+32 9 334 94 70

december 2020

Monthly Archives

Lening voor sportclubs – sportnoodleningen – Corona

Persbericht: Sportnoodleningen om clubs door corona te helpen

Op 20 december 2020 publiceerde Minister van Sport Weyts een persbericht waarin werd meegedeeld dat er leningen ( sportnoodleningen ) konden worden verstrekt voor sportclubs in moeilijkheden. Het persbericht kan worden geconsulteerd (link).

Deze leningen voor sportclubs – sportnoodleningen genaamd – zouden maximum 1 miljoen euro bedragen met een maximale looptijd van 9 jaar met een interestvoet van 1%.

De vereiste is volgens het persbericht dat er door middel van een financieel plan wordt aangetoond dat er ingevolge de coronacrisis schade werd geleden door de sportclub, dat de sportclub voordien gezond was en dat de sportclub de capaciteiten heeft om de lening terug te betalen.

Men verwijst specifiek naar sportclubs die inkomsten zien wegvallen uit bijvoorbeeld ticketverkoop, horeca en tv-rechten en sportclubs die blijvende betalingen zoals afbetalingen voor sportinfrastructuur of uitbetalingen van lonen moeten uitvoeren.

Als verantwoording stelt men dat de private leningsmarkt niet altijd even gunstig is voor sportclubs.

Volgens het persbericht zou er vanaf 1 januari 2021 kunnen worden geleend.

De praktijk: concreet nieuws vanaf de 2e helft van januari 2021

Op basis van diverse inlichtingen blijkt dat er nog niet vanaf 1 januari 2021 door de sportclubs zal kunnen worden verzocht om een lening. Ook de concrete formaliteiten voor een aanvraag van een sportnoodlening of een lening voor sportclubs zijn nog niet bekend.

Volgens informatie van Sport Vlaanderen zal er vanaf de tweede helft van januari 2021 gecommuniceerd worden over de praktische invulling van deze sportnoodleningen. Er zal meer bepaald meer informatie volgen over (1) de wijze en de vorm van de aanvraag; (2) het tijdstip en de doorlooptijd van de aanvraag; en (3) de modaliteiten van de terugbetaling.

Er is inmiddels wel al bijkomend bekend dat deze lening voor sportclubs minimaal 50.000,00 EUR en maximaal 1.000.000,00 EUR zal bedragen, met zoals hierboven vermeld een rentevoet van 1% en een looptijd van 9 jaar.

De lening voor sportclubs kan gecombineerd worden met steun vanuit het Vlaams noodfonds aan de lokale overheden  en vanuit de subsidies van de sportfederaties en organisaties voor vriestijdsbesteding. Een combinatie met andere  Vlaamse steunmaatregelen zou niet mogelijk zijn.

Wat kan Everest Sport voor U betekenen?

Everest Sport volgt de verdere uitrol op en neem contact op met de nodige instanties om de precieze modaliteiten voor de aanvraag van deze lening voor sportclubs te achterhalen.

Wij zullen dan samen met U instaan voor de aanvraag en de opvolging.
Mits interesse adviseren wij U om nu reeds contact op te nemen.

 


Internationale Schaatsunie delft opnieuw onderspit – Mededingingsrecht

Een inleiding over mededingingsrecht

De zaak ISU / Europese Commissie die in het onderstaand artikel wordt besproken vindt zijn grondslag in het mededingingsrecht.
Het mededingingsrecht heeft als doelstelling om de vrije markt zoveel als mogelijk te beschermen.
Zij bevat tal van regels om vrije, onvervalste en eerlijke concurrentie te garanderen.

Praktijken die de vrij markt onrechtmatig verstoren vormen inbreuken op het mededingingsrecht.
Voorbeelden van dergelijke verboden praktijken zijn het maken van kartelafspraken tussen ondernemingen of ondernemingsverenigingen, het misbruik maken van een bepaalde machtspositie op een specifieke markt of misbruik maken van de economische afhankelijkheid van ondernemingen.

De belangrijkste rechtsregels dienaangaande vindt men in de Belgische wetgeving onder de artikelen IV.1 en IV.2 van het Wetboek Economisch Recht (WER) en in de Europese regelgeving onder de artikelen 101 en 102 van het Verdrag van de Werking van de Europese Unie (VWEU).

Zowat elke sportfederatie of sportvereniging dient als een onderneming te worden beschouwd en valt dus onder de toepassing van het mededingingsrecht.
De bekende beslissing inzake Walrave en Koch voor het Europees Hof van Justitie was daarin richtinggevend (HvJ, 36/74, Walrave en Koch, Jur. 1974, I, 1405, §4).

Vaak hebben sportfederaties een machtspositie in de organisatie van wedstrijden binnen hun sport en dienen zij dus omzichtig om te springen met deze machtspositie teneinde misbruik van de machtspositie en andere mededingingsrechtelijke verboden praktijken te voorkomen. Een marktaandeel van 50% in een specifieke markt, in casu de organisatie van een bepaald soort sportwedstrijden, is in de meeste gevallen immers voldoende om van een machtspositie te spreken. Machtspositie wordt in het WER omschreven als (art. I.6 WER):

“de positie die een onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen en het haar mogelijk maakt om zich, jegens concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen.”

