+32 9 334 94 70

April 2019

Monthly Archives

Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 3/4)

De opleidingsvergoeding en het vrij verkeer van werknemers (EU Sportrecht)

Opleidingsvergoedingen kwamen in de afgelopen twee decennia onder druk te staan door het EU-recht. Vooral de regels omtrent de vier vrijheden die de Europese interne markt constitueren, hebben hun invloed gehad op de Europese sportwereld, en op het voetbal in het bijzonder. Omdat het merendeel van de professionele voetballers  door middel van een arbeidsovereenkomst bij een club aangesloten is, baseerden spelers en clubs zich herhaaldelijk op het vrij verkeer van werknemers om een verschuldigde  opleidingsvergoeding aan te vechten.

Sinds de zaak Walrave van 1974 aanvaardt het Hof van Justitie dat sportbeoefening onder het gemeenschapsrecht (thans EU-recht) valt, in zoverre zij een economische activiteit uitmaakt. Een professionele voetballer die aangesteld is als werknemer, oefent wel degelijk een economische activiteit uit, met de toepassing van het EU-recht als gevolg.

De primaire bron voor het vrij verkeer van werknemers is artikel 45 van het Verdrag betreffende  de Werking van de Europese Unie (hierna  VWEU). Om onder het toepassingsgebied van artikel 45 VWEU te vallen, moet aan drie voorwaarden voldaan zijn. Het moet gaan om een werknemer (1) die onderdaan is van een EU-lidstaat (2) en er moet sprake zijn van een grensoverschrijdend element (3).

Het begrip werknemer werd door het Hof van Justitie gedefinieerd als “een persoon die voor en onder gezag van een andere persoon bepaalde diensten verricht tegen een vergoeding”. De rechter zal telkens geval per geval in concreto beoordelen, maar een professionele voetballer die dagelijks traint, onder leiding en toezicht staat van zijn club en hiervoor betaald wordt, zal vermoedelijk als werknemer in de zin van artikel 45 VWEU gekwalificeerd worden.

Volgens artikel 45 VWEU is elke belemmering van het vrij verkeer of discriminatie tussen werknemers van lidstaten op basis van nationaliteit verboden. Belemmeringen kunnen echter  gerechtvaardigd worden aan de hand van de zogenaamde rule of reason, ontwikkeld door het Hof van Justitie in het arrest Cassis de Dijon.  Een beperkende maatregel die een rechtmatig, met het verdrag verenigbaar doel nastreeft en die zowel geschikt als noodzakelijk is om dat doel te bereiken, kan gerechtvaardigd worden.

Een opleidingsvergoeding die verschuldigd is naar aanleiding van een internationale transfer vormt een beperking op de bewegingsvrijheid van een voetballer als werknemer. De overnemende club dient de opleidingsvergoeding immers te betalen, wat de mogelijkheid van de voetballer om in een andere lidstaat te spelen bemoeilijkt.

De zaak Bosman

De eerste keer dat de verenigbaarheid van een opleidingsvergoeding met het vrij verkeer van werknemers ter sprake kwam was in het arrest-Bosman. Jean-Marc Bosman was een Belgische voetballer die op huurbasis getransfereerd werd van RC Luik naar Duinkerken. Omdat RC Luik geen vertrouwen had in de financiële capaciteit van Duinkerken om de gevraagde transfervergoeding te betalen, vroeg het de KBVB om het transfercertificaat niet op te sturen naar de Franse voetbalbond (FFF). Ook werd Bosman geschorst, waardoor hij voor de rest van het seizoen niet kon aantreden voor de eerste ploeg van RC Luik.

Bosman trok hierop naar de rechter en de zaak kwam uiteindelijk voor het Hof van Justitie. Een van de rechtvaardigingsgronden die de sportinstanties aanvoerden, was dat het transfersysteem moest blijven bestaan om clubs aan te sporen in jeugdopleiding te investeren. Zonder opleidingsvergoeding zou de incentive van clubs om jonge spelers op te leiden immers verdwijnen.

