+32 9 334 94 70

Mathieu Baert

Author Archives

Het Vlaams Dopingtribunaal wordt het Vlaams Sporttribunaal

Het Vlaams Sporttribunaal tegen grensoverschrijdend gedrag

Er komt een nieuw Vlaams Sporttribunaal. De Vlaamse Sportfederatie focust samen met Sport Vlaanderen en de Minister van Sport op het bestrijden van grensoverschrijdend gedrag. Om deze reden hebben zij zes beleidsmaatregelen geïmplementeerd bij de diverse sportfederaties.

Een van de zes beleidsmaatregelen is naast het invoeren van een tuchtreglement die grensoverschrijdend gedrag kan beteugelen het implementeren van een overkoepelend tuchtorgaan.

Hiertoe werd het bestaande Vlaams Dopingtribunaal op 8 juni 2020 gewijzigd in het Vlaams Sporttribunaal.

Het Vlaams Sporttribunaal zal vanaf 1 januari 2021 grensoverschrijdend gedrag kunnen onderzoeken en sanctioneren.

Juridische grondslag van het Vlaams Sporttribunaal tegen grensoverschrijdend gedrag

De juridische basis ligt vervat in het aangepaste decreet van 10 juni 2016 houdende de erkenning en subsidiëring van de georganiseerde sportsector en het aangepaste bijhorend besluit van 16 september 2016 van de Vlaamse regering tot vaststelling van de algemene erkennings- en subsidieringsvoorwaarden voor de georganiseerde sportsector.

Op 1 januari 2021 treedt de nieuwe versie in werking.

In het besluit van 16 september 2016 vinden we onder art. 7/1 volgende bepaling terug:

§ 1. Om in aanmerking te komen voor een algemene werkingssubsidie, voert de sportfederatie een integriteitsbeleid uit als vermeld in artikel 11, § 1, eerste lid, 3° /1, van het decreet van 10 juni 2016. In het kader daarvan neemt de sportfederatie maatregelen om het kwaliteitsbeleid, preventiebeleid en reactiebeleid op het vlak van de fysieke, psychische en seksuele integriteit van personen te verbeteren, om risico’s te verkleinen en om incidenten te voorkomen en correct af te handelen. De sportfederatie neemt minstens de volgende maatregelen, die ze implementeert en stimuleert in haar werking:

6° beschikken over een tuchtrechtelijk systeem, specifiek voor grensoverschrijdend gedrag, door:
a) in het tuchtreglement van de sportfederatie een rubriek over grensoverschrijdend gedrag op te nemen;
b) te beschikken over of door te verwijzen naar een tuchtrechtelijk orgaan dat beschermend en sanctionerend kan optreden;”

Indien sportfederaties zich met andere woorden niet aansluiten bij het Vlaams Sporttribunaal of geen eigen procedure inrichten, dreigen zij niet te kunnen beschikken over subsidies.

Wat doet het Vlaams Dopingtribunaal?

Het Vlaams Dopingtribunaal omschrijft haar doel en activiteiten als volgt:

“Het Vlaams Dopingtribunaal heeft als doel de aangesloten sportfederaties te ondersteunen bij de organisatie van disciplinaire procedures betreffende dopingpraktijken gepleegd door elitesporters en begeleiders in de zin van de Vlaamse antidopingregelgeving.”

Concreet beteugelt zij dopinginbreuken gepleegd door elitesporters van een groot percentage van de Vlaamse sportfederaties.

De amateursporters worden berecht door de Vlaamse disciplinaire commissie in de schoot van NADO Vlaanderen. Federaties zoals de Wielerbond zijn niet aangesloten.

Wat zal het Vlaams Sporttribunaal doen?

Dat de doelstelling erin bestaat om grensoverschrijdend gedrag zowel te onderzoeken (dit is nieuw t.o.v. het Vlaams Dopingtribunaal) als te berechten is wel duidelijk. Er zal worden gewerkt met een disciplinair openbaar ministerie (onderzoeksorgaan) en rechtelijke macht (tuchtorgaan). Dit is een vorm van tuchtrecht (link) waarover wij eerder al toelichting hebben gegeven.

De precieze contouren van de taken, de doelgroepen en de betrokken sportfederaties zijn nog onduidelijk. Sportfederaties zouden de keuze hebben tussen aansluiten bij het Vlaams Sporttribunaal of het zelf inrichten van een tuchtrechtelijke procedure. Het lijkt ons vanzelfsprekend dat ook hier alle rechten van verdediging zullen kunnen worden uitgeoefend zoals de inzage in het dossier, de bijstand van een advocaat, etc.

Aangezien er aan het Vlaams Sporttribunaal een vrij ruime invulling kan worden gegeven is het de vraag of er in de toekomst ook andere zaken dan deze van doping en grensoverschrijdend gedrag zullen kunnen worden behandeld.

 

 


Watersport tijdens het corona-virus kan volgens het Ministerieel Besluit

Sporten tijdens het corona-virus

In ons blogbericht van 26 maart 2020 gingen wij reeds uitgebreid in op de mogelijkheden om te sporten gelet op de maatregelen die werden genomen in het kader van het corona-virus. Wij stelden erg duidelijk dat het ons inziens enig relevant document het Ministerieel Besluit is.  De richtlijnen of de FAQ van het Crisiscentrum en de diverse verklaringen in de media hebben geen kracht van wet en zijn soms tegengesteld zijn aan het Ministerieel Besluit. Dit zorgt voor verwarring. Hier leest U onze blog.

Er is namelijk veel miscommunicatie over welke sporten mogen worden beoefend en welke sporten niet mogen worden beoefend . Alwaar initieel enkel wandelen, lopen en fietsen werd vermeld, werd dit op 6 april 2020 uitgebreid met een aantal bijkomende activiteiten zoals skateboarden of skeeleren.

Ons inziens is het Ministerieel besluit, hetgeen in tegenstelling tot de richtlijnen van het crisiscentrum juridisch bindend is, veel ruimer.
Elke individuele fysieke activiteit is toegelaten. Dit houdt ons inziens ook individueel basketballen, stretchen en elke andere individuele sportbeoefening in.
Het Ministerieel Besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken voorziet in art. 8 – dat stelt dat men moet thuisblijven – in de uitzondering dat situaties onder art. 5, alinea 2 wel toegelaten zijn.
Art. 5, alinea 2 staat het volgende toe:

de beoefening van een individuele fysieke activiteit of met de familieleden die onder hetzelfde dak wonen of telkens een zelfde vriend, dit alles met respect van een afstand van 1,5 meter tussen elke persoon

Er worden geen andere beperkingen opgelegd.

