+32 9 334 94 70

Februari 2018

Monthly Archives

De licentie voor het profvoetbal 1A en 1B

In de media waren er de afgelopen weken een aantal ophefmakende nieuwsberichten over de aanvragen tot het bekomen van een licentie in het voetbal door de clubs in eerste klasse A en eerste klasse B. Er werden zich onder meer vragen gesteld bij de verkoopsconstructie van KV Oostende – waarbij het effectieve overnamebedrag uitgesteld zou worden betaald – en of dit door de licentiecommissie zou worden toegelaten.

Enige duiding over de precieze procedure tot het bekomen van dergelijke licentie ontbreekt evenwel of kenmerkt zich door onvolledigheid.

Deze duiding levert evenwel interessante inzichten op.

1) De procedure en de aanvraag voor het bekomen van een licentie

De procedure voor het bekomen van een licentie wordt bepaald in de artikelen P401 tot P429 van het Bondsreglement van de KBVB.

Om in Eerste Klasse A of in Eerste Klasse B aan te treden moet een club beschikken over “een licentie van club in afdeling 1A van het profvoetbal”, respectievelijk “een licentie van club in afdeling 1B van het profvoetbal”. Vanaf het seizoen 2018-2019 zullen clubs die dalen naar Eerste Klasse B of die het komend jaar in Eerste Klasse B blijven ook dienen te beschikken over “een licentie van club in afdeling 1A van het profvoetbal”.

De licenties moeten conform art. P417 Bondsreglement worden aangevraagd per aangetekend schrijven en dit tussen 1 en 15 februari voorafgaand aan het nieuwe seizoen. De licentiecommissie stelt voor deze aanvragen een standaardformulier op, waarop alle voorwaarden en vereiste bewijsstukken en attesten worden aangegeven.

Indien een club wenst aan te treden in een Europese competitie dient deze club bovendien te beschikken over een Europese licentie.

2) De voorwaarden waaraan de clubs dienen te voldoen

Wat betreft de voorwaarden die door de clubs dienen te worden voldaan staat artikel P406 van het Bondsreglement centraal.

Artikel P406 Bondsreglement bepaalt als toekenningsvoorwaarden dat de clubs (1) de verantwoordelijke rechtsperso(o)n(en) dienen op te geven ; (2) dienen aan te tonen dat de continuïteit verzekerd is; (3) dienen te voldoen aan het artikel P407 Bondsreglement; en (4) dienen te voldoen aan het artikel P408 Bondsreglement voor de clubs in 1A en aan het artikel P410 Bondsreglement voor de clubs in 1B.

In de praktijk wordt in eerste instantie nagegaan of de clubs voldoen aan de artikelen P408, dan wel P410 Bondsreglement en aan art. P407 Bondsreglement.

Enkel in het geval hieraan voldaan is – het betreft een noodzakelijke voorwaarde – wordt onderzocht  – onder meer op basis van boekhoudkundige gegevens,  verklaringen van schuldeisers en verklaringen van financierders – of de continuïteit verzekerd is.

Belangrijk hierbij is dat een licentie nooit kan worden toegekend onder voorwaarden.

De artikelen P408/P410 Bondsreglement – afhankelijk of de club aantreedt in 1A of 1B – betreffen meer technisch vereisten zoals het behalen van de diverse criteria waaraan het stadion, het speelveld, de verlichting, etc. dienen te voldoen. In de praktijk leiden deze artikelen tot weinig discussie.

Het artikel P407 Bondsreglement – dat voor alle clubs een uitgebreide reeks van algemene voorwaarden uiteenzet – is voor de meeste clubs die geen licentie behalen het grootste struikelblok.

