in de denkwereld van het slachtoffer,niet kan verdedigen,beantwoordt daaraan‘ (Cass. 26 april 1989,R.D.P. 1989,772,noot)

Ook hier dient de opmerking te worden gemaakt dat dit artikel uit het Strafwetboek voornamelijk toepassing zal vinden op de omkoper en minder op de (passieve) omgekochte sporter.

Bijkomende misdrijven

Eenmaal er is komen vast te staan dat personen zich hebben schuldig gemaakt aan wedstrijdvervalsing (matchfixing) of managementcorruptie en dat deze feiten kwalificeren als een van de hierboven omschreven misdrijven (of andere misdrijven), dan zullen deze personen in principe ook schuldig kunnen worden bevonden voor zogenaamde bijkomende misdrijven.

Hierbij kan in hoofdzaak worden verwezen naar het misdrijf witwassen conform artikel 505 Sw. Het misdrijf witwassen stelt namelijk onder meer “het helen van weggenomen, verduisterde of door misdaad of wanbedrijf verkregen zaken” strafbaar. Van zodra de omkoper of de omgekochte speler handelingen uitvoert met de uit de omkoping verkregen winsten kan er sprake zijn van witwassen.

Besluit

Tot op heden is er geen strafbaarstelling die specifiek betrekking heeft op wedstrijdvervalsing (matchfixing) of op corruptie in sport als dusdanig.

Er zijn evenwel mogelijkheden om de personen die zich schuldig maken aan de voormelde feiten te vervolgen en desgevallend te bestraffen.

In hoofdzaak kan worden verwezen naar het misdrijf private omkoping dat wordt strafbaar gesteld door het artikel 504bis van het Strafwetboek.

Uit de beschikbare gerechtelijke statistieken blijkt echter dat dit misdrijf in de praktijk (en bovendien niet enkel met betrekking tot sport) slechts erg zelden wordt toegepast en nog minder leidt tot veroordelingen. In 2013 en 2014 werden er slechts 5 personen en in 2015 werden er 14 personen veroordeeld wegens private omkoping. De uitschieter in 2015 was bovendien een gevolg van de omvangrijke corruptiezaak met betrekking tot de Regie der Gebouwen.

Ondanks beloftes vanuit het Openbaar Ministerie zijn deze misdrijven thans nog geen prioriteit.

Meer vragen of bijstand gewenst? Contacteer ons via het telefoonnummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be

Matchfixing


De licentie voor het profvoetbal 1A en 1B

In de media waren er de afgelopen weken een aantal ophefmakende nieuwsberichten over de aanvragen tot het bekomen van een licentie in het voetbal door de clubs in eerste klasse A en eerste klasse B. Er werden zich onder meer vragen gesteld bij de verkoopsconstructie van KV Oostende – waarbij het effectieve overnamebedrag uitgesteld zou worden betaald – en of dit door de licentiecommissie zou worden toegelaten.

Enige duiding over de precieze procedure tot het bekomen van dergelijke licentie ontbreekt evenwel of kenmerkt zich door onvolledigheid.

Deze duiding levert evenwel interessante inzichten op.

1) De procedure en de aanvraag voor het bekomen van een licentie

De procedure voor het bekomen van een licentie wordt bepaald in de artikelen P401 tot P429 van het Bondsreglement van de KBVB.

Om in Eerste Klasse A of in Eerste Klasse B aan te treden moet een club beschikken over “een licentie van club in afdeling 1A van het profvoetbal”, respectievelijk “een licentie van club in afdeling 1B van het profvoetbal”. Vanaf het seizoen 2018-2019 zullen clubs die dalen naar Eerste Klasse B of die het komend jaar in Eerste Klasse B blijven ook dienen te beschikken over “een licentie van club in afdeling 1A van het profvoetbal”.

De licenties moeten conform art. P417 Bondsreglement worden aangevraagd per aangetekend schrijven en dit tussen 1 en 15 februari voorafgaand aan het nieuwe seizoen. De licentiecommissie stelt voor deze aanvragen een standaardformulier op, waarop alle voorwaarden en vereiste bewijsstukken en attesten worden aangegeven.

Indien een club wenst aan te treden in een Europese competitie dient deze club bovendien te beschikken over een Europese licentie.

2) De voorwaarden waaraan de clubs dienen te voldoen

Wat betreft de voorwaarden die door de clubs dienen te worden voldaan staat artikel P406 van het Bondsreglement centraal.

Artikel P406 Bondsreglement bepaalt als toekenningsvoorwaarden dat de clubs (1) de verantwoordelijke rechtsperso(o)n(en) dienen op te geven ; (2) dienen aan te tonen dat de continuïteit verzekerd is; (3) dienen te voldoen aan het artikel P407 Bondsreglement; en (4) dienen te voldoen aan het artikel P408 Bondsreglement voor de clubs in 1A en aan het artikel P410 Bondsreglement voor de clubs in 1B.

