+32 9 334 94 70

Blog

Tuchtrecht in de sport

Definitie en kenmerken van tuchtrecht

Tuchtrecht, al dan niet sport gerelateerd, kan gedefinieerd worden als het geheel van gedragsregels die gelden binnen een bepaalde (beroeps)groep. Zo is tuchtrecht vaak voorkomend in het onderwijs, binnen de politie of bij gereglementeerde beroepen zoals de orde van advocaten of de orde van architecten. Deze regels dienen de interne cohesie en de externe reputatie van de (beroeps)groep te waarborgen. Ook sportorganisaties of sportfederaties stellen tuchtreglementen op waaraan hun leden zich moeten houden.

Men kan enerzijds rechtstreeks lid zijn van een sportorganisatie. Een voetbalclub is bijvoorbeeld aangesloten bij de nationale voetbalbond, waarvan de club het tuchtreglement dus moet respecteren.

Anderzijds is ook een onrechtstreeks lidmaatschap mogelijk. Een voetballer zal door de arbeidsovereenkomst die hem aan een club bindt ook gebonden zijn door het tuchtreglement van de sportorganisatie waarvan de club lid is. De arbeidsovereenkomst zal een verwijzing naar dit tuchtreglement bevatten.

Intern tuchtrecht

De overtreding van een tuchtregel geeft aanleiding tot een procedure voor een tuchtrechtelijk orgaan. In eerste instantie zal dit een interne tuchtrechtelijke commissie van de sportorganisatie zelf zijn. Een inbreuk op het bondsreglement van de KBVB zal bijvoorbeeld aanleiding geven tot een procedure voor de Geschillencommissie voor het Profvoetbal. Hetzelfde principe vindt men ook op internationaal niveau. De FIFA heeft meerdere tuchtrechtelijke organen, waaronder bv. het Disciplinary Committee dat inbreuken op de Disciplinary Code bestraft.

Extern tuchtrecht

Na een interne procedure krijgen leden van een sportorganisatie vaak de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij een externe tuchtrechtsinstantie. In België is dit het Belgisch Arbitragehof voor de Sport (BAS – link). Dit orgaan is in eerste instantie opgericht om geschillen tussen actoren uit de sportwereld via arbitrage te beslechten. Daarnaast fungeert het BAS als tuchtrechter voor beslissingen van sportorganisaties waartegen beroep is aangetekend als de betrokken sportorganisatie een beroepsmogelijkheid bij het BAS voorziet. Op internationaal vlak wordt het Court of Arbitration for Sports (CAS – link) door sportorganisaties algemeen erkend als hoogste tuchtorgaan.

Procedurele waarborgen

Gelet op de impact die een tuchtrechtelijke beslissing kan hebben op de carrière van een sporter dient een sportorganisatie te voorzien in een behoorlijke tuchtrechtspleging. Sinds het arrest Le Compte van het Hof van Justitie dienen de procedurele waarborgen, zoals vermeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, gerespecteerd te worden. Dit geldt echter enkel wanneer de private belangen van de sporter op het spel staan. Een voorbeeld hiervan is de tuchtprocedure ten gevolge van een dopingovertreding. Deze procedure kan leiden tot een schorsing van de betrokken atleet, waardoor deze zijn loopbaan tijdelijk moet onderbreken.

De Vlaamse decreetgever heeft in artikel 8 van het decreet tot vaststelling van het statuut van de niet-professionele sportbeoefenaar expliciet enkele procedurele waarborgen verplicht gesteld voor tuchtprocedures m.b.t. amateursporters. Deze kunnen echter mutatis mutandis ingeroepen worden in elke sportrechtelijke tuchtzaak.

Partijen hebben in een tuchtprocedure onder meer het recht om gehoord te worden, om inzage te krijgen in het dossier, om hoger beroep aan te tekenen en om een gemotiveerde beslissing te verkrijgen.

Rechterlijk toezicht

Na afloop van de tuchtprocedure kan men geen volwaardig hoger beroep instellen bij de gewone rechter. Wel kan de rechter een beperkt toezicht uitoefenen op de uitspraak van het tuchtorgaan indien alle interne rechtsmiddelen werden uitgeput. Enerzijds kan hij nagaan of de rechten van verdediging wel in voldoende mate werden gewaarborgd en of de sportorganisatie haar eigen reglementen heeft nageleefd.

Anderzijds kan ook de inhoud van de beslissing onderworpen worden aan een toetsing, zij het slechts marginaal. Enkel wanneer de beslissing van een tuchtorgaan kennelijk onredelijk is mag de rechter deze beslissing vernietigen.

Vragen over tuchtrecht (binnen de sport of daarbuiten)? Wenst U hulp bij het opstellen van een tuchtreglement? Aarzel niet om ons te contacteren via het telefoonnummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be

Reeks geschillenbeslechting in de sport: Inleidend artikel (link) – arbitrage (link – nog niet beschikbaar)


Geschillenbeslechting in de sport

Geschillenbeslechting in de sport

Georganiseerde sportbeoefening kent de laatste decennia een verregaande modernisering, zowel op organisatorisch als op structureel vlak. Dat brengt onvermijdelijk een toenemende juridisering met zich mee. Steeds meer aspecten van sportbeoefening behoeven immers specifieke reglementering. Als gevolg hiervan groeit ook het aantal sport gerelateerde geschillen. De geschillenbeslechting in de sport heeft de laatste jaren een belangrijke plaats binnen de rechtspraktijk ingenomen.

De sportwereld wil zich van oudsher autonoom organiseren. Ook op het vlak van conflictbeslechting wil men elke vorm van overheidsinmenging vermijden. Dat zou er immers onder meer toe kunnen leiden dat transnationale sportrechtsregels verschillend uitgelegd worden, afhankelijk van de jurisdictie waarin ze worden opgeworpen.