Voorwaarden die met regelmaat tot discussie leiden betreffen onder meer:

  • Art. 407.1.4°:  het voorleggen van een controleverslag door een benoemde commissaris over het laatst afgesloten boekjaar welke voldoet aan alle wettelijke bepalingen ter zake;
  • Art. 407.1.5°: een geraamde staat van ontvangsten en uitgaven tot het einde van het seizoen waarvoor de licentie wordt aangevraagd (leningen en waarborgen waarvan de schuldeiser de terugbetaling kan eisen voor het einde van het seizoen mogen hierbij niet in rekening worden genomen);
  • Art. 407.1.6°: het bewijs leveren niet in gebreke te blijven bij de betaling van onder meer de lonen aan spelers, trainers en alle personeel en de aan R.S.Z. verschuldigde sommen (de Licentiecommissie eist onbetwistbare bewijsstukken zoals bij wijze van voorbeeld een afbetalingsplan uitgaande van de RSZ of de betalingsbewijzen van de lonen).

Wat betreft de voorwaarde opgenomen in art. 407.1.6° dat betrekking heeft op de schulden van de club staat het Bondsreglement toe dat een licentie mag worden toegekend indien de desbetreffende schulden worden betwist en waarvan de betwisting niet kennelijk onredelijk schijnt te zijn. In voorkomend geval kan het toekennen van de licentie afhankelijk worden gemaakt van het blokkeren door de club van de betwiste sommen.

Tevens bepaalt artikel P407 Bondsreglement dat een licentie niet zal worden toegekend aan een club waarvan een of meerdere verbonden juridische entiteiten eveneens verbonden zijn met een andere club in het profvoetbal.  Het artikel definieert vervolgens wat onder een verbonden juridische entiteit wordt begrepen.

Een verbonden juridische entiteit is onder meer de partij die direct of indirect over 10% of meer van de stemrechten beschikt in de schoot van de algemene vergadering van de licentie kandidaat of die op één of andere wijze een beduidende invloed uitoefent op de licentie kandidaat; en/of de partij die de bevoegdheid heeft, in feite of in rechte, om het directie comité of de vertegenwoordigers van de club bij de Pro League te benoemen.

Gelet op de bewoordingen “die op één of andere wijze een beduidende invloed uitoefent op de licentiekandidaat” en in feite of in rechte”  kan zich de vraag gesteld worden of de door de media geschetste constructie van KV Oostende hieronder niet begrepen kan worden. In dit geval zou er zich wel degelijk een probleem voor zowel KV Oostende als voor RSCA Anderlecht kunnen stellen.

3) Tussenkomende schuldeisers

Tevens belangrijk is het artikel P418 Bondsreglement dat stelt dat schuldeisers van clubs die een aanvraag indienen die menen dat met hen rekening moet worden gehouden bij de toekenning van de licentie zich kenbaar kunnen maken bij de KBVB. In voorkomend geval kan de Licentiecommissie rekening houden met de schuld van deze schuldeiser bij het al dan niet toekennen van de licentie.

Onder meer de heer Eddy WAUTERS, voormalig voorzitter van RAFC Antwerp, heeft meermaals gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

4) De beslissing

Na het verslag van de Licentiemanager te hebben gehoord, spreekt de Licentiecommissie zich uit over de aanvraag van de club.

Ofwel kent de Licentiecommissie – indien aan alle voorwaarden is voldaan – de licentie onmiddellijk toe en moet de aanvragende club niet verschijnen voor de Licentiecommissie.

Indien de Licentiecommissie de licentie niet kan toekennen dan verzoekt zij om bijkomende stukken. Na het voorleggen van deze stukken dient de club vervolgens te verschijnen om één en ander toe te lichten op een zitting van de Licentiecommissie. Op basis hiervan oordeelt de Licentiecommissie of de vergunning al dan niet kan worden toegekend. Deze beslissing dient behoorlijk gemotiveerd te worden meegedeeld aan de club.

Artikel P419 Bondsreglement bepaalt dat er over alle licentieaanvragen in eerste aanleg een beslissing dient te zijn genomen voor 15 april voorafgaand aan het nieuwe seizoen.

5) De sanctie indien er geen licentie wordt bekomen

Iedere club die wenst uit te komen in het profvoetbal 1A of 1B moet houder zijn van de voormelde licentie.

Wordt een licentie geweigerd of werd geen licentie aangevraagd dan degradeert de club naar 1e klasse Amateurs, in zoverre ze aan de licentievoorwaarden voor 1e klasse Amateurs voldoet. Wordt de licentie bovendien geweigerd of ingetrokken doordat de club niet voldoet aan de voorwaarden zoals opgelegd in Art. P407.1.6° dan moet de club het  kampioenschap aanvangen in 2e klasse amateurs met een handicap van drie punten.