Het Hof van Justitie erkent dat het opleiden van jonge spelers een legitiem doel is. Ook kan het vooruitzicht op het verkrijgen van een opleidingsvergoeding clubs in principe aansporen om op zoek te gaan naar nieuw talent en om jonge spelers op te leiden. Omdat slechts een klein aantal van de spelers die men opleidt, beroepsvoetballer zullen worden en een sportcarrière moeilijk te voorspellen is, is er echter een te grote mate van onzekerheid en toeval die de opleidingsvergoeding kenmerken. Door het onzekere karakter ervan kan een voetbalclub er niet op vertrouwen dat het inkomsten haalt uit de opleiding van spelers. Ook wordt een opleidingsvergoeding gekoppeld aan de marktwaarde van een speler in plaats van aan de eigenlijke opleidingskosten die een club gespendeerd heeft. In die omstandigheden kan het vooruitzicht op een vergoeding geen beslissende stimulans zijn om spelers op te leiden, aldus het Hof.

 

De zaak Bernard

15 jaar na het arrest-Bosman moest het Hof van Justitie opnieuw oordelen over opleidingsvergoedingen, ditmaal in de zaak-Bernard. Het betrof een Franse speler die bij Olympique Lyonnais een beloftecontract ondertekende. Als gevolg hiervan was hij verplicht om na afloop van de termijn van dit contract in te gaan op elk contractvoorstel dat Olympique Lyonnais hem deed. Dit was zo geregeld in een charter dat ondertekend was door de Franse voetbalbond, de spelersvakbond en de liga van voetbalclubs. Bernard wilde echter spelen voor Newcastle United. Hierop trok Olympique Lyonnais naar de arbeidsrechtbank met de eis om een jaarsalaris toe te kennen als schadevergoeding voor contractbreuk. Zowel in beroep als in Cassatie beargumenteerde Bernard dat deze schadevergoeding in feite een verdoken opleidingsvergoeding is. De zaak werd doorverwezen naar het Hof van Justitie.

In dit arrest wijkt het Hof enigszins af van zijn bevindingen in het arrest-Bosman. Omdat slechts een deel van de opgeleide spelers uiteindelijk profvoetballer wordt en omdat de kosten van de opleiding van jonge spelers slechts gedeeltelijk gecompenseerd worden door de winst die men tijdens de opleidingsperiode uit deze spelers kan halen, wordt de opbrengst uit de door clubs gemaakte opleidingsinvesteringen gekenmerkt door toeval. In die omstandigheden, m.a.w. in die toestand van onzekerheid waarin een opleidingsclub zich bevindt, zou een club ontmoedigd worden te investeren in jeugdopleiding als ze geen opleidingsvergoeding zou ontvangen wanneer een speler na zijn opleiding een contract tekent bij een andere club. Een dergelijke regeling kan dus in principe gerechtvaardigd worden door het legitieme doel  om de opleiding van jonge spelers aan te moedigen. De regeling waarmee het Hof in de zaak-Bernard geconfronteerd wordt, is echter niet geschikt, noch proportioneel. De opleidingsvergoeding wordt immers berekend op basis van de schade die Olympique Lyonnais lijdt, zonder dat er enige link is met de werkelijke opleidingskosten.

Het Hof knoopt aldus twee keer een verschillend gevolg vast aan het onzekere karakter van de opleidingsvergoeding. In het arrest-Bosman was het van mening dat een opleidingsvergoeding in de toenmalige vorm geen geschikt middel is, gelet op het onzeker karakter ervan. In de zaak-Bernard daarentegen stelt het Hof dat de onzekerheid die gepaard gaat met een opleidingsvergoeding een reden is om de vergoeding te behouden. Clubs worden immers geconfronteerd met onzekerheid, deze zou alleen maar toenemen mocht men de opleidingsvergoeding verbieden.

 

De zaak Wilhelmshaven

Een laatste ijkpunt in de geschillenreeks omtrent de opleidingsvergoeding betreft de zaak-Wilhelmshaven. Het was de eerste keer dat het systeem van opleidingsvergoedingen, zoals uitgelegd in deel 1 van deze reeks, door een rechter getoetst werd op zijn conformiteit met het vrij verkeer van werknemers.