Is watersport (bv. kajak of roeien) tijdens het corona-virus toegelaten?

Het Ministerieel Besluit is duidelijk en is thans het enig bindend document. Elke individuele fysieke activiteit is toegelaten.
Nergens wordt een uitzondering voorzien dat het beoefenen van een watersport zoals kajak of roeien zou verboden zijn.
De eventuele beperkingen opgelegd door het Crisiscentrum hebben ons inziens geen bindende kracht en zijn slechts van toepassing voor zover ze in lijn zijn met het Ministerieel Besluit.

Tot onze verbazing wordt op de website van de FOD Mobiliteit meegedeeld dat brandingssporten en watersporten verboden zouden zijn ingevolge het Covid-19 virus:
https://mobilit.belgium.be/nl/nieuws/nieuwsberichten/2020/covid_19_vaarverbod_pleziervaart_en_verbod_op_brandingsporten
Ook veel sportfederaties hebben deze interpretatie navolging gegeven.
Wij deden navraag bij de FOD Mobiliteit en nu blijkt dat dit verbod niet gestoeld is op een externe bijkomende beslissing, doch dat dit een vertaling betreft van de huidige FAQ en richtlijnen uitgevaardigd door het Crisiscentrum en te raadplegen op https://www.info-coronavirus.be/nl/faq/  :

 

 

 

 

Gelet op onze analyse die hierboven werd gemaakt dienen wij echter opnieuw te besluiten dat deze vermelding op de website van het Crisiscentrum geen kracht van wet heeft en dat moet nagegaan worden of dit verbod op watersporten (kajak / roeien) kan worden afgeleid uit het Ministerieel Besluit (of een ander wetgevend document).
Dit is niet het geval voor wat betreft het Ministerieel Besluit en wij hebben geen weet, zelfs niet na navraag, van enig ander wetgevend document dienaangaande.

Roeien, kanovaren, kajakken, zeilen, suppen, windsurfen en andere watersporten kunnen ons inziens dan ook niet verboden worden op basis van het Ministerieel Besluit.

Er kan uiteraard steeds een proces-verbaal worden opgesteld. Het zal uiteindelijk evenwel aan de rechter toekomen om na te gaan in hoeverre het uitoefenen van deze watersporten (kajak / roeien) conform is met de individuele fysieke activiteit  zoals vastgelegd in het Ministerieel Besluit. Wij menen dat de kans erg reëel is dat de rechter zal oordelen dat watersport – in zoverre het effectief een fysieke individuele activiteit is – een toegelaten individuele fysieke activiteit is.

Disclaimer

Wij zijn juristen en doen dus geen uitspraken over de al dan niet noodzakelijkheid van het ene of gene verbod.
Wij zijn wel van mening dat de wet duidelijk moet zijn en dat de burger in staat moet zijn om op een eenvoudige wijze de wetgeving te begrijpen.
Als er verboden worden in het leven geroepen is het van het allergrootste belang dat deze wettelijk, zij het via een aanpassing van het Ministerieel Besluit, worden vastgelegd.
Op een website gepubliceerde richtlijnen zijn geen wetgevende documenten.
Dit is een noodzakelijkheid voor de algemene rechtszekerheid, een basisprincipe in onze rechtstaat.


Sporten tijdens het corona virus: juridische do’s and don’ts (08/04/2020)

Kan ik sporten onder de huidige corona maatregelen?

Algemeen

Sinds 18 maart 2020 12h en dit tot minstens 5 april 2020 heeft de regering speciale maatregelen in het leven geroepen om de verspreiding van het Covid-19 virus, ook wel het corona virus genoemd, te beperken.

Deze maatregelen – ook wel de lockdown genoemd – zijn belangrijk en moeten nagevolgd worden.
Het is niettemin belangrijk om als (recreatieve) sporter te weten welke de juridische contouren van deze maatregelen zijn.
Wat mag en wat mag niet? Mag ik lopen, fietsen, wandelen, skeeleren of skateboarden? Er blijkt nog veel verwarring te bestaan.

Het huidig ministerieel besluit waarop U (en iedereen) zich moet baseren is het Ministerieel Besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken:  http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&caller=summary&pub_date=2020-03-23&numac=2020030347#top 

Artikel 8

Het eerste artikel dat in dit opzicht dient te worden geanalyseerd is het artikel 8 van het Besluit dat stelt:

“De personen zijn ertoe gehouden thuis te blijven. Het is verboden om zich op de openbare weg en in openbare plaatsen te bevinden, behalve in geval van noodzakelijkheid en omwille van dringende redenen zoals:”

Iedereen moet thuis blijven en het is verboden om zich op een openbare weg of openbare plaats te begeven.

Dit geldt niet als er sprake is van een noodzakelijkheid of een dringende reden.
Elke noodzakelijkheid of dringende reden is derhalve voldoende om zich op de openbare weg of de openbare plaats te begeven.
Dit is niet beperkt tot de hieronder opgesomde voorbeelden.

Vervolgens geeft men een aantal voorbeelden die hieronder kunnen worden begrepen.
Dit  betreft onder meer het zich begeven tot bankautomaten of het zorgen voor oudere mensen:

“- zich te begeven van en naar de plaatsen waarvan de opening toegelaten is op basis van de artikelen 1 en 3;
– toegang te hebben tot bankautomaten en postkantoren;
– toegang te hebben tot medische zorgen;
– om bijstand en zorgen te voorzien voor oudere personen, voor minderjarigen, voor personen met een handicap en voor kwetsbare personen;
– het uitvoeren van de professionele verplaatsingen, met inbegrip van het woon-werkverkeer.
– Situaties bedoeld in artikel 5, alinea 2.”

Voor de sporters en atleten onder ons is art. 5, alinea 2 van groot belang.

Een kanttekening die dient te worden gemaakt  is dat deze voorbeelden ons inziens enkel gelden voor zover ze noodzakelijk zijn.
Diverse malen op één dag naar de bankautomaat gaan lijkt ons bijvoorbeeld niet toegestaan.