6) Verhaalsrecht bij het Belgisch Arbitragehof voor Sport

Binnen de drie dagen na de betekening van de beslissing kan de club hoger beroep aantekenen bij het Belgisch Arbitragehof voor Sport (BAS).

Ook het Bondsparket van de KBVB of een derde belanghebbende club kan tegen de beslissing tot het toekennen van de licentie beroep aantekenen.

Het BAS dient vervolgens uitspraak te doen uiterlijk op 10 mei voorafgaand aan het nieuwe seizoen.

Essentieel aan deze beroepsprocedure is dat het BAS de zaak in zijn geheel – dit betekent zowel de feiten, de stukken als de juridische argumenten – herneemt en dat zij volheid van rechtsmacht heeft. Het BAS mag hierbij rekening houden met nieuwe betalingen of akkoorden.

Dit betekent concreet dat ook in het geval de Licentiecommissie beslist om de licentie niet toe te kennen aangezien er bepaalde schulden niet werden betaald, het BAS de licentie alsnog kan toekennen indien de club naderhand deze schulden alsnog betaalt.

De club krijgt als het ware een tweede kans (en iets meer tijd) om aan de voorwaarden te voldoen.

Onder meer RAFC Antwerp heeft inmiddels meermaals en succesvol gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

 

Verdere vragen? Aarzel niet om ons te contacteren via het nummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be.

 


Aansprakelijkheid en regels bij een skiongeval

Februari is traditioneel een maand waarbij er in grote getale op wintervakantie wordt gegaan. Tijdens deze drukke periodes op de skipistes wordt er nogal eens geklaagd over het soms roekeloze gedrag van sommige wintersporters. Hierbij is een skiongeval – soms ernstig en zelfs met dodelijke afloop – niet ongewoon.

Bestaan er regels op de skipiste die in acht dienen te worden genomen? Neemt U een risico door in volle snelheid een piste naar beneden te gaan?

Ja. Indien U een ongeval veroorzaakt kunt U wel degelijk aansprakelijk worden gesteld voor de door U aangerichte schade.Dit betekent ook dat U als slachtoffer mogelijks recht kunnen hebben op een schadevergoeding.

De toepasselijke wetgeving

In principe is de wetgeving  van de plaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan van toepassing.

Zelfs in het geval één en ander zou leiden tot een gerechtelijke procedure in België, zou er worden geoordeeld dat het recht van de plaats van het ongeval van toepassing is. De rechtsvordering tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een onrechtmatige daad in het buitenland gepleegd, wordt in België beheerst door de wet van de staat waar de daad is begaan, ook al is de mogelijke dader een Belg (Cass. 29 april 1996, C.95.0093.N).

Er bestaan evenwel uitzonderingen in het Internationaal Privaatrecht waardoor partijen onder meer vrijwillig kunnen opteren om het Belgisch recht van toepassing te verklaren.

Het FIS Ski-reglement

Daarnaast heeft de FIS, zijnde de Internationale Skifederatie of de Fédération Internationale de Ski, in 2002 een Ski-reglement uitgewerkt die regelmatig geactualiseerd wordt. Dit Ski-reglement is van toepassing in het gehele Alpijnse gebied – waar de meerderheid van de skivakanties plaatsvinden – en tracht de veiligheid op de skipiste te waarborgen. Deze regels kunnen hier teruggevonden worden.

Dit reglement, dat uit tien artikels bestaat, kan als volgt worden samengevat:

  • Respect voor anderen

Een skiër of snowboarder moet zich zo gedragen dat hij anderen niet in gevaar brengt of schade berokkent

  • Controle over de snelheid en over het skiën of het snowboarden

Een skiër of snowboarder moet zich gecontroleerd voortbewegen. Hij moet zijn snelheid en zijn manier van skiën of snowboarden aanpassen aan zijn capaciteiten, de weersomstandigheden, de staat van de piste en de mate van het verkeer.