Het ging over een Argentijns-Italiaanse voetballer, Sergio Sagarzazu, die zijn opleidingsjaren doorbracht bij Atlético Excursionistas en Atlético River Plate. In 2007 werd hij verhuurd aan SV Wilhelmshaven, waar hij zijn eerste profcontract tekende. Excursionistas beweerde recht te hebben op een opleidingsvergoeding van 60 000 euro. River Plate claimde een vergoeding van 100 000 euro. SV Wilhelmshaven vond deze bedragen buitenproportioneel en vocht ze bij de FIFA DRC, het CAS en de gewone rechter aan. Uiteindelijk kwam de zaak voor het Oberlandesgericht Bremen.

Het Oberlandesgericht stelt dat een vorm van opleidingsvergoeding in het geval waarin een speler na beëindiging van zijn opleiding een eerste profcontract sluit bij een andere club dan de opleidingsclub gerechtvaardigd kan worden. De bestaande vormen van opleidingsvergoedingen werden echter niet beschouwd als een geschikt middel.

Enerzijds worden opleidingsvergoedingen gekenmerkt door onzekerheid en toeval. De professionele carrière van een jeugdspeler valt niet in te schatten en slechts een beperkt aantal jeugdspelers zal een profcontract tekenen. Anderzijds is de huidige vorm van opleidingsvergoedingen niet gebaseerd op de werkelijke opleidingskosten die een club gemaakt heeft. Het FIFA-reglement gaat immers uit van de door de aanwervende club uitgespaarde kosten in plaats van de door de opleidingsclub gemaakt kosten. Daarnaast houdt de FIFA geen rekening met de werkelijke opleidingskosten, maar met de economische waarde van een speler. Men waardeert de categorieën van opleidingsvergoedingen immers per continent, aan de hand van de economische waarde van de overkoepelende voetbalassociatie van een continent. Daarnaast worden clubs ingedeeld per categorie aan de hand van de nationale liga en klasse waarin ze spelen en dus niet volgens hun opleidingsinspanningen.

Het arrest-Wilhelmshaven is het voorlopig laatste hoofdstuk in de discussie over de opleidingsvergoeding. In deel vier van deze serie worden uit bovenstaande rechtspraak criteria gedistilleerd waaraan een systeem van opleidingsvergoedingen dient te voldoen om de rule-of- reason-test te doorstaan. Ook zal er aandacht zijn voor alternatieve systemen die in rechtspraak en doctrine geopperd worden.

 

Vorige delen: Deel 1Deel 2 

Volgend deel : Deel 4:  kritische analyse van het huidig systeem 


Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 2/4)

Regulering en berekening van de opleidingsvergoeding

De opleidingsvergoeding en de berekening van de opleidingsvergoeding wordt geregeld in artikel 20 en annex 4 van de RSTP. Ze is verschuldigd wanneer een speler zijn eerste professionele contract sluit en bij elke internationale transfer tot het einde van het seizoen waarin hij 23 wordt en dit zowel bij een transfer tijdens als na afloop van de overeenkomst die een speler aan een bepaalde club bindt. De opleidingsjaren die in aanmerking worden genomen zijn die van 12 tot 21 jaar, tenzij uit de concrete feiten blijkt dat een speler zijn trainingsperiode eerder heeft beëindigd.

In drie gevallen is er geen opleidingsvergoeding verschuldigd. Ten eerste wanneer de vorige club het contract met de speler zonder geldige reden heeft verbroken. Ten tweede wanneer een speler getransfereerd wordt naar een club van categorie 4 (zie infra). Ten slotte wanneer een speler het statuut van amateur verkrijgt. De FIFA heeft voor de EU een extra situatie opgenomen waarin geen opleidingsvergoeding verschuldigd is. Met name wanneer de vorige club de speler geen nieuw contract geeft dat minstens de waarde heeft van het contract dat de speler reeds had bij die club. Deze regel vindt zijn oorsprong in het arrest-Bosman, dat in deel 3 van deze reeks aan bod komt.

De FIFA heeft een systeem van vier categorieën ontwikkeld, waarin elke club wordt ingedeeld op basis van niveau en investering in jeugdopleiding. Aan elke categorie wordt een forfaitair bedrag gelinkt dat moet overeenkomen met het bedrag dat een club jaarlijks spendeert aan jeugdopleiding, vermenigvuldigd met de zogenaamde ‘player factor’. Dit is het aantal spelers dat opgeleid moet worden om een professionele speler voort te brengen.

