+32 9 334 94 70

Mei 2019

Monthly Archives

De Macolin-conventie – een nieuw verdrag inzake wedstrijdvervalsing

De Macolin-conventie: de inwerkingtreding van een verdrag inzake wedstrijdvervalsing

Het Verdrag inzake de Manipulatie van Sportwedstrijden (the Convention of the manipulation of Sports Competitions) vindt zijn oorsprong binnen de Raad van Europe en werd geopend ter ondertekening op 18 september 2014 door de Raad van Ministers verantwoordelijk voor sport.

Op 16 mei 2019 ratificeerde Zwitserland als vijfde land het Verdrag inzake de Manipulatie van Sportwedstrijden  oftewel de Macolin-conventie.

Nu er vijf landen het verdrag ondertekend hebben – Moldavië, Noorwegen, Portugal, Oekraïne en Zwitserland – treedt het verdrag in werking op 1 september 2019.

België ondertekende het verdrag doch ratificeerde het op heden nog niet.

De Macolin-conventie, verwijzend naar de Zwitserse stad waar het verdrag gesloten werd, heeft als doel om matchfixing en wedstrijdvervalsing en meer in het algemeen de manipulatie van sportwedstrijden te bestrijden.

Professionele sportbeoefening is de voorbije jaren in toenemende mate gecommercialiseerd en gemediatiseerd. Tegelijkertijd is sinds de eeuwwisseling ook een stijgend aantal illegale activiteiten waarneembaar.

Vooral de opkomst van de gokindustrie, vaak onvoldoende gecontroleerd door de overheid, wordt in het verdrag aangehaald als reden voor het toenemend aantal gevallen van manipulatie van sportwedstrijden.

Naast de aantasting van de integriteit van de sport leidt dit ook tot economische schade. Professionele sportwedstrijden zijn immers gebaat bij een onvoorspelbaarheid van resultaten. Een voorspelbare competitie zal geen kijkers, noch sponsors aantrekken.

Doelstelling

 De Macolin-conventie moet een antwoord bieden op bovenstaande, grensoverschrijdende problemen. Haar voornaamste doelstelling is om manipulatie van sportwedstrijden te voorkomen, op te sporen en te bestraffen.

Preventieve maatregelen

Een eerste luik van maatregelen is preventief van aard. De verdragspartijen dienen voorlichting, training en onderzoek ter bestrijding van de manipulatie van sportwedstrijden aan te moedigen.

Maatregelen t.a.v. sportorganisaties

Sportorganisaties worden aangemoedigd om zich zodanig te organiseren dat daden van competitievervalsing ontmoedigd worden, onder meer door belanghebbenden bij sportwedstrijden (bv. spelers) te verbieden om hieromtrent weddenschappen aan te gaan.

Wedstrijden waarbij het gevaar van manipulatie groter is dienen intensiever gemonitord te worden. Daarnaast moeten sportorganisaties een regeling voorzien waarin klokkenluiders bescherming krijgen. Ook formuleert het verdrag de aanbeveling om scheidsrechters zo laat mogelijk aan te duiden om een bepaalde wedstrijd te leiden. Op die manier tracht men de integriteit van de scheidsrechters te beschermen en te vermijden dat ze benaderd worden met de vraag om een sportwedstrijd te manipuleren.

Opdat een inbreuk op de interne regels m.b.t. de manipulatie van sportwedstrijden daadwerkelijk bestraft kan worden, moeten sportorganisaties voorzien in disciplinaire maatregelen. Een eventuele tuchtsanctie doet echter geen afbreuk aan de mogelijkheid om ook burgerrechtelijk of zelfs strafrechtelijk vervolgd te worden voor de manipulatie van een sportwedstrijd.

Maatregelen t.a.v. organisatoren van weddenschappen

De verdragspartijen moeten vervolgens maatregelen nemen m.b.t. de organisatoren van sportweddenschappen. Weddenschappen die betrekking hebben op sportwedstrijden voor minderjarigen worden verboden, net als weddenschappen die gericht zijn op sportwedstrijden van gering belang. Het risico op manipulatie is daarbij immers hoog.