Om de uniforme toepassing van sportrechtsregels, alsook de inachtneming van de specifieke kenmerken van sport te garanderen, heeft de sportwereld eigen geschillenbeslechtingsmechanismen ontwikkeld.

De twee meest gehanteerde technieken van de geschillenbeslechting in de sport zijn het tuchtrecht en de arbitrage. In de volgende twee bijdragen wordt elk van beide mechanismen kort toegelicht.

Reeks geschillenbeslechting in de sport: tuchtrecht (link – nog niet beschikbaar) – arbitrage (link – nog niet beschikbaar)

geschillenbeslechting

 

 

 


Everest Sport staat wielrenner bij – Nieuwsblad

Everest Sport behartigde de afgelopen weken de belangen van een renner wiens schorsing uiteindelijk door de rechter werd opgeheven.

Alle sportverenigingen zijn gehouden om minstens de minimale rechten van verdediging van sporters te waarborgen.

Het Nieuwsblad verzocht Everest Sport om een reactie:

renner


De bescherming van minderjarige voetballers onder het FIFA-reglement

Minderjarige voetballers en het FIFA-reglement

In het hedendaagse voetbal proberen profclubs getalenteerde jeugdspelers op steeds jongere leeftijd aan te trekken. Men hoopt op die manier een transfersom uit te sparen door deze spelers zelf op te leiden tot ze het niveau van de eerste ploeg bereiken. Om de belangen van minderjarige voetballers te beschermen heeft de FIFA enkele artikelen aan deze problematiek gewijd in de Regulations on the Status and Transfer of Players (hierna: RSTP). Deze regels worden strikt geïnterpreteerd en clubs die zich er niet aan houden riskeren bestraft te worden. Onder andere R.S.C. Anderlecht en F.C. Chelsea werden recent veroordeeld door het FIFA Disciplinary Committee tot een boete van respectievelijk 200 000 en 600 000 CHF (zie krantenartikel RSCA) (zie krantenartikel Chelsea).

De relevante artikelen van de RSTP inzake de transfers van minderjarigen worden in deze bijdrage beknopt toegelicht.

  1. Ontstaan van de regels

In de nasleep van het arrest-Bosman uit 1995 was de FIFA genoodzaakt haar transferreglement aan te passen. Dit gebeurde in 2001 o.b.v. een gentlemen’s agreement tussen de FIFA en de Europese Commissie. Een van de punten in dat gentlemen’s agreement betrof de transfers van minderjarigen. De regels hieromtrent werden vastgelegd in art. 19 en 19bis RSTP. Het doel van de reglementering was om misstanden uit het verleden m.b.t. de transfers van minderjarigen te voorkomen.

  1. Krachtlijnen van de reglementering

De FIFA gaat uit van een verbod op internationale transfers van minderjarige voetballers. Enkel spelers die 18 jaar of ouder zijn kunnen getransfereerd worden naar een buitenlandse club. Deze strikte regel kan verklaard worden vanuit het streven van de FIFA om een stabiele omgeving te creëren voor de opvoeding en training van jonge voetballers.

Art. 19 lid 2 RSTP bevat echter 3 uitzonderingen op bovenstaand principe.

a) De parents-rule

Ten eerste is een internationale transfer van een minderjarige voetballer wel toegestaan indien zijn ouders verhuizen naar het buitenland om redenen die geen verband houden met voetbal. De FIFA benadrukt dat het begrip “ouders” strikt geïnterpreteerd moet worden. Het volstaat niet dat een speler in het buitenland kan wonen bij een familielid. Minderjarige spelers die zonder hun ouders verhuizen of waarvan de ouders verhuizen met het oog op de transfer van de speler, mogen niet geregistreerd worden door de nationale voetbalbond van het betrokken land.

b) De EU-rule

Vervolgens bevat art. 19 lid 2 RSTP een uitzondering die enkel geldt binnen de EU. Met name wanneer een speler minstens 16 jaar oud is, kan een internationale transfer wel plaatsvinden indien de overnemende club aan enkele inhoudelijke voorwaarden voldoet op het vlak van training en opvoeding.

De nieuwe club moet in staat zijn om een speler voetbaltechnisch op te leiden volgens de hoogste nationale standaarden. Ook dient de club ervoor te zorgen dat een speler zich op academisch gebied verder kan ontwikkelen. Ten slotte moet de club een goede verblijfsaccommodatie garanderen voor de speler. Het is aan de overnemende club om te bewijzen dat aan deze voorwaarden is voldaan op het moment van registratie van de speler.

c) De 50 + 50-rule

Een speler die op maximaal 50 km van een landsgrens woont kan getransfereerd worden naar een buitenlandse club die haar zetel eveneens op maximaal 50 km van diezelfde landsgrens heeft. De afstand tussen de woonplaats van de speler en de club bedraagt ten hoogste 100 km. De speler moet thuis blijven wonen en de nationale voetbalbonden van beide landen dienen expliciet akkoord te gaan. Deze uitzondering is ingegeven door het idee dat een buitenlandse club in bepaalde gevallen dichter bij de woonplaats van de speler gevestigd is dan de dichtstbijzijnde binnenlandse club.

  1. Bevoegde organen en mogelijke sancties

De nationale voetbalbonden zijn belast met het toezicht op de naleving van art. 19 RSTP door de clubs. Zij krijgen o.a. de bevoegdheid om ter plaatse te onderzoeken of een club de reglementen in kwestie respecteert.