Artikel 5, alinea 2

In artikel 5, alinea 2 van het Ministerieel Besluit worden twee bijkomende voorbeelden gegeven van wat wordt beschouwd als zijnde noodzakelijk genoeg om zich op de openbare weg te begeven:

“- activiteiten in intieme of familiale kring en begrafenisceremonies;
– Een buitenwandeling met de leden van de familie die onder hetzelfde dak wonen vergezeld met een andere persoon, de beoefening van een individuele fysieke activiteit of met de familieleden die onder hetzelfde dak wonen of telkens een zelfde vriend, dit alles met respect van een afstand van 1,5 meter tussen elke persoon.”

Het laatste voorbeeld is belangrijk voor de sporters onder ons.

Welke fysieke activiteiten zijn toegelaten en met wie?

Een buitenwandeling

Een eerste element dat als noodzakelijk wordt beschouwd, is een buitenwandeling.

De buitenwandeling is niet gedefinieerd, maar spreekt ons inziens voor zich.

Ons inziens betekent dit dat enkel wandelen is toegelaten en dat het stilzitten op een publieke bank of op een grasveld dan weer niet toegelaten is.

Deze buitenwandeling is toegelaten met zowel de leden van de familie die onder hetzelfde dak wonen als met een andere persoon.

Deze definiëring is anders dan bij de fysieke activiteit (onderstaand) en betekent dat “familie onder hetzelfde dak” en “een andere persoon” mogen worden gecombineerd tijdens eenzelfde wandeling.

Let op: een huisgenoot wordt ons inziens niet per definitie aanzien als een lid van de familie die onder hetzelfde dak woont.
Dit betekent bijvoorbeeld dat drie personen die samenwonen maar geen familie zijn niet met drie samen mogen gaan wandelen.

Een fysieke activiteit

Het tweede element dat als een toegelaten noodzakelijk voorbeeld wordt beschouwd is de beoefening van een individuele fysieke activiteit.

De bewoording “individuele fysieke activiteit” is vaag en behelst ons inziens veel. Naast de klassiekers als lopen, fietsen en skeeleren houdt dit in principe elke andere fysieke activiteit in die alleen beoefend kan worden en waarbij 1,5m afstand kan worden gehouden met andere personen.

Buiten stretchen in een park, aerobics in een park, skateboarden op een parking of jongleren zijn volgens ons allen toegelaten individuele fysieke activiteiten.
Volleybal of basketbal met twee personen is dan weer niet toegelaten volgens ons en dit omdat dit geen “individuele” fysieke activiteit betreft.

In tegenstelling tot bij de buitenwandeling moet hierbij een keuze van partners worden gemaakt.
Of men kiest om eenzelfde fysieke activiteit uit te voeren met familieleden die onder hetzelfde dak wonen (twee, drie of meerdere personen) of met een vriend.
De combinatie kan niet en de externe vriend dient altijd dezelfde te blijven.

Hoever of hoelang mag ik wandelen, lopen of fietsen?

In de media werden vandaag, 26 maart 2020, berichten verspreid als zijnde dat het zou verboden zijn om “grotere afstanden (+40 of +50km)” af te leggen bij deze buitenwandelingen of andere fysieke activiteiten.

Alwaar uit het ministerieel besluit kan worden afgeleid dat het voertuig niet kan worden gebruikt om zich te verplaatsen naar een plaats om aldaar een buitenwandeling of fysieke activiteit uit te voeren, wordt de afstand van de fysieke activiteit niet bepaald.

Op basis van het huidig ministerieel besluit lijkt het ons perfect verdedigbaar dat men grotere afstanden mag fietsen of wandelen dan de in de media aangegeven 40 of 50km.

Het enig argument waarop zou kunnen worden beroep gedaan voor deze beperking is de term “noodzakelijkheid” in art. 8.
De voorbeelden zijn ons inziens immers enkel toegelaten voor zover ze noodzakelijk (en dringend) zijn.
Door de voorbeelden in het ministerieel besluit toe te voegen mag er evenwel vanuit gegaan worden dat ze noodzakelijk en dringend zijn.
De vraag die evenwel kan gesteld worden is of dit dan ook ongelimiteerd is.
Men zou een beperkte wandeling of fysieke activiteit als noodzakelijk kunnen beschouwen en een lange wandeling of fysieke activiteit als niet-noodzakelijk kunnen beschouwen.
Gelet op het gebrek aan definiëring en correcte afbakening lijkt ons de rechtszekerheid hiermee in het gedrang te komen en lijkt deze argumentatie juridisch niet overeind te kunnen blijven.

Wat met de toekomst (tijdens en na corona)?

Het is uiteraard mogelijk dat er in de (nabije) toekomst beslist wordt om de maatregelen in het kader van de corona-crisis uit te breiden en te verscherpen.

In dit geval lijkt het ons wel mogelijk om verdere beperkingen op te leggen.

Mocht U ondanks voormelde informatie alsnog een proces-verbaal ontvangen mag U steeds met ons contact opnemen.

 

Sportadvocaten.be wenst er evenwel op te wijzen dat de gezondheid van Uzelf en uw omgeving voorop staat.
Sporten is gezond maar doe dit op een verantwoorde wijze, respecteer de maatregelen en blijf naast het sporten zoveel als mogelijk thuis.
Alleen op deze wijze geraken wij van het corona / covid-19 virus vanaf.
Wij menen niettemin dat de maatregelen voor iedereen duidelijk en begrijpbaar moeten zijn. 


Gebrek aan onafhankelijkheid binnen Turkse Voetbalbond volgens het EHRM

Het EHRM spreekt zich uit over sportarbitrage

Binnen het sportrecht is het vrij uitzonderlijk dat hetEHRM zich uitspreekt over procedures binnen sportfederaties of binnen sport-specifieke rechtsorganen zoals het CAS of het BAS.
Tegelijk is er vaak veel kritiek over de werking van arbitrageorganen of tuchtorganen binnen sportfederaties of disciplinaire organen mede-georganiseerd door sportfederaties.
Deze kritiek handelt vaak over de onafhankelijk en onpartijdigheid van deze organen.