  • De keuze van de te volgen route

Een skiër of een snowboarder die van achter (boven) komt moet zijn route op een dusdanige manier kiezen dat hij geen voorgaande skiërs of snowboarders in gevaar brengt.

  • Inhalen

Inhalen is toegestaan en dit zowel bovenaan als onderaan en zowel links als rechts, voor zover hij voldoende afstand laat zodanig dat de ingehaalde skiër of snowboarder steeds voldoende bewegingsruimte heeft om vrijwillige of onvrijwillige manoevers uit te voeren.

  • Het opgaan van de piste

Een skiër of snowboarden die een piste opgaat nadat hij op de piste is gestopt of zich omhoog heeft begeven moet omhoog en omlaag kijken zodat hij de piste kan opgaan zonder zichzelf en anderen in gevaar te brengen.

  • Het stoppen op de piste

Behalve indien het absoluut noodzakelijk is, moet een skiër of snowboarder vermijden om te stoppen op de piste waar het smal is of waar de zichtbaarheid beperkt is. Na een valpartij op dergelijke plaats moet een skiër of snowboarder zich zo snel als mogelijk verwijderen van deze plaats.

  • Te voet klimmen en afdalen

Een skiër of snowboarder die te voet aan het klimmen of aan het afdalen is moet zich aan de zijkant van de piste begeven.

  • Respect voor borden en aanwijzingen

Een skiër of snowboarder moet alle borden en aanwijzingen respecteren.

  • Hulp

Indien er zich ongevallen voordoen is het de verplichting van elke skiër of snowboarder om hulp aan te bieden.

  • Identificatie

Elke skiër of snowboarder die getuige is van een ongeval, aansprakelijk of niet aansprakelijk, moet zijn identiteitsgegevens in navolging van dit ongeval uitwisselen.

De toepassing in België

Er is in België beperkte rechtspraak die handelt over een ongeval op een skipiste (zie o.m. Gent, 30 maart 2006, TGR-TWVR 2006, afl. 4, 215).

In de meeste gevallen wordt toepassing gemaakt van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de persoon die een foutieve gedraging stelt waardoor een andere persoon schade lijdt, deze schade moet vergoeden. Er moet sprake zijn van schade, een fout en een oorzakelijk verband tussen de schade en de fout.

De fout kan bestaan uit het overtreden van een bepaald gebod of verbod of door de schending van de zorgvuldigheidsnorm.

De zorgvuldigheidsnorm gaat na hoe een normaal voorzichtige en redelijke mens in dezelfde feitelijke omstandigheden zou hebben gehandeld. Het gedrag van de persoon die de fout begaat wordt met andere woorden vergeleken met een bedachtzame skiër of snowboarder.

In de beoordeling van deze zorgvuldigheidsnorm komen de spelregels en in dit geval het FSI Ski-reglement in beeld. Men zou kunnen stellen dat een normaal zorgvuldig persoon het FSI Ski-reglement niet zou overtreden. Bij een overtreding van het FSI Ski-reglement kan worden geoordeeld dat de persoon in kwestie niet zorgvuldig handelde en dus aansprakelijk kan worden gesteld voor de daardoor veroorzaakte schade.

Er dient vanzelfsprekend ook rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden waardoor een overtreding van het FSI Ski-reglement niet altijd tot een fout volgens art. 1382 BW zal leiden. Ook omgekeerd betekent het niet omdat er geen fout volgens het FSI Ski-reglement werd begaan dat een persoon niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de veroorzaakte schade. In elke zaak dienen de feitelijke omstandigheden te worden nagegaan.

Het staat niettemin buiten kijf dat het FSI Ski-reglement – dat de veiligheid van de wintersporters beoogt – een belangrijke leidraad vormt.

Tot slot zal de uitkomst van een zaak in veel gevallen afhangen van het beschikbare bewijs. Bent U betrokken bij een skiongeval, dan is het noodzakelijk om zoveel mogelijk bewijs te verzamelen. Dit kan bestaan uit foto’s van de plaats van het ongeval, getuigenissen van omstaanders, etc.

Hebt U verdere vragen of wenst U juridische bijstand? U kunt ons contacteren via het telefoonnummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be