Daarnaast heeft de FIFA een subcomité opgericht binnen het FIFA Players’ Status Committee, dat elke transfer m.b.t. een minderjarige voetballer moet goedkeuren vooraleer er een internationaal transfercertificaat aangevraagd kan worden door een club.

Clubs en makelaars die meewerken aan transfers van minderjarige voetballers zonder de regels te respecteren riskeren disciplinaire sancties, uiteengezet in de FIFA Disciplinary Code. Deze kunnen opgelegd worden door zowel de nationale voetbalbonden als het FIFA Disciplinary Committee

De vernoemde artikelen zijn hier te raadplegen:  link  


De basisprincipes van Third Party Ownership (TPO)

Third Party Ownership (TPO)

Op 19 februari 2019 legde de FIFA Disciplinary Committee de Portugese topclub Fc Porto een boete op van 50 000 CHF. De aanleiding hiertoe was een inbreuk op artikel 18ter van de FIFA Regulations on the Status and Transfer of Players (hierna: RSTP). Dit artikel bevat het verbod op Third Party Ownership (hierna: TPO). Deze praktijk werd in 2015 verboden door de FIFA omwille van de risico’s die het met zich meebracht, zowel voor spelers als voor clubs.

In deze bijdrage wordt eerst de TPO-techniek met bijhorende voor- en nadelen besproken. Vervolgens komt het TPO-verbod ter sprake. Tot slot wordt de wijze waarop men dit verbod omzeilt kort toegelicht.

TPO-techniek

TPO of Third Party Ownership is een praktijk die begin jaren 90 ontstaan is in Zuid-Amerika en rond de eeuwwisseling naar Europa is overgewaaid. Het essentiële kenmerk van TPO is dat (een deel van) de economische rechten van een speler worden overgedragen aan een derde partij. De economische rechten van een speler omvatten voornamelijk diens (toekomstige) transfersom. De derde partij aan wie de economische rechten worden overgedragen kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn. Vaak gaat het om investeringsfondsen of spelersmakelaars. Elke entiteit buiten de twee clubs tussen wie een transfer plaatsvindt, wordt beschouwd als een derde partij.

Er bestaan verschillende redenen om een TPO-constructie op te zetten. In de regel fungeert TPO als financieringsmechanisme bij de transfer van een speler. Hierbij krijgt een club met onvoldoende middelen financiële bijstand van een derde partij voor de verwerving van een speler. De speler wordt geregistreerd bij de overnemende club, maar (een deel van) de economische rechten komen toe aan de derde partij die de transfer financierde.

Een bekend voorbeeld van bovenstaande constructie is de transfer van Carlos Tevez van Corinthians naar West Ham United. Om de transfer te kunnen bekostigen had West Ham United geld geleend van een investeringsfonds dat in ruil daarvoor de economische rechten van Tevez verwierf. Het investeringsfonds had o.a. het recht om te beslissen of Tevez getransfereerd werd en tegen welke transfersom dit diende te gebeuren.

Voor- en nadelen van TPO

Het meest gebruikte argument tegen TPO / Third Party Ownership is dat het een moderne vorm van slavernij zou zijn. Zoals geïllustreerd in de zaak-Tevez beslist het investeringsfonds immers vaak buiten de wil van speler en club om over de transfer van de speler. Hierdoor kan het vrij verkeer van de speler belemmerd worden. Daarbij komt dat spelers niet altijd weten dat hun economische rechten door de club aan een derde partij zijn overgedragen.

Een tweede punt van kritiek betreft het risico op belangenvermenging. Twee clubs kunnen spelers geregistreerd hebben waarvan de economische rechten aan eenzelfde investeringsfonds zijn overgedragen. Het investeringsfonds zou haar macht kunnen aanwenden om het resultaat van de wedstrijd tussen de betrokken clubs te beïnvloeden.

Ten derde heeft TPO tot gevolg dat er geld uit de voetbalindustrie wegvloeit in de richting van de investeringsfondsen. Zij hebben immers het recht bedongen om de transfersom van een speler te kunnen innen.

De voorstanders van TPO argumenteren dat het een techniek is om kleinere clubs competitiever te maken. Via TPO kunnen zij immers spelers verwerven die anders financieel onhaalbaar zijn. Ook wordt het financieel risico van een transfer gedeeld tussen de club en het investeringsfonds. Mocht een speler niet doorbreken, dan heeft de club geen volledige transfersom moeten betalen.

Ten slotte stellen voorstanders ook dat het verbod op TPO een inbreuk vormt op het vrij verkeer van kapitaal in de EU en op de regels betreffende de vrije mededinging.

Verbod op TPO

Op 1 januari 2008 introduceerde de FIFA artikel 18bis RSTP waarin een verbod op Third Party Influence (TPI) werd opgenomen. Een club kan luidens dit artikel geen overeenkomst sluiten waarbij de tegenpartij of een derde de mogelijkheid krijgt om invloed uit te oefenen op het tewerkstellings- en transferbeleid van de club.

Omdat dit artikel de nadelige gevolgen van TPO niet volledig kon remediëren besloot de FIFA een artikel 18ter in te voegen dat van kracht ging op 1 mei 2015. Artikel 18ter RSTP bevat een volledig verbod op TPO. Elke overeenkomst waarbij een derde partij eenderwelk recht verkrijgt m.b.t. de toekomstige transfer van een speler is in strijd met dit artikel.

Omzeiling van het verbod

Een veelgebruikte techniek om het TPO-verbod te omzeilen is de zogenaamde bridge transfer. Dit is een transfer waarbij een speler niet rechtstreeks overgaat van de oorspronkelijke naar de nieuwe club, maar indirect via een derde club waar de speler wordt geregistreerd zonder aanwijsbare sportieve reden. De bridge club vervangt het investeringsfonds in een TPO-constructie. De overgang van de speler naar de bridge club gebeurt uit louter economische overwegingen, met name om de speler te kunnen verkopen of verhuren. Deze constructie heeft als voordeel dat een bridge club zich in geval van contractbreuk door de speler kan beroepen op artikel 17 RSTP, wat een investeringsfonds in een TPO-constructie niet kon.