 

Voorgeschiedenis: schaatsers dienen klacht in bij de Europese Commissie

Een bedrijf, Icederby International, had in 2014 een nieuw concept van schaatswedstrijden uitgewerkt waarbij men bekende schaatsers met hoge fees overtuigde om deel te nemen. Een eerste wedstrijd zou doorgaan in Dubai. De Internationale Schaatsunie (ISU) verleende echter geen toestemming.  De Internationale Schaatsunie (IUS) had daarnaast in haar regels opgenomen dat sporters hoge sancties riskeerden indien zij deelnamen aan ongeautoriseerde wedstrijden. Deze regel gold ook voor coaches, trainers en scheidsrechters. De ISU argumenteerde dat dit noodzakelijk was om de gezondheid en veiligheid van de sporters te beschermen.

Deze regel hield concreet in dat een schaatser (of ander lid) die deelnam aan een “niet-toegelaten” event (de ISU moet volgens haar regels immers elk schaatsevent erkennen) niet meer in aanmerking kwam om deel te nemen aan organisaties van de ISU.
In het geval van een schaatser was de mogelijke sanctie een levenslange schorsing.
Voor professionele schaatsers zou dit het einde van de carrière betekenen.

Aangezien de events van Icederby International niet erkend waren kon zij weinig of geen belangrijke schaatsers overtuigen om deel te nemen.
De schaatsers wensten immers het risico niet te lopen om geschorst te worden bij de ISU, niettegenstaande dat zij brood zagen in een extra manier om inkomsten te vergaren.

Twee schaatsers namen het voortouw om zich tegen deze regel van de ISU te verzetten.
Dit waren de bekende schaatsers Mark TUITERT en Niels KERSTHOLT.
Dit leidde onder meer tot een opvallende Twitter conversatie tussen TUITERT en EU-commissaris VESTAGER:

 

 

In juni 2014 werd finaal door beide schaatsers, geruggesteund door een aantal belangengroepen voor atleten, een klacht ingediend bij de Europese Commissie.

De Europese Commissie weerhoudt schending van het mededingingsrecht

Op 8 december 2017 nam de Europese Commissie een beslissing in de zaak. De link naar de beslissing vindt U hier.

De Europese commissie ging na in hoeverre deze regel van de ISU de concurrentiemogelijkheden op de markt van het schaatsen, en meer bepaald het organiseren van schaatswedstrijden, beperkte en of er hierdoor een schendig was van de artikelen 101 en/of 102 VWUE.

De Europese Commissie vond dat de regel geen ander doel had dan het voorkomen van atleten om deel te nemen aan niet-toegelaten wedstrijden.  De Europese Commissie vervolgde haar redenering en stelde dat hiermee concurrerende organisatoren de pas werden afgesneden.  Er werd besloten dat de toelatingsregels tot doel hadden de mededinging te beperken op de wereldwijde markt voor de organisatie en commerciële exploitatie van internationale schaatsevenementen.  Er was sprake van een inbreuk en de ISU moest haar regels aanpassen bij gebreke waaraan er een dwangsom zou worden opgelegd.

De regel om de deelname aan andere organisaties te verbieden was niet passend, en al zeker niet proportioneel, om de beweerde doelstelling van de ISU, zijnde het bewaken van de gezondheid en veiligheid van sporters, te bereiken. Er werd meer bepaald een schending van artikel 101 VWEU vastgesteld.

Het moest voortaan mogelijk zijn dat leden van de ISU ook konden deelnemen aan organisaties van derden.

De ISU deed aanpassingen aan haar reglement en ging tevens in beroep.

16/12/2020: het Gerecht van de Europese Unie bevestigt de beslissing van de Europese commissie

De Internationale Schaatsunie verzette zich tegen deze uitspraak van de Europese Commissie middels een beroep op 19 februari 2018.
De ISU verzocht de vernietiging van de beslissing van de Europese Commissie en argumenteerde dat de bewuste regel niet tot doel had om de mededinging in te perken.

Vandaag, 16 december 2020, heeft ook het Gerecht van de Europese Unie een beslissing genomen.
De integrale beslissing kan worden teruggevonden via deze link. Er is tevens een Nederlandstalig persbericht: link.
Het Gerecht herneemt de beslissing in die zin dat zij wederom een schending van artikel 101 VWEU weerhoudt en gaat op een aantal punten dieper in.
De ISU als organisator van wedstrijden oefent een economische activiteit uit en is tegelijkertijd ook een regulerend orgaan inzake de schaatssport.
Zij moet dus voldoende waarborgen en mogelijkheden voorzien dat derde partijen niet onrechtmatig verboden worden om wedstrijden in te richten waaraan evident ook schaatsers aangesloten bij de ISU, de enige erkende olympische federatie inzake ijsschaatsen, kunnen deelnemen.
Dit was met de bewuste regel, die overigens relatief vaag was omschreven, niet het geval.