De berekening van de opleidingsvergoeding gebeurt door het aantal jaren training bij de vorige club te vermenigvuldigen met de trainingskosten van de nieuwe club, zoals die bepaald worden door de categorie waarbinnen deze club valt. Wanneer een speler van een lagere naar een hogere club gaat worden de opleidingskosten van de hogere club in aanmerking genomen. Wanneer een speler van een hogere naar een lagere club gaat worden de opleidingskosten van de lagere club in aanmerking genomen. Om de vergoeding voor de opleidingsjaren tussen de 12e en de 15e verjaardag van de speler te berekenen, dient men uit te gaan van de 4e categorie.

Opnieuw is er voor transfers binnen de EU in een uitzondering voorzien. Hier wordt de opleidingsvergoeding berekend door een gemiddelde te nemen van de categorie van de verkopende en aanwervende club, tenminste wanneer de verkopende club van een lagere categorie is dan de aanwervende club. Men probeert hiermee tegemoet te komen aan de eis die het Hof van Justitie in het arrest-Bosman had gesteld om de vergoeding te laten aansluiten bij de werkelijke opleidingskosten.

Bij de ondertekening van het eerste profcontract van een speler heeft elke club die de speler getraind heeft vanaf zijn 12e verjaardag recht op een deel van de vergoeding, pro rata van het aantal opleidingsjaren. Bij elke latere transfer tot het seizoen waarin de speler 23 wordt heeft enkel de laatste club van de speler recht op een opleidingsvergoeding.

Een voorbeeld van de berekening van de opleidingsvergoeding

 

Confederation Category 1 Category 2 Category 3 Category 4
AFC USD 40 000 USD 10 000 USD 2000
CAF USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
CONCACAF USD 40 000 USD 10 000 USD 2000
CONMEBOL USD 50 000 USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
OFC USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
UEFA EURO 90 000 EURO 60 000 EURO 30 000 EURO 10 000

 

Bovenstaande tabel bevat de trainingskosten per categorie, vastgesteld door de FIFA in 2018.

Een eenvoudig voorbeeld van een berekening, ter illustratie van bovenstaande principes:

Speler X speelt van het seizoen waarin hij 12 geworden is tot en met het seizoen waarin hij 15 geworden is bij de Belgische club A, die tot categorie 2 behoort. Vanaf het seizoen waarin hij 16 wordt tot en met het seizoen waarin hij 21 wordt speelt hij voor een Duitse club B van de 3e categorie. Uiteindelijk tekent hij zijn eerste profcontract in het seizoen waarin hij 22 wordt bij een Nederlandse club C van categorie 1.

Als gevolg van de ondertekening van het profcontract hebben club A en club B recht op een opleidingsvergoeding.

Club A heeft recht op 4 x 10 000= 40 000 euro.  Ook al behoort club A tot categorie 2, tussen de leeftijd van 12 en 15 jaar dient men uit te gaan van de opleidingskosten van categorie 4.Club B heeft recht op  6 x ((90 000 + 30 000)/2)= 360 000 euro.  Aangezien speler X van een lager naar een hoger gerangschikte club gaat dient men binnen de EU het gemiddelde te nemen van de opleidingskosten van beide clubs.

 

Volgende delen: deel 3deel 4

Vorige delen: deel 1 link


Reeks: de opleidingsvergoeding (Deel 1/4)

Inleiding: de opleidingsvergoeding

In 2014 versierde Kevin De Bruyne een transfer van Chelsea naar Wolfsburg. Naast de transfersom van ruim 24 miljoen euro zou er door Wolfsburg ook een opleidingsvergoeding van 650 000 euro verschuldigd zijn aan KRC Genk, de ploeg waar De Bruyne zijn opleiding genoot. Ook voor de transfer van Eden Hazard van Rijsel naar Chelsea ontving opleidingsclub Tubeke een vergoeding van 750 000 euro.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de betaling van opleidingsvergoedingen een ingeburgerde praktijk is in het voetbal. Clubs in kleinere voetballanden profileren zich als opleidingsclubs die talentvolle spelers op jonge leeftijd aankopen en hen verder opleiden in de hoop hen aan een grotere club te verkopen en naast de eenmalige transfersom ook bij een latere transfer nog een opleidingsvergoeding te ontvangen.