Hoewel de RSTP geen expliciet verbod op bridge transfers bevat heeft het CAS zulke constructies reeds ongeldig verklaard omwille van het gebrek aan een sportieve reden. De huidige rechtspraak van het CAS is evenwel uiteenlopend, waarvan onder meer volgende uitspraken getuigen:

CAS 2009/A/1757 MTK Budapest v. FC Internazionale Milano S.p.A.

CAS 2014/A/3536 Racing Club Asociación Civil v. FIFA

 

 

 

 

 

 


Transfers in de voetbalsport: een beknopte juridische analyse

De transferperiode is geopend

Sinds enkele weken gonst het in sportkranten en op voetbalwebsites van de transfergeruchten. Op 15 juni opende immers de Belgische transfermarkt. Tot en met 2 september kunnen Belgische ploegen zich versterken met nieuwe spelers, dan wel overbodige spelers laten gaan.

De aan- en verkoop van voetballers is in de loop der jaren een miljoenenbusiness geworden waarop veel clubs hun verdienmodel baseren.

In deze bijdrage wordt er kort ingegaan op enkele juridische aspecten van het huidige transfersysteem.

Arbeidsovereenkomst tussen club en speler

De relatie tussen een speler en een club wordt geregeld aan de hand van een arbeidsovereenkomst. In de voetbalcontext is deze meestal van bepaalde duur. Een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur kan immers op elk moment opgezegd worden, met slechts een beperkte opzegvergoeding tot gevolg.

In plaats daarvan werken clubs met arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur die in voorkomend geval verlengd worden. Een dergelijke verlenging zal steeds plaatsvinden voor afloop van de duurtijd van de arbeidsovereenkomst. Ingevolge de zaak-Bosman kan een club na afloop van een arbeidsovereenkomst immers geen transfervergoeding meer vragen. De club loopt dan het risico dat een speler ‘transfervrij’ kan vertrekken.

Transferbegrip

Een transfer is de overgang van speler A van club X naar club Y. Een voetballer kan zowel nationaal als internationaal een transfer maken. Men spreekt van een internationale transfer wanneer er een overschrijving plaatsvindt van de ene nationale voetbalbond naar de andere.

Zoals gezegd wordt er tussen clubs naar aanleiding van een transfer vaak een transfervergoeding betaald. Een transfersom wordt juridisch gekwalificeerd als een vergoeding die tussen de oude club en haar speler overeengekomen wordt naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijdse toestemming. In theorie is de transfervergoeding verschuldigd door de speler zelf, maar in de praktijk wordt er tussen de speler en de nieuwe club overeengekomen dat deze laatste de transfersom onderhandelt en betaalt.

De hoogte van de transfersom kan voorafgaandelijk vastgelegd worden in de arbeidsovereenkomst d.m.v. een buy out-clause of een release-clause. In het merendeel van de gevallen wordt de transfersom echter ad hoc bepaald op basis van de marktwaarde van de speler.

Toepasselijke regelgeving

Op nationaal vlak wordt de arbeidsrelatie tussen een speler en een club hoofdzakelijk geregeld door het gemeenrechtelijk arbeidsrecht. Daarnaast dient men echter rekening te houden met de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (wet betaalde sportbeoefenaar). De beruchte ‘wet van 78’ bevat een speciale ontslagregeling voor betaalde sportbeoefenaars. Op basis van deze wet is de beëindigende partij een opzegvergoeding verschuldigd die gelijk is aan het loon van de resterende duurtijd van het contract. De wetgever heeft echter een maximum bepaald, namelijk het dubbele van wat verschuldigd zou zijn indien het om een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur ging.

Voetbalclubs wensen de toepassing van deze wet doorgaans te vermijden. In het geval dat een speler weg wil, onderhandelt men liever met de nieuwe club over een te betalen transfervergoeding. De vergoeding die, met toepassing van de wet betaalde sportbeoefenaar, ingevolge de opzeg van de speler verschuldigd is, zal immers veel lager zijn dan een transfervergoeding.

De wet betaalde sportbeoefenaar is aldus geëvolueerd tot een drukkingsmiddel van spelers t.a.v. hun club wanneer deze laatste niet meewerkt aan een transfer.

Op internationaal vlak geldt in geval van een transfer de regelgeving van de FIFA. Onder meer de Regulations on the Status and Transfer of Players(RSTP) zijn van toepassing. Art.17 RSTP bevat bijvoorbeeld de criteria op basis waarvan de vergoeding bepaald wordt die verschuldigd is in het geval de arbeidsovereenkomst ‘without just cause’ werd verbroken. De FIFA regelgeving en de nationale regelgeving zijn niet complementair.  Een conforme opzegging conform de wet van 24 februari 1978 kan mogelijks niet aanvaard worden door de FIFA. Dit heeft reeds tot diverse juridische procedures geleid.

Kritiek op het transfersysteem en de transfervergoeding

Het huidige transfersysteem is ontstaan na de zaak-Bosman. Voordien werden transfervergoedingen ook gevraagd wanneer een speler na afloop van zijn contract werd getransfereerd. Dit werd door het Hof van Justitie in de zaak-Bosman echter beschouwd als een ongerechtvaardigde beperking op het vrij verkeer van werknemers. Sindsdien kan een transfervergoedingen enkel verschuldigd zijn wanneer een speler in de loop van zijn contract een transfer maakt.