Het moet voor exploitanten van sportweddenschappen onmogelijk gemaakt worden om te wedden op hun eigen producten. Daarnaast hebben verdragspartijen de verplichting om maatregelen te nemen die verhinderen dat een exploitant van sportweddenschappen misbruik maakt van zijn positie als sponsor. Ook dienen exploitanten verdachte weddenschappen te melden aan de bevoegde autoriteiten.

Verder moeten de partijen  in de mate van het mogelijke de toegang tot exploitanten van illegale sportweddenschappen beperken. Dit kan onder meer door hun website te blokkeren.

Oprichting van een nationaal platform

Het verdrag voorziet in de oprichting van een nationaal platform dat verantwoordelijk is voor de strijd tegen de manipulatie van sportwedstrijden. Het platform heeft als taak om informatie betreffende verdachte sportweddenschappen te verzamelen en te analyseren. Indien het dit nodig acht moet het platform deze informatie doorsturen naar de sportorganisatie in kwestie of de bevoegde autoriteiten. Het nationaal platform fungeert dus als centraal coördinatiecentrum voor de bestrijding van de manipulatie van sportwedstrijden.

Verder dient elke partij bij het verdrag ervoor te zorgen dat de manipulatie van sportwedstrijden ook strafrechtelijk beteugeld kan worden. Niet alleen de manipulatie zelf wordt geviseerd, maar ook het witwassen van de opbrengsten die eruit voortkomen.

 

De volledige tekst van de Macolin-conventie is hier terug te vinden: https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/rms/09000016801cdd7e

Meer informatie over de Macolin-conventie is hier terug te vinden: https://www.coe.int/en/web/sport/manipulation-of-sports-competitions

Voor meer informatie over wedstrijdvervalsing / matchfixing: https://www.sportadvocaten.be/matchfixing-wedstrijdvervalsing/ 

Matchfixing


De zaak Semenya – hyperandrogene atleten

De zaak Semenya

Op 30 april 2019 deed het Court of Arbitration for Sports (hierna: CAS) uitspraak in de zaak die door atlete Caster Semenya, samen met Athletics South Africa (hierna: ASA), was aangespannen tegen de International Association of Athletics Federations (hierna: IAAF). Het voorwerp van het geschil was de implementatie van het nieuwe het IAAF-reglement omtrent de deelname van hyperandrogene atletes aan vrouwencompetities.

Het is niet de eerste keer dat het CAS uitspraak doet over deze problematiek. Reeds in 2015 beschouwde het CAS een gelijkaardig reglement van IAAF als discriminatoir.

In 2018 stelde IAAF een volledig nieuw reglement op. De ‘Differences of Sex Development Regulations’ (hierna: DSD-regulations) houden in dat vrouwelijke hyperandrogene atletes met een testosteronniveau boven 5.0 nmol/L niet mogen deelnemen aan wedstrijden. Enkel de zogenaamde ‘restricted events’ worden geviseerd. Dit zijn een achttal atletiekdisciplines waarvan IAAF beweert dat hyperandrogene atletes er een te groot voordeel hebben t.o.v. niet-hyperandrogene atletes. Het gaat onder meer om de 400, 800 en 1500 meter. Atletes met een te hoog testosteronniveau hebben de keuze om 1) d.m.v. een behandeling hun testosteronniveau te doen dalen, 2) enkel deel te nemen aan nationale wedstrijden op lager niveau of 3) een aanvraag in te dienen om te mogen deelnemen aan de mannencompetitie.

Caster Semenya is een atlete met een natuurlijk testosteronniveau dat boven de grens van 5.0 nmol/l ligt. Bovendien is ze actief in de geviseerde disciplines. Zij ervaart de DSD-regulations echter als discriminerend en vocht ze aan bij het CAS.

 

Argumentatie partijen

Caster Semenya argumenteert dat er sprake is van discriminatie op basis van geslacht omdat de voornoemde regels enkel van toepassing zijn op vrouwelijke atleten. Bovendien worden enkel vrouwen met specifieke fysiologische kenmerken geviseerd. De regels zouden niet gesteund zijn op wetenschappelijk gronden, niet noodzakelijk zijn om een eerlijke competitie te garanderen en zouden ten slotte ongerechtvaardigde en onherstelbare schade berokkenen aan de getroffen atletes.