Dit model lijkt op het eerste zicht goed te werken. De opleidingsclub heeft een vergoeding in het vooruitzicht, de speler krijgt een kwalitatieve opleiding en de aanwervende club kan gebruikmaken van de diensten van een talentvolle speler, zonder dat ze zelf in de opleiding van deze speler heeft moeten investeren. Toch brengt het bestaande systeem van opleidingsvergoedingen de nodige juridische problemen met zich mee, zowel voor de speler als voor de betrokken clubs.

In deze vierdelige reeks worden de bestaande problemen toegelicht en worden er alternatieven aangereikt voor het bestaande systeem van opleidingsvergoedingen in de voetbalsport.

Definitie en verwante begrippen

De opleidingsvergoeding in het voetbal wordt geregeld door artikel 20 en annex 4 van de FIFA Regulations on the status and transfer of players (hierna RSTP). Een opleidingsvergoeding kan omschreven worden als een geldelijke compensatie ter vergoeding van de kosten gemaakt voor de opleiding van een speler, te betalen aan elke opleidingsclub op het moment van de ondertekening van het eerste profcontract en bij elke transfer tot en met het einde van het seizoen dat de speler drieëntwintig wordt. De opleidingsjaren die in aanmerking worden genomen zijn die van 12 tot 21 jaar, tenzij uit de concrete feiten blijkt dat een speler zijn trainingsperiode eerder heeft beëindigd. De specificiteiten worden in het volgend deel verder toegelicht.

Een opleidingsvergoeding dient onderscheiden te worden van een transfervergoeding. Dit is een financiële vergoeding die verschuldigd is in het kader van de voortijdige beëindiging van de arbeids-of dienstenovereenkomst met wederzijdse toestemming. De hoogte van de transfervergoeding is vaak gelinkt aan de economische waarde van de speler en wordt onderhandeld tussen de huidige en de overnemende club.

Ook de schadevergoeding voor contractbreuk verschilt van de opleidingsvergoeding. Artikel 17 RSTP bevat de criteria die men in acht dient te nemen om de hoogte van de schadevergoeding te bepalen in geval van contractbreuk. Onder meer het toepasselijke nationale recht en de resterende duurtijd spelen hierin een rol.

Nauw verwant met de opleidingsvergoeding is de solidariteitsbijdrage. 5% van een transfersom die voor een speler betaald wordt bij overgang naar een andere club moet worden verdeeld over alle opleidingsclubs van een speler, in verhouding met de duur van de geleverde opleidingsinspanningen. Deze bijdrage staat echter in geen enkel verband tot de opleidingskosten. Het is een mechanisme dat louter tot doel heeft om solidariteit tussen de kapitaalkrachtige en de minder kapitaalkrachtige clubs te creëren.

Een laatste onderscheid dat men moet maken is tussen de opleidingsvergoeding en het scholingsbeding. Dit laatste is een beding waarbij de werknemer, die gedurende de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst een vorming volgt op kosten van de werkgever, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte van de vormingskosten terug te betalen ingeval hij de onderneming verlaat voor het einde van de overeengekomen periode. Het scholingsbeding is echter om verschillende redenen moeilijk toepasbaar in de voetbalsector. Ten eerste kan het enkel gestipuleerd worden in een overeenkomst van onbepaalde duur. Deze zijn echter niet gangbaar in de voetbalwereld. Ten tweede is de vergoeding die gevraagd kan worden als de werknemer de onderneming verlaat voor het einde van de opleiding verschuldigd door de werknemer zelf. Dit in tegenstelling tot de opleidingsvergoeding, die betaald dient te worden door de overnemende club. Ten slotte moet het beding de kosten van de vorming reeds op voorhand vastleggen. De FIFA is echter van mening dat de opleidingskosten van een voetballer moeilijk a priori ingeschat kunnen worden.

Deel 2/4: Link

Deel 3/4: Link

Deel 4/4: Link

 

opleidingsvergoeding