Ook het huidige systeem is niet onbetwist. Zowel op basis van het vrij personenverkeer als het Europees mededingingsrecht werd het transfersysteem reeds aangevochten.

In 2015 legde de FIFPRO, d.i. de internationale spelersvakbond, een klacht neer bij de Europese Commissie tegen het transfersysteem. Hierbij argumenteerde men dat de vrije mededinging beperkt wordt door de dominantie van rijke clubs op de spelersmarkt. De klacht werd uiteindelijk ingetrokken nadat de FIFA enkele toezeggingen had gedaan aan de FIFPRO inzake spelersrechten. Het toont echter aan dat ook het huidige systeem juridisch niet waterdicht is.


Registratieverplichting en nieuwe regels voor sportmakelaars

Het decreet inzake de invoering van een registratieverplichting voor sportmakelaars

Na het voetbalschandaal waarbij meer dan één voetbalmakelaar was betrokken kondigde Vlaams Minister van Sport Muyters strengere regels voor voetbalmakelaars, en bij uitbreiding alle sportmakelaars, aan.

Vanaf 1 juni 2019 zijn deze strengere regels in werking getreden ingevolge het decreet van 29 maart 2019 betreffende de opleidingscheques voor werknemers, de invoering van een registratieverplichting voor sportmakelaars en tot wijziging van diverse andere bepalingen inzake het beleidsdomein Werk en Sociale Economie (link).

Snel handelen is de boodschap.

De nieuwe regels

– Registratieverplichting

De regelgeving is van toepassing op elke onderneming, natuurlijke persoon of rechtspersoon, wiens bemiddelingsactiviteiten minstens gedeeltelijk plaatsvinden in Vlaanderen en die aan private arbeidsbemiddeling doet voor (potentiële) betaalde sportbeoefenaars of voor rekening van sportclubs met het oog op het afsluiten van een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.

Vlaanderen meent in haar begeleidende teksten dat er niet allen sprake kan zijn van arbeidsbemiddeling bij het afsluiten van een arbeidsovereenkomst maar ook bij de rekrutering en scouting. Of deze laatste zienswijze standhoudt zal moeten blijken uit de toekomstige rechtspraak.

Het territoriaal toepassingsgebied – activiteiten die minstens gedeeltelijk in Vlaanderen plaatsvinden – wordt bovendien erg ruim geïnterpreteerd. Zo zou zelfs een makelaar die een speler vertegenwoordigt die zou willen transfereren naar een Vlaamse club zich moeten registeren en zou een makelaar van zodra hij onderhandelingen voert in Vlaanderen zich eveneens moeten registeren. Hierbij maakt het niet uit of de makelaar in een ander gewest of land geregistreerd is. Ook hier moeten kanttekeningen gemaakt worden hoe één en ander zich in de praktijk zal uitrollen.

De registratie gebeurt online via een formulier en is enkel Nederlandstalig, niettegenstaande ook buitenlandse makelaars zich dienen te registreren. Na inschrijving is de registratie geldig en wordt een registratienummer overgemaakt. Indien de inschrijving niet in orde is kan deze worden geschorst of ingetrokken.

– Specifieke sportgerelateerde verplichtingen

Waar wij in een eerder blogbericht reeds zijn ingegaan op de algemene verplichtingen inzake arbeidsbemiddeling waarnaar sportmakelaars zich moeten schikken (link), voorziet het decreet een aantal nieuwe specifieke verplichtingen voor sportmakelaars.

Onder meer volgende nieuwe verplichtingen kunnen worden weerhouden voor de voetbalmakelaar en sportmakelaar:

  • De sportmakelaar dient bij elke vorm van externe communicatie zijn registratienummer te vermelden;
  • De sportmakelaar mag niet samenwerken met niet-geregistreerde sportmakelaars voor het voeren van zijn bemiddelingsactiviteiten in het Vlaams Gewest;
  • De sportmakelaar mag geen personen jonger dan 15 jaar direct of indirect benaderen met het oog op het afsluiten van een bemiddelingsovereenkomst;
  • De sportmakelaar mag geen vergoeding ontvangen voor het voeren van een bemiddelingsactiviteiten voor een minderjarige (jonger dan 18);
  • De sportmakelaar mag geen constructies opzetten om de registratieplicht te omzeilen waarbij derden worden ingeschakeld en waarbij men door derden wordt ingeschakeld voor het verrichten van makelaarsactiviteiten.

– Borgsom van 25.000,00 EUR

Sportmakelaars die actief willen blijven zijn verplicht om een borgsom van 25.000,00 EUR te stellen bij een financiële instelling of verzekeraar. In tegenstelling tot eerdere berichten moet er geen borgsom worden betaald aan de overheid maar volstaat de plaatsing van een borgsom bij de bank. Een bankwaarborg zou in principe moeten kunnen volstaan.

Indien de sportmakelaar een schuld heeft ten aanzien van de Vlaamse Overheid, kan deze laatste aanspraak maken op de borg ten belope van het bedrag van de schuld.

De Vlaamse overheid heeft niettemin in deze beginfase van het nieuwe decreet een uitzondering toegestaan waarbij het bewijs van de borg tot 30 dagen na de registratie kan bezorgd worden aan het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid

Wat te doen als (bestaande) voetbalmakelaar / sportmakelaar?

Zowel de nieuwe als de reeds werkzame voetbalmakelaar of andere sportmakelaar moest zich vanaf  1 juni 2019  registreren en aan de nieuwe verplichtingen voldoen in het geval zij op een legale manier hun activiteiten wensen verder te zetten.