Op 2 oktober 2018 was er een belangrijke beslissing in de zaak Pechstein / Mutu, onder meer inzake de onafhankelijkheid van het CAS.
Het EHRM oordeelde dat het CAS moet voldaan aan alle voorwaarden die noodzakelijk zijn om atleten een eerlijk proces conform het EVRM te garanderen.
Het EHRM oordeelde vervolgens, hetgeen bij sommige partijen tot applaus en bij sommige partijen tot sterke kritiek leidde, dat de procedure van het CAS onder meer wat betreft de onafhankelijkheid en onpartijdigheid voldoet aan het EVRM.
Er werd wel geoordeeld dat er een schending was van art. 6§1 EVRM wegens het feit dat de zittingen niet openbaar waren.
Over deze zaak verschenen reeds twee blogberichten: link 1link 2 .

Ook over geschillenbeslechting (link) , en meer specifiek over tucht (link)  en arbitrage (link)  in de sport verschenen reeds blogberichten.

Op 28 januari 2020 heeft het EHRM zich opnieuw uitgesproken, ditmaal over de geldigheid van de arbitragecommissie binnen de Turkse Voetbalfederatie.

De beslissing van het EHRM van 28 januari 2020 inzake de Turkse Voetbalfederatie

Op 28 januari 2020 heeft het EHRM geoordeeld dat er sprake is van een schending van artikel 6§1 van het EVRM, zijnde het recht op een eerlijk proces, wegens het gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het Arbitrage Comité van de Turkse Voetbalfederatie.

De beslissing (link) en een persbericht (link) werden gepubliceerd.

De procedure werd opgestart op basis van diverse klachten, onder meer naar aanleiding van een dispuut van de voetballer Mr. Riza over zijn contract, een dispuut van de scheidsrechter Mr. Akal over een degradatie en een veroordeling van amateurvoetballers inzake match-fixing. Zij waren allen van oordeel dat het Arbitrage Comité van de Turkse voetbalbond onvoldoende onafhankelijk en onpartijdig was.

De klacht van de amateurvoetballers werd door het Hof niet weerhouden, onder meer gelet op het feit dat hun professionele activiteit geen gevaar liep nu zij geen professionele voetballers waren en er geen concrete geldelijke schade was.
De overige klachten werden wel als gegrond beschouwd.

Het EHRM is van oordeel dat het uitvoerend orgaan van de Turkse Voetbalfederatie een te grote invloed heeft op de organisatie en het functioneren van het Arbitrage Comité.
Het uitvoerend orgaan betreft de board of directors en bestaat grotendeels uit leden van de diverse voetbalclubs.
Belangrijk is de stipulatie van het EHRM dat het problematisch is dat diegenen die andere belangen dan deze van de clubs vertegenwoordigen in de minderheid zijn binnen deze board of directors.
Zij hebben niet alleen een grote invloed op het functioneren van dit Arbitrage Comité maar duiden ook zelf de leden aan.
Er waren ook niet voldoende mechanismen om de leden van het Arbitrage Comité te beschermen tegen druk van buitenaf.
Het Hof bekritiseert onder meer dat de leden van het Arbitragecomité niet waren gebonden door regels met betrekking tot hun professioneel optreden, dat deze leden geen belangenconflicten moesten meedelen en dat de leden geen eed of verklaring voorafgaand hun optreden moesten afleggen.

Om de voormelde redenen was het Hof van oordeel dat de onafhankelijk en onpartijdigheid van het Arbitrage Comité niet gegarandeerd was  en heeft het Hof tot een schending van het recht op een eerlijk proces (art. 6§1 EVRM) besloten.

Belangrijk hierbij was dat het Hof van mening was dat het een systematisch probleem betreft bij het regelen van voetbaldisputen in Turkije.
Het EHRM besluit vervolgens op basis van art. 46 van het Verdrag dat de overheid maatregelen moet ondernemen om een structurele onafhankelijkheid van het Arbitrage Comité van de Turkse voetbalbond te garanderen.

 

De gevolgen voor andere sportfederaties en hun tochtorganen

De inhoud van de beslissing zal ongetwijfeld gebruikt worden door advocaten in procedures voor arbitrageorganen en tuchtorganen van andere sportfederaties.

Sportfederaties en hun tuchtorganen zullen er zich moeten van verzekeren dat hun tuchtorgaan voldoende onafhankelijk en onpartijdig is.

Veel sportfederaties hun raden van bestuur zijn samengesteld uit club-verantwoordelijken, hetgeen kan worden bekritiseerd op basis van dit arrest indien zij zelf de tuchtorganen organiseren en samenstellen.

Veel, veelal kleine sportfederaties, hebben arbitrage- en tuchtorganen waarbij de leden niet alleen zijn aangeduid op een weinig transparantie wijze  door de  Raad van Bestuur, maar waarbij de leden soms zelf bestaan uit de leden van de raad van bestuur.
Gelet op voormelde uitspraak lijkt dit laatste absoluut uitgesloten te zijn als er geen mogelijkheid is om hoger beroep aan te tekenen bij een volstrekt onafhankelijk orgaan.

Ook burgerlijke rechtbanken zullen zich mogelijks meer gesterkt voelen om in te grijpen bij bepaalde interne beslissingen van sportfederaties en sportclubs, hierbij verwijzend naar deze nieuwe rechtspraak van het EHRM.

 

De aanzet van het persbericht van het EHRM:

EHRM

 

 

 

 

 

 

 


Everest Sport treedt op in mededingingsgeschil – De Tijd

Advocaten Floortje Buyssens en Mathieu Baert treden op in het kader van een procedure inzake mededinging voor de Belgische Mededingingsautoriteit voor een producent van biljartballen. De producent verzet zich tegen schendingen van de mededinging gepleegd door een biljartfederatie. De federatie in kwestie had in het kader van een sponsorovereenkomst de exclusiviteit omtrent het gebruik van biljartballen toegewezen aan één specifieke producent. De Mededingingsautoriteit oordeelde prima facie dat ook sportfederaties en sportclubs gebonden zijn door het mededingingsrecht. Zij oordeelde verder prima facie dat het verplicht gebruik doorheen de sportclub of sportfederatie van een specifiek merk van sportgerief zonder voorafgaande tender een schending zou kunnen opleveren van het mededingingsrecht.