IAAF meent daarentegen dat de DSD-regulations noodzakelijk zijn om een eerlijk competitieverloop te garanderen en om een level playing field te creëren.

 

 Beslissing CAS

Het CAS stelt in eerste instantie vast dat de DSD-regulations wel degelijk discriminerend van aard zijn. Enerzijds ondervinden vrouwelijke atleten beperkingen die niet van toepassing zijn op mannelijke atleten, waardoor er sprake is van een discriminatie op basis van geslacht. Anderzijds worden er beperkingen opgelegd aan vrouwen met bepaalde biologische karakteristieken, in tegenstelling tot vrouwen die deze karakteristieken niet bezitten.

Een verschillende behandeling kan echter gerechtvaardigd worden wanneer ze noodzakelijk en redelijk is om een bepaald doel te bereiken en de ingezette middelen bovendien proportioneel zijn met dit doel.

Het CAS is van oordeel dat de DSD-regulations noodzakelijk zijn om een eerlijk competitieverloop te garanderen.

De indeling van een atlete in de mannen- of vrouwencompetitie dient volgens het CAS te gebeuren op basis van de concrete biologische kenmerken van de atlete in kwestie. Op die manier wordt vermeden dat vrouwen met buitengewone fysiologische kenmerken, die een significant competitief voordeel opleveren, zouden deelnemen aan competities waarin de concurrentie niet over deze voordelen beschikt. Op die manier hoopt men een eerlijk competitieverloop te garanderen.

Deze redenering volgend kan men vrouwen met een buitengewoon hoog testosteronniveau niet laten deelnemen aan vrouwencompetities, waarin de overgrote meerderheid van de deelneemsters een voor vrouwen normaal testosteronniveau heeft. Het CAS is van oordeel dat hyperandrogene atletes immers een significant en beslissend voordeel zouden genieten, zeker in de door de DSD-regulations geviseerde disciplines.

Het CAS stelt vervolgens dat de DSD-regulations redelijk en proportioneel zijn. Er wordt immers niet vereist dat vrouwen met een buitengewoon hoog testosteronniveau chirurgische ingrepen ondergaan. Een behandeling met oraal toegediende medicatie volstaat.

Het discriminatoir karakter van de DSD-regulations is dus gerechtvaardigd volgens het CAS.

Vanaf de kennisgeving van de beslissing hebben ASA en Caster Semenya 30 dagen om hoger beroep in te stellen bij de Zwitserse federale rechtbank. ASA heeft reeds aangekondigd dit te zullen doen.

De beslissing van het CAS leidt tot hevige discussies in sportmiddens.


Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 4/4)

Een voorstel van opleidingsvergoeding in lijn met het Europees recht

In het vorige deel werden de jurisprudentiële ontwikkelingen over de opleidingsvergoeding geschetst. Hieronder volgt een concrete lijst van criteria die uit de voormelde rechtspraak gedistilleerd kan worden en waaraan een systeem van opleidingsvergoedingen dient te voldoen om de toets van het Hof van Justitie te doorstaan.

Een eerste vaststelling is dat het Hof van Justitie een systeem van opleidingsvergoedingen niet a priori uitsluit. Een opleidingsvergoeding kan clubs wel degelijk aansporen om te investeren in jeugdopleiding. Het Hof van Justitie bevestigt meermaals dat de aansporing tot de opleiding van jonge spelers een legitiem doel is, gelet op het sociaal-economische belang van voetbal in de EU.

Een aantal noodzakelijke criteria

Wanneer men de eerder besproken arresten samen leest met de bijhorende conclusies van de advocaten-generaal komt men tot de volgende lijst van cumulatieve voorwaarden:

  1. Een opleidingsvergoeding is mogelijk na afloop van de opleidingsperiode bij het sluiten van een eerste profcontract bij een andere club dan de opleidingsclub.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient de werkelijke opleidingskost te dekken. Zowel advocaat-generaal Lenz in de zaak-Bosman als het Oberlandesgericht in de zaak-Wilhelmshaven stelt dat een opleidingsvergoeding niet berekend mag worden o.b.v. de marktwaarde van de speler in kwestie.