Een onmiddellijke registratie en implementatie van de regels is noodzakelijk.  De borgsom kan evenwel tot 30 dagen na de registratie in orde worden gebracht.

Zeker met de aankomende transferperiode is één en ander erg dringend.

Er lijkt ons gelet op de nieuwe verplichtingen een mogelijkheid te zijn om bepaalde handelingen gesteld door niet geregistreerde sportmakelaars of gesteld door geregistreerde sportmakelaars die niet voldoen aan de nieuwe verplichtingen aan te vechten.

Meer vragen of wenst U hierbij advies of bijstand van een advocaat? Aarzel niet om ons te raadplegen per telefoon (09/334.94.70), per e-mail (sport@everest-law.be) of via het contactformulier.

Meer informatie over de registratie: link

Ons vorig blogbericht over de voetbalmakelaar en de sportmakelaar: link

 


De Macolin-conventie – een nieuw verdrag inzake wedstrijdvervalsing

De Macolin-conventie: de inwerkingtreding van een verdrag inzake wedstrijdvervalsing

Het Verdrag inzake de Manipulatie van Sportwedstrijden (the Convention of the manipulation of Sports Competitions) vindt zijn oorsprong binnen de Raad van Europe en werd geopend ter ondertekening op 18 september 2014 door de Raad van Ministers verantwoordelijk voor sport.

Op 16 mei 2019 ratificeerde Zwitserland als vijfde land het Verdrag inzake de Manipulatie van Sportwedstrijden  oftewel de Macolin-conventie.

Nu er vijf landen het verdrag ondertekend hebben – Moldavië, Noorwegen, Portugal, Oekraïne en Zwitserland – treedt het verdrag in werking op 1 september 2019.

België ondertekende het verdrag doch ratificeerde het op heden nog niet.

De Macolin-conventie, verwijzend naar de Zwitserse stad waar het verdrag gesloten werd, heeft als doel om matchfixing en wedstrijdvervalsing en meer in het algemeen de manipulatie van sportwedstrijden te bestrijden.

Professionele sportbeoefening is de voorbije jaren in toenemende mate gecommercialiseerd en gemediatiseerd. Tegelijkertijd is sinds de eeuwwisseling ook een stijgend aantal illegale activiteiten waarneembaar.

Vooral de opkomst van de gokindustrie, vaak onvoldoende gecontroleerd door de overheid, wordt in het verdrag aangehaald als reden voor het toenemend aantal gevallen van manipulatie van sportwedstrijden.

Naast de aantasting van de integriteit van de sport leidt dit ook tot economische schade. Professionele sportwedstrijden zijn immers gebaat bij een onvoorspelbaarheid van resultaten. Een voorspelbare competitie zal geen kijkers, noch sponsors aantrekken.

Doelstelling

 De Macolin-conventie moet een antwoord bieden op bovenstaande, grensoverschrijdende problemen. Haar voornaamste doelstelling is om manipulatie van sportwedstrijden te voorkomen, op te sporen en te bestraffen.

Preventieve maatregelen

Een eerste luik van maatregelen is preventief van aard. De verdragspartijen dienen voorlichting, training en onderzoek ter bestrijding van de manipulatie van sportwedstrijden aan te moedigen.

Maatregelen t.a.v. sportorganisaties

Sportorganisaties worden aangemoedigd om zich zodanig te organiseren dat daden van competitievervalsing ontmoedigd worden, onder meer door belanghebbenden bij sportwedstrijden (bv. spelers) te verbieden om hieromtrent weddenschappen aan te gaan.

Wedstrijden waarbij het gevaar van manipulatie groter is dienen intensiever gemonitord te worden. Daarnaast moeten sportorganisaties een regeling voorzien waarin klokkenluiders bescherming krijgen. Ook formuleert het verdrag de aanbeveling om scheidsrechters zo laat mogelijk aan te duiden om een bepaalde wedstrijd te leiden. Op die manier tracht men de integriteit van de scheidsrechters te beschermen en te vermijden dat ze benaderd worden met de vraag om een sportwedstrijd te manipuleren.

Opdat een inbreuk op de interne regels m.b.t. de manipulatie van sportwedstrijden daadwerkelijk bestraft kan worden, moeten sportorganisaties voorzien in disciplinaire maatregelen. Een eventuele tuchtsanctie doet echter geen afbreuk aan de mogelijkheid om ook burgerrechtelijk of zelfs strafrechtelijk vervolgd te worden voor de manipulatie van een sportwedstrijd.

Maatregelen t.a.v. organisatoren van weddenschappen

De verdragspartijen moeten vervolgens maatregelen nemen m.b.t. de organisatoren van sportweddenschappen. Weddenschappen die betrekking hebben op sportwedstrijden voor minderjarigen worden verboden, net als weddenschappen die gericht zijn op sportwedstrijden van gering belang. Het risico op manipulatie is daarbij immers hoog.

Het moet voor exploitanten van sportweddenschappen onmogelijk gemaakt worden om te wedden op hun eigen producten. Daarnaast hebben verdragspartijen de verplichting om maatregelen te nemen die verhinderen dat een exploitant van sportweddenschappen misbruik maakt van zijn positie als sponsor. Ook dienen exploitanten verdachte weddenschappen te melden aan de bevoegde autoriteiten.

Verder moeten de partijen  in de mate van het mogelijke de toegang tot exploitanten van illegale sportweddenschappen beperken. Dit kan onder meer door hun website te blokkeren.

Oprichting van een nationaal platform

Het verdrag voorziet in de oprichting van een nationaal platform dat verantwoordelijk is voor de strijd tegen de manipulatie van sportwedstrijden. Het platform heeft als taak om informatie betreffende verdachte sportweddenschappen te verzamelen en te analyseren. Indien het dit nodig acht moet het platform deze informatie doorsturen naar de sportorganisatie in kwestie of de bevoegde autoriteiten. Het nationaal platform fungeert dus als centraal coördinatiecentrum voor de bestrijding van de manipulatie van sportwedstrijden.