In de praktijk wordt in eerste instantie nagegaan of de clubs voldoen aan de artikelen P408, dan wel P410 Bondsreglement en aan art. P407 Bondsreglement.

Enkel in het geval hieraan voldaan is – het betreft een noodzakelijke voorwaarde – wordt onderzocht  – onder meer op basis van boekhoudkundige gegevens,  verklaringen van schuldeisers en verklaringen van financierders – of de continuïteit verzekerd is.

Belangrijk hierbij is dat een licentie nooit kan worden toegekend onder voorwaarden.

De artikelen P408/P410 Bondsreglement – afhankelijk of de club aantreedt in 1A of 1B – betreffen meer technisch vereisten zoals het behalen van de diverse criteria waaraan het stadion, het speelveld, de verlichting, etc. dienen te voldoen. In de praktijk leiden deze artikelen tot weinig discussie.

Het artikel P407 Bondsreglement – dat voor alle clubs een uitgebreide reeks van algemene voorwaarden uiteenzet – is voor de meeste clubs die geen licentie behalen het grootste struikelblok.

Voorwaarden die met regelmaat tot discussie leiden betreffen onder meer:

  • Art. 407.1.4°:  het voorleggen van een controleverslag door een benoemde commissaris over het laatst afgesloten boekjaar welke voldoet aan alle wettelijke bepalingen ter zake;
  • Art. 407.1.5°: een geraamde staat van ontvangsten en uitgaven tot het einde van het seizoen waarvoor de licentie wordt aangevraagd (leningen en waarborgen waarvan de schuldeiser de terugbetaling kan eisen voor het einde van het seizoen mogen hierbij niet in rekening worden genomen);
  • Art. 407.1.6°: het bewijs leveren niet in gebreke te blijven bij de betaling van onder meer de lonen aan spelers, trainers en alle personeel en de aan R.S.Z. verschuldigde sommen (de Licentiecommissie eist onbetwistbare bewijsstukken zoals bij wijze van voorbeeld een afbetalingsplan uitgaande van de RSZ of de betalingsbewijzen van de lonen).

Wat betreft de voorwaarde opgenomen in art. 407.1.6° dat betrekking heeft op de schulden van de club staat het Bondsreglement toe dat een licentie mag worden toegekend indien de desbetreffende schulden worden betwist en waarvan de betwisting niet kennelijk onredelijk schijnt te zijn. In voorkomend geval kan het toekennen van de licentie afhankelijk worden gemaakt van het blokkeren door de club van de betwiste sommen.

Tevens bepaalt artikel P407 Bondsreglement dat een licentie niet zal worden toegekend aan een club waarvan een of meerdere verbonden juridische entiteiten eveneens verbonden zijn met een andere club in het profvoetbal.  Het artikel definieert vervolgens wat onder een verbonden juridische entiteit wordt begrepen.

Een verbonden juridische entiteit is onder meer de partij die direct of indirect over 10% of meer van de stemrechten beschikt in de schoot van de algemene vergadering van de licentie kandidaat of die op één of andere wijze een beduidende invloed uitoefent op de licentie kandidaat; en/of de partij die de bevoegdheid heeft, in feite of in rechte, om het directie comité of de vertegenwoordigers van de club bij de Pro League te benoemen.

Gelet op de bewoordingen “die op één of andere wijze een beduidende invloed uitoefent op de licentiekandidaat” en in feite of in rechte”  kan zich de vraag gesteld worden of de door de media geschetste constructie van KV Oostende hieronder niet begrepen kan worden. In dit geval zou er zich wel degelijk een probleem voor zowel KV Oostende als voor RSCA Anderlecht kunnen stellen.

3) Tussenkomende schuldeisers

Tevens belangrijk is het artikel P418 Bondsreglement dat stelt dat schuldeisers van clubs die een aanvraag indienen die menen dat met hen rekening moet worden gehouden bij de toekenning van de licentie zich kenbaar kunnen maken bij de KBVB. In voorkomend geval kan de Licentiecommissie rekening houden met de schuld van deze schuldeiser bij het al dan niet toekennen van de licentie.

Onder meer de heer Eddy WAUTERS, voormalig voorzitter van RAFC Antwerp, heeft meermaals gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

4) De beslissing

Na het verslag van de Licentiemanager te hebben gehoord, spreekt de Licentiecommissie zich uit over de aanvraag van de club.

Ofwel kent de Licentiecommissie – indien aan alle voorwaarden is voldaan – de licentie onmiddellijk toe en moet de aanvragende club niet verschijnen voor de Licentiecommissie.