Er zou met andere woorden sprake zijn van een restrictieve mededingingspraktijk. Restrictieve mededingingspraktijken verwijzen naar de anti-concurrentiële gedragingen van ondernemingen op een markt om het vrije spel van de mededinging te vervalsen. Mededinging wordt ook wel concurrentie genoemd.

Om deze reden dient de regel die het verplicht gebruik oplegt van de welbepaalde biljartballen te worden geschrapt en dient de federatie een alternatief uit te werken. Het persbericht van de Belgische Mededingingsautoriteit vindt U via de volgende link: https://www.bma-abc.be/sites/default/files/content/download/files/20200124_persbericht_5_bma.pdf

Onderstaand kunt U een uittreksel uit het artikel in De Tijd terugvinden.
Het volledige artikel vindt U terug op volgende link: https://www.tijd.be/content/tijd/nl/mme-articles/10/20/22/47/10202247

Belgische biljartballenreus Saluc onder vuur

mededinging

 

 

 

 

 

 

 


De “Wet van 78” – ontslagregeling voor sporters

Het gebruik van de ‘Wet van 78’

Tijdens de Belgische transferperiodes wordt er in de media regelmatig verwezen naar de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (hierna: wet van 78).

Bekende voetballers die gebruik maakten van de wet van 78 zijn onder meer Steven Defour, Andres Mendoza, Davy De Beule, Koen Casteels en recent Junior Malanda.

Deze wet regelt een aantal specifieke sport-gerelateerde kwesties die afwijken van de gewone Arbeidsovereenkomstenwet. Deze wet voorziet onder  meer in een bijzondere ontslagregeling voor betaalde sportbeoefenaars. Indien een club niet wilt meewerken met de overgang van een speler naar een andere club, dreigt de speler er soms mee om op grond van deze wet zijn arbeidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen. In ruil hiervoor moet de speler een opzegvergoeding betalen. Aangezien de opzegvergoeding in veel gevallen lager is dan een mogelijke transfersom, wensen clubs de wet van 78 zo weinig mogelijk toe te passen.

In deze bijdrage worden de basisprincipes van de wet toegelicht.

Toepassingsgebied van de “Wet van 78”

De wet van 78 is van toepassing op de betaalde sportbeoefenaar, mits deze jaarlijks een bepaald minimumloon ontvangt. Dit minimumloon wordt bepaald bij Koninklijk Besluit en bedraagt voor de jaren 2019-2020 10.612 euro. Daarnaast is het toepassingsgebied uitgebreid tot ook trainers en scheidsrechters.

Een betaalde sportbeoefenaar wordt gedefinieerd als een persoon die de verplichting aangaat zich voor te bereiden of deel te nemen aan een sportcompetitie of -exhibitie onder het gezag van een ander persoon. Voetballers staan onder het gezag van hun club en kunnen dus van de wet gebruikmaken. Ook andere professionele sporters vallen binnen het toepassingsgebied van de wet. Omdat er in andere sporten slechts zelden wordt gewerkt met transfersommen, wordt de wet en de ontslagregeling  niet vaak in andere sporten als drukkingsmiddel gebruikt. Een bekend voorbeeld van een niet-voetballer die gebruik maakte van de wet van 78 is de wielrenner Frank Vandenbroucke en dit om zijn overgang naar Mapei in 1994 af te dwingen.

Ook de werkgever van een betaalde sportbeoefenaar (of trainer of scheidsrechter) kan zich op de wet beroepen.

De ontslagregeling in de “Wet van 78”

Het zwaartepunt van de wet betreft de mogelijkheid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de betaalde sportbeoefenaar.

In het merendeel van de gevallen wordt er tussen de betaalde sportbeoefenaar en de werkgever een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten. Indien één van de partijen voor het einde van de termijn de arbeidsovereenkomst verbreekt, zonder een dringende reden op te geven, dan heeft de benadeelde partij recht op een opzegvergoeding.

Deze is gelijk aan het loon dat verschuldigd is voor de resterende duurtijd van de arbeidsovereenkomst.

De wetgever heeft echter een bovengrens ingesteld in functie van het bruto jaarloon van de betaalde sportbeoefenaar. Een opzegvergoeding mag immers niet meer bedragen dan het dubbel van de bedragen bepaald in het KB van 13 juli 2004. Onderstaande tabel geeft de actuele geïndexeerde bedragen weer. De onderstaande tabel heeft in principe betrekking op de vergoeding die dient betaald te worden bij het onrechtmatig verbreken van een overeenkomst van onbepaalde duur. Ze wordt echter ook gebruikt als bovengrens bij de berekening van de vergoeding bij een verbreking van een contract van bepaalde duur.

Jaarlijks loon Verbrekingsvergoeding = lopend loon en voordelen verworven krachtens de overeenkomst overeenstemmend met:
≤ 19.541,12 EUR
  • 4,5 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt tijdens de eerste twee jaar na aanvang van deze overeenkomst
  • 3 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt vanaf het derde jaar na aanvang van deze overeenkomst

 

> 19.541,12 EUR en ≤ 31.863,33 EUR
  • 6 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt tijdens de eerste twee jaar na aanvang van deze overeenkomst
  • 3 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt vanaf het derde jaar na aanvang van deze overeenkomst

 

> 31.863,33 EUR en ≤ 42.484,45 EUR 6 maanden
> 42.484,45 EUR en ≤ 127.453,36 EUR 12 maanden
> 127.453,36 EUR 18 maanden

 Een illustratie:

Speler X tekent een arbeidsovereenkomst voor een duur van vijf jaar met club Y. Na zes maanden verbreekt speler X de arbeidsovereenkomst zonder een dringende reden op te geven. Speler X verdient jaarlijks 130.000 euro, wat neerkomt op 10.833,33 euro per maand.

De opzegvergoeding, verschuldigd door speler X, bedraagt in principe 585.000 euro (loon voor resterende duurtijd). Met toepassing van het KB van 13 juli 2004 bedraagt de opzegvergoeding echter ten hoogste twee keer 18 maanden loon. Speler X bevindt zich immers in de hoogste categorie (>127.453,36 euro). De opzegvergoeding bedraagt m.a.w. 390.000 euro (36 keer 10.833,33 euro).


Rechtspersonenbelasting voor sportclubs

Wat is de rechtspersonenbelasting?