Verder dient elke partij bij het verdrag ervoor te zorgen dat de manipulatie van sportwedstrijden ook strafrechtelijk beteugeld kan worden. Niet alleen de manipulatie zelf wordt geviseerd, maar ook het witwassen van de opbrengsten die eruit voortkomen.

 

De volledige tekst van de Macolin-conventie is hier terug te vinden: https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/rms/09000016801cdd7e

Meer informatie over de Macolin-conventie is hier terug te vinden: https://www.coe.int/en/web/sport/manipulation-of-sports-competitions

Voor meer informatie over wedstrijdvervalsing / matchfixing: https://www.sportadvocaten.be/matchfixing-wedstrijdvervalsing/ 

Matchfixing


De zaak Semenya – hyperandrogene atleten

De zaak Semenya

Op 30 april 2019 deed het Court of Arbitration for Sports (hierna: CAS) uitspraak in de zaak die door atlete Caster Semenya, samen met Athletics South Africa (hierna: ASA), was aangespannen tegen de International Association of Athletics Federations (hierna: IAAF). Het voorwerp van het geschil was de implementatie van het nieuwe het IAAF-reglement omtrent de deelname van hyperandrogene atletes aan vrouwencompetities.

Het is niet de eerste keer dat het CAS uitspraak doet over deze problematiek. Reeds in 2015 beschouwde het CAS een gelijkaardig reglement van IAAF als discriminatoir.

In 2018 stelde IAAF een volledig nieuw reglement op. De ‘Differences of Sex Development Regulations’ (hierna: DSD-regulations) houden in dat vrouwelijke hyperandrogene atletes met een testosteronniveau boven 5.0 nmol/L niet mogen deelnemen aan wedstrijden. Enkel de zogenaamde ‘restricted events’ worden geviseerd. Dit zijn een achttal atletiekdisciplines waarvan IAAF beweert dat hyperandrogene atletes er een te groot voordeel hebben t.o.v. niet-hyperandrogene atletes. Het gaat onder meer om de 400, 800 en 1500 meter. Atletes met een te hoog testosteronniveau hebben de keuze om 1) d.m.v. een behandeling hun testosteronniveau te doen dalen, 2) enkel deel te nemen aan nationale wedstrijden op lager niveau of 3) een aanvraag in te dienen om te mogen deelnemen aan de mannencompetitie.

Caster Semenya is een atlete met een natuurlijk testosteronniveau dat boven de grens van 5.0 nmol/l ligt. Bovendien is ze actief in de geviseerde disciplines. Zij ervaart de DSD-regulations echter als discriminerend en vocht ze aan bij het CAS.

 

Argumentatie partijen

Caster Semenya argumenteert dat er sprake is van discriminatie op basis van geslacht omdat de voornoemde regels enkel van toepassing zijn op vrouwelijke atleten. Bovendien worden enkel vrouwen met specifieke fysiologische kenmerken geviseerd. De regels zouden niet gesteund zijn op wetenschappelijk gronden, niet noodzakelijk zijn om een eerlijke competitie te garanderen en zouden ten slotte ongerechtvaardigde en onherstelbare schade berokkenen aan de getroffen atletes.

IAAF meent daarentegen dat de DSD-regulations noodzakelijk zijn om een eerlijk competitieverloop te garanderen en om een level playing field te creëren.

 

 Beslissing CAS

Het CAS stelt in eerste instantie vast dat de DSD-regulations wel degelijk discriminerend van aard zijn. Enerzijds ondervinden vrouwelijke atleten beperkingen die niet van toepassing zijn op mannelijke atleten, waardoor er sprake is van een discriminatie op basis van geslacht. Anderzijds worden er beperkingen opgelegd aan vrouwen met bepaalde biologische karakteristieken, in tegenstelling tot vrouwen die deze karakteristieken niet bezitten.

Een verschillende behandeling kan echter gerechtvaardigd worden wanneer ze noodzakelijk en redelijk is om een bepaald doel te bereiken en de ingezette middelen bovendien proportioneel zijn met dit doel.

Het CAS is van oordeel dat de DSD-regulations noodzakelijk zijn om een eerlijk competitieverloop te garanderen.

De indeling van een atlete in de mannen- of vrouwencompetitie dient volgens het CAS te gebeuren op basis van de concrete biologische kenmerken van de atlete in kwestie. Op die manier wordt vermeden dat vrouwen met buitengewone fysiologische kenmerken, die een significant competitief voordeel opleveren, zouden deelnemen aan competities waarin de concurrentie niet over deze voordelen beschikt. Op die manier hoopt men een eerlijk competitieverloop te garanderen.

Deze redenering volgend kan men vrouwen met een buitengewoon hoog testosteronniveau niet laten deelnemen aan vrouwencompetities, waarin de overgrote meerderheid van de deelneemsters een voor vrouwen normaal testosteronniveau heeft. Het CAS is van oordeel dat hyperandrogene atletes immers een significant en beslissend voordeel zouden genieten, zeker in de door de DSD-regulations geviseerde disciplines.

Het CAS stelt vervolgens dat de DSD-regulations redelijk en proportioneel zijn. Er wordt immers niet vereist dat vrouwen met een buitengewoon hoog testosteronniveau chirurgische ingrepen ondergaan. Een behandeling met oraal toegediende medicatie volstaat.

Het discriminatoir karakter van de DSD-regulations is dus gerechtvaardigd volgens het CAS.