Indien de Licentiecommissie de licentie niet kan toekennen dan verzoekt zij om bijkomende stukken. Na het voorleggen van deze stukken dient de club vervolgens te verschijnen om één en ander toe te lichten op een zitting van de Licentiecommissie. Op basis hiervan oordeelt de Licentiecommissie of de vergunning al dan niet kan worden toegekend. Deze beslissing dient behoorlijk gemotiveerd te worden meegedeeld aan de club.

Artikel P419 Bondsreglement bepaalt dat er over alle licentieaanvragen in eerste aanleg een beslissing dient te zijn genomen voor 15 april voorafgaand aan het nieuwe seizoen.

5) De sanctie indien er geen licentie wordt bekomen

Iedere club die wenst uit te komen in het profvoetbal 1A of 1B moet houder zijn van de voormelde licentie.

Wordt een licentie geweigerd of werd geen licentie aangevraagd dan degradeert de club naar 1e klasse Amateurs, in zoverre ze aan de licentievoorwaarden voor 1e klasse Amateurs voldoet. Wordt de licentie bovendien geweigerd of ingetrokken doordat de club niet voldoet aan de voorwaarden zoals opgelegd in Art. P407.1.6° dan moet de club het  kampioenschap aanvangen in 2e klasse amateurs met een handicap van drie punten.

6) Verhaalsrecht bij het Belgisch Arbitragehof voor Sport

Binnen de drie dagen na de betekening van de beslissing kan de club hoger beroep aantekenen bij het Belgisch Arbitragehof voor Sport (BAS).

Ook het Bondsparket van de KBVB of een derde belanghebbende club kan tegen de beslissing tot het toekennen van de licentie beroep aantekenen.

Het BAS dient vervolgens uitspraak te doen uiterlijk op 10 mei voorafgaand aan het nieuwe seizoen.

Essentieel aan deze beroepsprocedure is dat het BAS de zaak in zijn geheel – dit betekent zowel de feiten, de stukken als de juridische argumenten – herneemt en dat zij volheid van rechtsmacht heeft. Het BAS mag hierbij rekening houden met nieuwe betalingen of akkoorden.

Dit betekent concreet dat ook in het geval de Licentiecommissie beslist om de licentie niet toe te kennen aangezien er bepaalde schulden niet werden betaald, het BAS de licentie alsnog kan toekennen indien de club naderhand deze schulden alsnog betaalt.

De club krijgt als het ware een tweede kans (en iets meer tijd) om aan de voorwaarden te voldoen.

Onder meer RAFC Antwerp heeft inmiddels meermaals en succesvol gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

 

Verdere vragen? Aarzel niet om ons te contacteren via het nummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be.

 


Aansprakelijkheid en regels bij een skiongeval

Februari is traditioneel een maand waarbij er in grote getale op wintervakantie wordt gegaan. Tijdens deze drukke periodes op de skipistes wordt er nogal eens geklaagd over het soms roekeloze gedrag van sommige wintersporters. Hierbij is een skiongeval – soms ernstig en zelfs met dodelijke afloop – niet ongewoon.

Bestaan er regels op de skipiste die in acht dienen te worden genomen? Neemt U een risico door in volle snelheid een piste naar beneden te gaan?

Ja. Indien U een ongeval veroorzaakt kunt U wel degelijk aansprakelijk worden gesteld voor de door U aangerichte schade.Dit betekent ook dat U als slachtoffer mogelijks recht kunnen hebben op een schadevergoeding.

De toepasselijke wetgeving

In principe is de wetgeving  van de plaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan van toepassing.

Zelfs in het geval één en ander zou leiden tot een gerechtelijke procedure in België, zou er worden geoordeeld dat het recht van de plaats van het ongeval van toepassing is. De rechtsvordering tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een onrechtmatige daad in het buitenland gepleegd, wordt in België beheerst door de wet van de staat waar de daad is begaan, ook al is de mogelijke dader een Belg (Cass. 29 april 1996, C.95.0093.N).

Er bestaan evenwel uitzonderingen in het Internationaal Privaatrecht waardoor partijen onder meer vrijwillig kunnen opteren om het Belgisch recht van toepassing te verklaren.

Het FIS Ski-reglement

Daarnaast heeft de FIS, zijnde de Internationale Skifederatie of de Fédération Internationale de Ski, in 2002 een Ski-reglement uitgewerkt die regelmatig geactualiseerd wordt. Dit Ski-reglement is van toepassing in het gehele Alpijnse gebied – waar de meerderheid van de skivakanties plaatsvinden – en tracht de veiligheid op de skipiste te waarborgen. Deze regels kunnen hier teruggevonden worden.