Deze beslissing kan nog worden aangevochten bij het Europees Hof van Justitie.

Nuance vereist

Concreet moeten externe organisatoren in de mogelijkheid zijn om wedstrijden te organiseren en moeten leden van sportfederaties in de mogelijkheid zijn om deel te nemen aan activiteiten van externe organisatoren.

Het mededingingsrecht is echter complex.
Simpelweg stellen dat het opleggen van een verbod door een sportfederatie aan leden om deel te nemen aan niet-erkende wedstrijden een schending van het mededingingsrecht uitmaakt, is kort door de bocht.

Vanzelfsprekend is enige nuance noodzakelijk aangezien er onder bepaalde voorwaarden wel degelijk restricties aan derde-organisatoren zouden kunnen worden opgelegd.
Er moet in dit geval wel sprake zijn van een objectieve verantwoorde reden waarbij de regel bovendien proportioneel is met de doelstelling van de regel.
De restricties mogen vanzelfsprekend niet als doelstelling hebben om de mededinging op de markt van de organisatie van sportwedstrijden onrechtmatig te beperken.

Mogelijke consequenties voor andere sportfederaties

De beslissing van 8 december 2017  van de Europese Commissie  heeft geleid tot discussies binnen en over andere sportfederaties.
Ook heel wat andere sportfederaties hebben immers reglementen vergelijkbaar met deze van de ISU.
Een aantal federaties hebben inmiddels hun oude reglementen, al dan niet op basis van de beslissing van de Europese Commissie, aangepast.

De oude regel binnen de KBWB die stelde “er mag niet worden deelgenomen aan wedstrijden van nevenbonden” is bijvoorbeeld niet meer terug te vinden in de reglementen van de KBWB. De UCI heeft echter nog steeds onder “1.2.019” een regel over “verboden wedstrijden”.

Het valt te verwachten dat de nieuwe beslissing van het Gerecht van de Europese Unie van 16 december 2020 opnieuw druk zal doen ontstaan bij een aantal sportfederaties om hun regels aan het mededingingsrecht aan te passen.

Ook in België moet worden vastgesteld dat een groot aantal sportfederaties mogelijks reglementsbepalingen hebben die in navolging van deze beslissing in strijd zouden kunnen worden geacht met het mededingingsrecht.

Zo stelt de KBWB nog steeds dat

“Commissarissen in geen geval dienst mogen doen bij organisaties die niet zijn aangesloten bij Belgian Cycling, Cycling Vlaanderen of FCWB.”

Ook de Koninklijke Belgische Voetbalbond heeft bijvoorbeeld de volgende regel:

“Artikel B6.124 Het is aan de clubs van de KBVB verboden wedstrijden te spelen tegen niet-aangesloten, geschorste of geschrapte clubs. Iedere inbreuk wordt gestraft met een boete van 100,00 EUR tot 500,00 EUR.”

 


Toelichting in de Morgen – portretrechten – FIFA21 | Everest Sport

Advocaten Joris Deene, partner IP-recht, en Mathieu Baert, de verantwoordelijke voor het sportrecht-departement, hebben een aantal vragen beantwoord naar aanleiding van een artikel in De Morgen van 1 december 2020.

Het artikel gaat dieper in op de recente media-aandacht over de portretrechten van voetballers en meer bepaald het gebruik van de afbeeldingen van voetballers in het voetbalspel FIFA 21.  Deze media-aandacht is het gevolg van uitlatingen van Ibrahimovic en Bale over het feit dat zij hiervoor nooit toestemming, noch aan FIFPro, noch aan FIFA, zouden hebben gegeven.

Everest Sport ging reeds eerder dieper in op het concept van portretrechten in de sport (LINK).

Joris Deene verklaarde onder meer als volgt:

Bij voetballers ligt dat anders. In artikel 40 van de CAO Betaalde Voetballer staat dat voetballers hun club, competitie of nationale ploeg het recht geven om hun afbeelding te gebruiken in het kader van een wereldwijde actie. “Met andere woorden: Club Brugge of de Pro League kan een deal sluiten met EA Sports om ofwel de speler van Club Brugge of de spelers van de volledige Belgische competitie op te nemen in de game”, zegt Joris Deene, advocaat bij Everest Advocaten.

Mathieu Baert deelde het volgende mee:

“De laatste jaren is gebleken dat topvoetballers hun portretrechten op fiscaal voordelige wijze laten uitkeren”, zegt Mathieu Baert (Everest). “Het blijft dan ook een interessant onderdeel van hun bezoldiging.”

Het volledige artikel kan worden teruggevonden via de volgende link: https://www.demorgen.be/nieuws/waarom-stervoetballers-na-al-die-jaren-opeens-klagen-over-hun-digitaal-portret-in-fifa-games~bfcc9478/?utm_campaign=shared_earned&utm_medium=social&utm_source=copylink

Vragen over portretrechten? Aarzel niet om ons te contacteren: sport@everest-law.be of via het nummer +32 9 334 94  70.