De rechtspersonenbelasting is een belasting op bepaalde inkomsten van de VZW, meer bepaald met betrekking tot onroerende, roerende en diverse inkomsten.

In principe dienen de normaal gemaakte winsten, zoals de opbrengsten van een kaartavond, om de VZW te financieren niet te worden aangegeven.

In veel gevallen zal de sportclub of sportfederatie een blanco aangifte kunnen doen.

Welke sportclubs of sportfederaties moeten deze aangifte doen?

De rechtspersonenbelasting is enkel van toepassing op VZW’s.

Alle sportclubs of sportfederaties onder de vorm van een VZW moeten in principe deze aangifte doen.

Er zijn enkele uitzonderingen voor bepaalde VZW’s zoals deze met aanzienlijke inkomsten of met een nijverheids-, handels- of landbouwactiviteit.
Zij zijn onderhevig aan de vennootschapsbelasting.

Sportclubs die geen VZW maar een NV of BV zijn dienen andere belastingaangiftes, zoals de vennootschapsbelasting, in te dienen.

Ook in het geval uw sportclub of sportfederatie, als VZW, geen belastbare inkomsten heeft moet er een (blanco) aangifte van rechtspersonenbelasting worden neergelegd.

Zelfs in het geval uw sportclub of sportfederatie, als VZW, niet meer actief is  (maar niet ontbonden is) dient zij de aangifte van rechtspersonenbelasting neer te leggen.

Hoe doe ik als sportclub of sportfederatie mijn aangifte?

De aangifte van de rechtspersonenbelasting kan digitaal.

Dit gebeurt via de overheidswebsite Biztax via volgende link: https://financien.belgium.be/nl/E-services/biztax

Naast de belastingbrief, dient men ook de jaarrekening en het proces-verbaal van de algemene vergadering toe te  voegen als bijlage.

Zorg ervoor dat U alle inkomsten en uitgaven kunt staven met bewijsstukken.

Volgende twee linken kunnen U op weg helpen: https://www.formaat.be/assets/2483 (powerpoint) en https://financien.belgium.be/sites/default/files/downloads/162-stapsgewijs-een-aangifte-indienen-2017.pdf  (pdf).

Tegen wanneer moet de rechtspersonenbelasting worden aangegeven?

In principe diende de aangifte te gebeuren op uiterlijk 17 september 2019. Door technische problemen werd de deadline tweemaal uitgesteld.

Momenteel dient de aangifte ten laatste te gebeuren op 14 oktober 2019 om middernacht.

Wat zijn de gevolgen indien ik de rechtspersonenbelasting niet aangeef?

Indien er geen aangifte wordt neergelegd volgt er een forfaitaire belasting van 625,00 EUR, eventueel aangevuld met een boete.

Mogelijks kunnen de bestuurders hiervoor persoonlijk aansprakelijk gesteld worden.

Verdere vragen? Aarzel niet om ons te contacteren via het nummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be

rechtspersonenbelasting


De sportclub en het UBO-register

Wat is het UBO-register?

Het UBO-register is een gevolg van een Europese Richtlijn en de hieruit ontstane Belgische Wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik in contanten.

Op basis hiervan trad op 31 oktober 2018 hetKoninklijk Besluit van 30 juli 2018 in werking dat de modaliteiten van het zogenaamde UBO-register regelt. UBO staat voor Ultimate Beneficial Owner of de Uiteindelijke Begunstigde Eigenaar.

Het komt er concreet op neer dat de FOD Financiën een centraal register heeft aangemaakt waarin alle ondernemingen de identiteit moeten opgeven van de “uiteindelijke begunstigden” van de onderneming en dit ter voorkoming van witwassen en de financiering van terrorisme. Op deze manier krijgen de bevoegde instanties, zoals de politiediensten en de fiscus, meer inzicht in de vennootschappen, hun eigenaars en de geldstromen.

Welke sportclub moet het UBO-register  invullen?

Alle rechtspersonen, waaronder vennootschappen, VZW’s en stichtingen, moeten het UBO-register invullen.

Alle sportclubs of sportfederaties die opereren onder de vorm van een VZW zullen het UBO-register dienen in te vullen.

Ook grotere sportorganisaties die werken via een NV, zoals een aantal grote voetbalclubs, zullen het UBO-register moeten invullen.

Wat met de sportclub als feitelijke vereniging?

Sportclubs die opereren onder de vorm van een feitelijke vereniging dienen het UBO-register niet in te vullen.

Feitelijke verenigingen zijn immers geen rechtspersonen.

Wat moet er ingevuld worden?

De “uiteindelijke begunstigden” moeten worden ingevuld . Het gaat meer bepaald om de volgende categorieën:

  • De leden van de Raad van Bestuur;
  • De personen die gemachtigd zijn om de sportclub of sportfederatie te vertegenwoordigen;
  • De personen die het dagelijks bestuur van de sportclub of sportfederatie uitoefenen;
  • De stichters van een stichting (dit is in principe niet van toepassing op een sportclub/sportfederatie);
  • De (categorie van) natuurlijke personen in wier belang de vereniging werd opgericht (voor sportclubs of sportfederaties mag dit algemeen worden aangeduid, bv. alle sportbeoefenaars van de sportclub);
  • Elke andere natuurlijke persoon die via andere middelen uiteindelijke zeggenschap heeft over de sportclub of sportfederatie.

Van deze personen dient de naam, voornaam, geboortedatum, nationaliteit, verblijfplaats, rijksregisternummer, de datum waarop men “uiteindelijke begunstigde” is geworden en  de UBO-categorie (zie hierboven) te worden ingevuld.

Hoe doet de sportclub haar aangifte?

De aangifte gebeurt via de website van de FOD Financiën (https://eservices.minfin.fgov.be/myminfin-web/).

Hou hiervoor uw ondernemingsnummer bij de hand.

De FOD Financiën heeft een specifieke handleiding en video voor wat betreft de VZW :  Handleiding:  https://financien.belgium.be/sites/default/files/Wettelijke_Vertegenwoordiger_VZW_0.pdf
Video: https://www.youtube.com/watch?time_continue=3&v=xv5rwG1W8jA 

Wat is de uiterlijke deadline?