Dit reglement, dat uit tien artikels bestaat, kan als volgt worden samengevat:

  • Respect voor anderen

Een skiër of snowboarder moet zich zo gedragen dat hij anderen niet in gevaar brengt of schade berokkent

  • Controle over de snelheid en over het skiën of het snowboarden

Een skiër of snowboarder moet zich gecontroleerd voortbewegen. Hij moet zijn snelheid en zijn manier van skiën of snowboarden aanpassen aan zijn capaciteiten, de weersomstandigheden, de staat van de piste en de mate van het verkeer.

  • De keuze van de te volgen route

Een skiër of een snowboarder die van achter (boven) komt moet zijn route op een dusdanige manier kiezen dat hij geen voorgaande skiërs of snowboarders in gevaar brengt.

  • Inhalen

Inhalen is toegestaan en dit zowel bovenaan als onderaan en zowel links als rechts, voor zover hij voldoende afstand laat zodanig dat de ingehaalde skiër of snowboarder steeds voldoende bewegingsruimte heeft om vrijwillige of onvrijwillige manoevers uit te voeren.

  • Het opgaan van de piste

Een skiër of snowboarden die een piste opgaat nadat hij op de piste is gestopt of zich omhoog heeft begeven moet omhoog en omlaag kijken zodat hij de piste kan opgaan zonder zichzelf en anderen in gevaar te brengen.

  • Het stoppen op de piste

Behalve indien het absoluut noodzakelijk is, moet een skiër of snowboarder vermijden om te stoppen op de piste waar het smal is of waar de zichtbaarheid beperkt is. Na een valpartij op dergelijke plaats moet een skiër of snowboarder zich zo snel als mogelijk verwijderen van deze plaats.

  • Te voet klimmen en afdalen

Een skiër of snowboarder die te voet aan het klimmen of aan het afdalen is moet zich aan de zijkant van de piste begeven.

  • Respect voor borden en aanwijzingen

Een skiër of snowboarder moet alle borden en aanwijzingen respecteren.

  • Hulp

Indien er zich ongevallen voordoen is het de verplichting van elke skiër of snowboarder om hulp aan te bieden.

  • Identificatie

Elke skiër of snowboarder die getuige is van een ongeval, aansprakelijk of niet aansprakelijk, moet zijn identiteitsgegevens in navolging van dit ongeval uitwisselen.

De toepassing in België

Er is in België beperkte rechtspraak die handelt over een ongeval op een skipiste (zie o.m. Gent, 30 maart 2006, TGR-TWVR 2006, afl. 4, 215).

In de meeste gevallen wordt toepassing gemaakt van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de persoon die een foutieve gedraging stelt waardoor een andere persoon schade lijdt, deze schade moet vergoeden. Er moet sprake zijn van schade, een fout en een oorzakelijk verband tussen de schade en de fout.

De fout kan bestaan uit het overtreden van een bepaald gebod of verbod of door de schending van de zorgvuldigheidsnorm.

De zorgvuldigheidsnorm gaat na hoe een normaal voorzichtige en redelijke mens in dezelfde feitelijke omstandigheden zou hebben gehandeld. Het gedrag van de persoon die de fout begaat wordt met andere woorden vergeleken met een bedachtzame skiër of snowboarder.

In de beoordeling van deze zorgvuldigheidsnorm komen de spelregels en in dit geval het FSI Ski-reglement in beeld. Men zou kunnen stellen dat een normaal zorgvuldig persoon het FSI Ski-reglement niet zou overtreden. Bij een overtreding van het FSI Ski-reglement kan worden geoordeeld dat de persoon in kwestie niet zorgvuldig handelde en dus aansprakelijk kan worden gesteld voor de daardoor veroorzaakte schade.

Er dient vanzelfsprekend ook rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden waardoor een overtreding van het FSI Ski-reglement niet altijd tot een fout volgens art. 1382 BW zal leiden. Ook omgekeerd betekent het niet omdat er geen fout volgens het FSI Ski-reglement werd begaan dat een persoon niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de veroorzaakte schade. In elke zaak dienen de feitelijke omstandigheden te worden nagegaan.

Het staat niettemin buiten kijf dat het FSI Ski-reglement – dat de veiligheid van de wintersporters beoogt – een belangrijke leidraad vormt.

Tot slot zal de uitkomst van een zaak in veel gevallen afhangen van het beschikbare bewijs. Bent U betrokken bij een skiongeval, dan is het noodzakelijk om zoveel mogelijk bewijs te verzamelen. Dit kan bestaan uit foto’s van de plaats van het ongeval, getuigenissen van omstaanders, etc.

Hebt U verdere vragen of wenst U juridische bijstand? U kunt ons contacteren via het telefoonnummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be

 

 


Page 1 of 212