Vanaf de kennisgeving van de beslissing hebben ASA en Caster Semenya 30 dagen om hoger beroep in te stellen bij de Zwitserse federale rechtbank. ASA heeft reeds aangekondigd dit te zullen doen.

De beslissing van het CAS leidt tot hevige discussies in sportmiddens.


Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 4/4)

Een voorstel van opleidingsvergoeding in lijn met het Europees recht

In het vorige deel werden de jurisprudentiële ontwikkelingen over de opleidingsvergoeding geschetst. Hieronder volgt een concrete lijst van criteria die uit de voormelde rechtspraak gedistilleerd kan worden en waaraan een systeem van opleidingsvergoedingen dient te voldoen om de toets van het Hof van Justitie te doorstaan.

Een eerste vaststelling is dat het Hof van Justitie een systeem van opleidingsvergoedingen niet a priori uitsluit. Een opleidingsvergoeding kan clubs wel degelijk aansporen om te investeren in jeugdopleiding. Het Hof van Justitie bevestigt meermaals dat de aansporing tot de opleiding van jonge spelers een legitiem doel is, gelet op het sociaal-economische belang van voetbal in de EU.

Een aantal noodzakelijke criteria

Wanneer men de eerder besproken arresten samen leest met de bijhorende conclusies van de advocaten-generaal komt men tot de volgende lijst van cumulatieve voorwaarden:

  1. Een opleidingsvergoeding is mogelijk na afloop van de opleidingsperiode bij het sluiten van een eerste profcontract bij een andere club dan de opleidingsclub.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient de werkelijke opleidingskost te dekken. Zowel advocaat-generaal Lenz in de zaak-Bosman als het Oberlandesgericht in de zaak-Wilhelmshaven stelt dat een opleidingsvergoeding niet berekend mag worden o.b.v. de marktwaarde van de speler in kwestie.

 

  1. Een proportioneel aandeel van de opleidingskosten van de spelers die geen prof werden, dient meegenomen te worden in de berekening van de opleidingsvergoeding. Advocaat-generaal Sharpston komt in de zaak-Bernard tot het besluit dat slechts een minderheid van de jeugdspelers in aanmerking komt voor een profcontract. Om deze minderheid zichtbaar te maken, moet een club echter een groot aantal spelers opleiden. De inspanningen voor één speler reiken m.a.w. verder dan zijn eigen opleiding. Het Oberlandesgericht stelt die voorwaarde om de onzekerheid over het verkrijgen van een opleidingsvergoeding, inherent aan een systeem dat gelinkt is aan de transfer van een speler, enigszins te milderen.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient evenredig verdeeld te worden over alle clubs die hebben bijgedragen aan de opleiding van de speler.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient evenredig verminderd te worden voor elk jaar waarin een speler na zijn opleiding bij de club blijft.

 

  1. Een systeem van opleidingsvergoedingen waarin de speler zelf moet instaan voor een deel van zijn vergoeding is mogelijk. In dat geval heeft het aandeel dat de speler moet betalen enkel betrekking op zijn eigen opleidingskosten en niet op het evenredig aandeel van de totale opleidingskost van de club, zoals uitgelegd in de tweede voorwaarde.

 

Een systeem van opleidingsvergoedingen waarin rekening gehouden wordt met bovenstaande elementen zou de geschiktheids- en proportionaliteitstoets van het Hof van Justitie kunnen doorstaan.

Zolang opleidingsvergoedingen echter gekoppeld zijn aan de internationale transfer van een speler vormen ze een belemmering van het vrij verkeer. Zoals gezegd zou een dergelijke belemmering gerechtvaardigd kunnen worden, maar dit brengt toch enige onzekerheid met zich mee.

Een alternatief mechanisme: revenue sharing

Om hieraan te verhelpen heeft de doctrine enkele alternatieve mechanismen ontwikkeld die het vrij verkeer van personen niet belemmeren.

Het meest besproken alternatief is een systeem van revenue sharing. Hierbij wordt geld verzameld in een fonds, waarna het verdeeld wordt over de clubs, afhankelijk van hun geleverde opleidingsprestaties.

Het typevoorbeeld van een dergelijk mechanisme is het jeugdfonds van Basketbal Vlaanderen. Hierin dient elke club een bijdrage te leveren waarvan de hoogte recht evenredig is met het niveau waarop de club actief is. Grotere clubs zullen dus meer inbrengen dan kleinere clubs, terwijl die laatste clubs er juist meer zullen uithalen. Op die manier werkt het systeem herverdelend. Daarnaast wordt de betaling van een vergoeding uit het fonds losgekoppeld van de transfer van een speler.

Een dergelijk mechanisme vormt geen belemmering van het vrij verkeer van personen.  Over de invoering van een soortgelijk systeem in de context van het voetbal rijzen nog enkele praktische vragen, die echter buiten het bestek van deze reeks vallen.

Besluit

Concluderend kan men stellen dat, hoewel de betaling van opleidingsvergoedingen een ingeburgerde praktijk is in het moderne voetbal, er juridisch een en ander op aan te merken valt. Doorheen de jaren heeft de rechtspraak de bestaande systemen van opleidingsvergoedingen bekritiseerd, maar tegelijkertijd criteria aangereikt om een systeem te ontwikkelen dat geschikt is om clubs aan te sporen te investeren in jeugdopleiding en dat tegelijkertijd proportioneel is tot dit doel.

Omdat een systeem gelinkt aan de transfer van een speler echter per definitie een belemmering van het vrij personenverkeer vormt, loont het om alternatieve mechanismen van opleidingsvergoedingen te overwegen.

 

 Vorige delen: Deel 1Deel 2 Deel 3


Page 2 of 5123...Last