 

  1. Een proportioneel aandeel van de opleidingskosten van de spelers die geen prof werden, dient meegenomen te worden in de berekening van de opleidingsvergoeding. Advocaat-generaal Sharpston komt in de zaak-Bernard tot het besluit dat slechts een minderheid van de jeugdspelers in aanmerking komt voor een profcontract. Om deze minderheid zichtbaar te maken, moet een club echter een groot aantal spelers opleiden. De inspanningen voor één speler reiken m.a.w. verder dan zijn eigen opleiding. Het Oberlandesgericht stelt die voorwaarde om de onzekerheid over het verkrijgen van een opleidingsvergoeding, inherent aan een systeem dat gelinkt is aan de transfer van een speler, enigszins te milderen.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient evenredig verdeeld te worden over alle clubs die hebben bijgedragen aan de opleiding van de speler.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient evenredig verminderd te worden voor elk jaar waarin een speler na zijn opleiding bij de club blijft.

 

  1. Een systeem van opleidingsvergoedingen waarin de speler zelf moet instaan voor een deel van zijn vergoeding is mogelijk. In dat geval heeft het aandeel dat de speler moet betalen enkel betrekking op zijn eigen opleidingskosten en niet op het evenredig aandeel van de totale opleidingskost van de club, zoals uitgelegd in de tweede voorwaarde.

 

Een systeem van opleidingsvergoedingen waarin rekening gehouden wordt met bovenstaande elementen zou de geschiktheids- en proportionaliteitstoets van het Hof van Justitie kunnen doorstaan.

Zolang opleidingsvergoedingen echter gekoppeld zijn aan de internationale transfer van een speler vormen ze een belemmering van het vrij verkeer. Zoals gezegd zou een dergelijke belemmering gerechtvaardigd kunnen worden, maar dit brengt toch enige onzekerheid met zich mee.

Een alternatief mechanisme: revenue sharing

Om hieraan te verhelpen heeft de doctrine enkele alternatieve mechanismen ontwikkeld die het vrij verkeer van personen niet belemmeren.

Het meest besproken alternatief is een systeem van revenue sharing. Hierbij wordt geld verzameld in een fonds, waarna het verdeeld wordt over de clubs, afhankelijk van hun geleverde opleidingsprestaties.

Het typevoorbeeld van een dergelijk mechanisme is het jeugdfonds van Basketbal Vlaanderen. Hierin dient elke club een bijdrage te leveren waarvan de hoogte recht evenredig is met het niveau waarop de club actief is. Grotere clubs zullen dus meer inbrengen dan kleinere clubs, terwijl die laatste clubs er juist meer zullen uithalen. Op die manier werkt het systeem herverdelend. Daarnaast wordt de betaling van een vergoeding uit het fonds losgekoppeld van de transfer van een speler.

Een dergelijk mechanisme vormt geen belemmering van het vrij verkeer van personen.  Over de invoering van een soortgelijk systeem in de context van het voetbal rijzen nog enkele praktische vragen, die echter buiten het bestek van deze reeks vallen.

Besluit

Concluderend kan men stellen dat, hoewel de betaling van opleidingsvergoedingen een ingeburgerde praktijk is in het moderne voetbal, er juridisch een en ander op aan te merken valt. Doorheen de jaren heeft de rechtspraak de bestaande systemen van opleidingsvergoedingen bekritiseerd, maar tegelijkertijd criteria aangereikt om een systeem te ontwikkelen dat geschikt is om clubs aan te sporen te investeren in jeugdopleiding en dat tegelijkertijd proportioneel is tot dit doel.

Omdat een systeem gelinkt aan de transfer van een speler echter per definitie een belemmering van het vrij personenverkeer vormt, loont het om alternatieve mechanismen van opleidingsvergoedingen te overwegen.

 

 Vorige delen: Deel 1Deel 2 Deel 3