Theoretisch dient de aangifte via het platform van de FOD Financiën uiterlijk 30 september 2019 te zijn doorgevoerd.
Het is dan ook aan te bevelen om zich te houden aan deze datum.

De FOD Financiën heeft evenwel aangegeven een vorm van gedoogbeleid te voeren en dit tot eind 2019.
Dit betekent dat de aangifte moet gebeuren, maar dat indien dit nog niet gebeurd is men nog geen sancties zal treffen.

Wat zijn de gevolgen als de sportclub niets onderneemt?

Sportclubs en sportfederaties die ondanks hun verplichting hiertoe het UBO-register niet invullen riskeren een geldboete van 250,00 EUR tot 50.000,00 EUR.
Ook het foutief invullen kan aanleiding geven tot boetes.

Verdere vragen? Aarzel niet om ons te contacteren via het nummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be


Aansprakelijkheid in de sport

Aansprakelijkheid in de sport

Het is zo gebeurd tijdens het sporten. Een te harde tackle van de tegenstander, een gemene duw tijdens de eindspurt, een niet toegelaten wurggreep, etc. Voor je het weet ben je geblesseerd door de fout van een tegenstander of een ploegmaat.

De vraag die zich hierbij stelt is of de tegenstander of ploegmaat aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade in een sport gerelateerde context.

Aansprakelijkheidsgeschillen in de sport komen regelmatig voor, doch blijven vaak onder de radar.

Enkele ophefmakende dossiers, zoals de zaak Criquelion of de voetbal tackle van Desloover op Lozano, haalden wel uitgebreid de media.

Wij lichten één en ander verder toe.

Een juridisch nazicht

Er is enerzijds de burgerrechtelijke aansprakelijkheid en anderzijds de strafrechtelijke aansprakelijkheid.

De burgerrechtelijke aansprakelijkheid

Centraal binnen het leerstuk van de burgerrechtelijke, buitencontractuele aansprakelijkheid staat het art. 1382 BW dat stelt dat:

“Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld deze schade is ontstaan, deze te vergoeden.”

Art. 1383 BW voegt daaraan toe dat ook nalatigheid of onvoorzichtigheid tot aansprakelijkheid kan leiden.

Het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht steunt dus op 3 componenten, zijnde fout, schade en oorzakelijk verband.

Een fout bestaat uit de schending van een specifieke wetsbepaling of een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm.

De overtreden wetsbepaling moet een algemeen bindende norm zijn die door een wetgever is uitgevaardigd. Spelregels beantwoorden niet aan deze definitie. De bestraffing van een bepaalde overtreding met een gele kaart tijdens een voetbalmatch is slechts een interne regel waarvan de schending niet automatisch leidt tot burgerrechtelijke aansprakelijkheid. Mocht dit het geval zijn, dan zou de beoefening van de sport immers onmogelijk worden. Wel kan de overtreding van een spelregel gebruikt worden als argument om een schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm te staven.

De algemene zorgvuldigheidsnorm verwijst naar het gedrag van een goede huisvader. Dit is een normaal, voorzichtig, redelijk persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Die concrete omstandigheden refereren aan de context van de sportbeoefening. Een sliding die in het dagelijks leven tot aansprakelijkheid zou kunnen leiden, kan getolereerd worden binnen de sportieve context. Een schouderduw zal tijdens een voetbalwedstrijd toegelaten zijn, maar kan in het dagelijks leven mogelijks aanleiding geven tot burgerrechtelijke aansprakelijkheid.

Bij de beoordeling van een schadeverwekkende gedraging kan de rechter rekening houden met de beroepsbekwaamheid van de persoon in kwestie. Een professionele sporter wordt geacht zijn sport beter te beheersen dan een amateur, wat een verschil zal opleveren in de beoordeling van een bepaalde fout.

Ook de risico’s die inherent verbonden zijn aan bepaalde sporten dient de rechter in aanmerking te nemen. De kans dat men geblesseerd geraakt tijdens het downhill mountainbiken is groter dan bij het spelen van tafeltennis. Een vuistslag tijdens een bokswedstrijd moet anders geïnterpreteerd worden dan een vuistslag in een voetbalwedstrijd. Dit mag de sporter er echter niet van weerhouden om steeds de spelreglementen en de algemene zorgvuldigheidsnorm te respecteren.

De sporter die beweert slachtoffer te zijn van een onrechtmatige daad zal naast de fout ook schade en het causaal verband tussen fout en schade moeten aantonen.

De burgerrechtelijke aansprakelijkheidsleer kan wel degelijk in sommige gevallen toegepast worden in een sport gerelateerde context.

De strafrechtelijke aansprakelijkheid

De strafrechtelijke vervolging van een sporter naar aanleiding van een sportongeval gebeurt in het merendeel van de gevallen op basis van de artikelen 398 SW of 418 t.e.m. 420 SW.

Artikel 398 SW bestraft het misdrijf van opzettelijke slagen en verwondingen. Dit misdrijf veronderstelt enerzijds een materieel bestanddeel, het toebrengen van slagen en verwondingen. Anderzijds moet er een moreel bestanddeel aanwezig zijn, namelijk het wetens en willens toebrengen van deze slagen en verwondingen.

Op het eerste gezicht zou men denken dat contactsporten als karate, rugby en zelfs voetbal per definitie aanleiding kunnen geven tot een aansprakelijkheid o.b.v art. 398 Sw. Ondanks het verbod om consensueel af te wijken van de strafwet, die immers van openbare orde is, wordt echter algemeen aangenomen dat deze sporten buiten het toepassingsgebied van artikel 398 SW vallen. Uiteraard geldt dit enkel voor gedragingen die toegelaten zijn volgens de reglementen van de sport in kwestie. Wanneer een voetballer d.m.v. een opzettelijke tackle het been van een tegenstander breekt zal hij uiteraard wel strafrechtelijk vervolgd kunnen worden.

De artikelen 418-420 Sw. behandelen de onopzettelijke slagen en verwondingen. Dit zijn de gevallen waarin een sporter door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg slagen en verwondingen toebrengt aan een derde. Dit gebrek aan voorzichtigheid wordt beoordeeld in de context van de beoefende sport. Wanneer een sporter de spelregels overtreedt kan hem niet automatisch een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg verweten worden. Net zoals bij de burgerrechtelijke fout dient men het gedrag van de sporter te vergelijken met het gedrag van een normaal, voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.

Ook de strafrechtelijke aansprakelijk kan in bepaalde gevallen toegepast worden in een sport gerelateerde context.

Vragen over aansprakelijkheid (binnen de sport of daarbuiten)? Aarzel niet om ons te contacteren via het telefoonnummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be

 


Arbitrage in de sport

Definitie en kenmerken van arbitrage in de sport

Arbitrage is een rechtsfiguur waarbij partijen overeenkomen een bestaand of toekomstig geschil ter beslechting voor te leggen aan een derde, de arbiter genoemd.

Het belangrijkste kenmerk van arbitrage is het vrijwillige karakter ervan. Op basis van de wilsautonomie kunnen partijen immers beslissen om een bepaald geschil te onttrekken aan de statelijke rechter en voor te leggen aan een arbiter. Arbitrage is slechts geldig wanneer elke partij zich daarmee uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard. Het vormt immers een uitzondering op het principiële recht op toegang tot de rechter.

Voorwaarden van sportarbitrage

Arbitrage in de sport of sportarbitrage is een inherent onderdeel van de sport geworden. De reglementen van sportorganisaties bevatten vaak arbitrageclausules. Net zoals bij tuchtrecht is een sporter die lid is van een club die bij een sportorganisatie is aangesloten, ook onderworpen aan het reglement van die sportorganisatie.

Ondanks meerdere kritische bedenkingen vanuit de doctrine aanvaardt de rechtspraak in de overgrote meerderheid van de gevallen dat een dergelijk arbitrageclausule de wilsautonomie van de partijen in voldoende mate respecteert. Een arbitrageclausule opgenomen in de reglementen van een sportorganisatie is dus geldig. Recent was er in België echter een opvallende beslissing van het Hof van Beroep te Brussel te noteren waarin  arbitrage clausule van de FIFA niet als geldig werd beschouwd. Deze uitspraak kwam er naar aanleiding van een procedure tussen de FIFA en RFC Seraing in het kader van een geschil over het Third Party Ownership. Dit arrest kreeg veel internationale weerklank (voor meer informatie, zie link).

Niet elk sportgeschil is vatbaar voor arbitrage. Luidens artikel 9 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars kunnen werkgever en sporter niet vooraf overeenkomen om een geschil omtrent de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst aan arbitrage te onderwerpen. De Vlaamse decreetgever stelt op zijn beurt in artikel 7 van het decreet tot vaststelling van het statuut van de niet-professionele sportbeoefenaar dat er geen overeenkomst tot arbitrage kan worden gesloten voor het ontstaan van een geschil.

In het Gerechtelijk Wetboek wordt een afdeling gewijd aan arbitrage. De artikelen 1676 t.e.m. 1723 Ger.W. bepalen onder welke voorwaarden een arbitrale uitspraak geldig is. Artikel 1717 Ger.W. bevat de gronden waarop een arbitrale beslissing vernietigd kan worden door de rechtbank van eerste aanleg. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de beslissing onvoldoende gemotiveerd is of wanneer de uitspraak in strijd is met de openbare orde.

Interne en externe arbitrage

Sportorganisaties voorzien vaak in interne geschillenbeslechtingsmechanismen. Tegen deze beslissingen staat meestal een beroepsmogelijkheid open bij een externe arbitrage instantie zoals het Belgisch Arbitragehof voor de Sport (BAS) of het Court of Arbitration for Sports (CAS).

Belgisch Arbitragehof voor de Sport ( BAS )

In 2012 werd de toenmalige Belgische Arbitragecommissie voor de Sport (link), opgericht door het BOIC, vervangen door het Belgisch Arbitragehof voor de Sport. In de vorm van een VZW behandelt het BAS geschillen in sportaangelegenheden die hem toegekend worden door de reglementen van sportorganisaties of door een arbitrageovereenkomst.

Een zaak wordt behandeld door 3 arbiters die een college vormen. Elke partij kan een arbiter kiezen uit een lijst, opgesteld door de Benoemingscommissie. De twee gekozen arbiters kiezen op hun een beurt een derde arbiter, die als voorzitter zal zetelen.

In de statuten van het BAS wordt expliciet vermeld dat deel VI van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de door het Arbitragehof behandelde geschillen. Artikel 27 van het BAS-reglement bepaalt dat de arbitrale uitspraak in laatste aanleg wordt gedaan. O.b.v. artikel 1717 Ger. W. is een vordering tot vernietiging bij de rechtbank van eerste aanleg echter altijd mogelijk.

Zoals reeds in een vorige bijdrage werd vermeld doet het BAS niet enkel aan arbitrage. In veel zaken fungeert het als beroepsinstantie tegen beslissingen genomen door interne tuchtrechtelijke instanties van sportorganisaties.

Court of Arbitration for Sports ( CAS )

Het Court of Arbitration for Sports (link) werd opgericht in 1984 in Lausanne, Zwitserland. Na de zaak-Gundel in 1994, waarbij haar onafhankelijkheid t.o.v. het IOC in vraag werd gesteld, onderging het CAS enkele hervormingen.

Het CAS telt meerdere afdelingen, Divisions genoemd, waarin verschillende types van geschillen beslecht worden. De Ordinary Arbitration Division behandelt geschillen die haar d.m.v. een arbitrageovereenkomst voorgelegd worden.

De afdeling waarin de meeste zaken behandeld worden is de Appeals Arbitration Division. Zoals gezegd voorzien sportorganisaties immers vaak in een beroepsmogelijkheid bij het CAS tegen beslissingen genomen door een interne arbitrage instantie.

De Ad Hoc Division is bevoegd voor geschillen die tijdens grote sportevenementen ontstaan en waarbij dus een zekere spoed vereist is.

Tegen een beslissing van het CAS kan men een vordering tot vernietiging instellen bij het Zwitserse Federale Hof o.b.v. de gronden opgesomd in artikel 190 van de Zwitserse Federal Code on Private International Law (PILA).

Vragen over arbitrage (binnen de sport of daarbuiten)? Aarzel niet om ons te contacteren via het telefoonnummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be

Reeks geschillenbeslechting in de sport: Inleidend artikel tuchtrecht 

 


Page 1 of 4123...Last