Op het eerste gezicht lijkt het een paradox: een sportfederatie voert een regel in om de veiligheid van atleten te verhogen, maar een mededingingsautoriteit fluit haar terug. Toch is dit precies wat er gebeurde in een zaak tussen fietsonderdelenfabrikant SRAM en de Internationale Wielerunie (UCI). De Belgische Mededingingsautoriteit (BMA) heeft hiermee een krachtig signaal gegeven: ja, een veiligheidsregel kan geschorst worden als er serieuze aanwijzingen zijn dat deze, onder het mom van veiligheid, de concurrentie op een oneerlijke en disproportionele manier beperkt.

 

De juridische context: een omstreden versnellingsprotocol

De zaak draait om het “Maximum Gearing Test Protocol”, een nieuwe technische norm van de UCI die de maximaal toegestane versnelling in professionele wegwedstrijden beperkt. Deze regel, die op 1 augustus 2025 in werking trad en voor het eerst zou worden toegepast in de Ronde van Guangxi vanaf 14 oktober 2025, stelt de limiet op een overbrengingsverhouding equivalent aan 54×11 (een tandwiel met 54 tanden vooraan en een kleinste pignon van 11 tanden achteraan).

De UCI kaderde deze maatregel binnen het “SafeR”-initiatief, een orgaan opgericht om de veiligheid in de wielersport te verbeteren. Dit orgaan bestaat uit vertegenwoordigers van de UCI, professionele teams, koersorganisatoren en rennersvakbonden. Een opvallende afwezige in dit overlegorgaan: de fabrikanten van fietsmateriaal.

De Amerikaanse fabrikant SRAM, een van de twee marktleiders naast Shimano, voelde zich direct benadeeld. Hun innovatieve “RED AXS” transmissiesysteem, dat door tal van topteams wordt gebruikt, onderscheidt zich net door een cassette met 12 versnellingen en een kleinste pignon van 10 tanden. De nieuwe UCI-norm zou hun meest performante versnellingscombinatie (bv. 54×10) verbieden. Teams die SRAM gebruiken, stonden voor een “Corneliaanse keuze” (“Ils ont par ailleurs exposé que le Protocole pousse les équipes utilisant SRAM à un « choix cornélien » entre deux options“):

  1. Hun systemen mechanisch aanpassen of “blokkeren” om conform te zijn, wat resulteert in een competitief nadeel (slechts 11 bruikbare versnellingen) en – zoals door SRAM aangevoerd en door het Mededingingscollege meegewogen – het risico op het gebruik van ongetest, potentieel onveilig materiaal.
  2. Overstappen naar een concurrent wiens materiaal (zoals dat van marktleider en UCI-sponsor Shimano) wel standaard conform is.

Geconfronteerd met deze dreiging diende SRAM een klacht in bij de BMA en vroeg om de onmiddellijke opschorting van de regel via voorlopige maatregelen.

 

De beslissing: BMA schorst de technische norm

In haar beslissing van 9 oktober 2025 legde het Mededingingscollege van de BMA de gevraagde voorlopige maatregelen op.[1] De BMA beval de UCI om:

  • De implementatie van de norm onmiddellijk op te schorten, en uiterlijk op 13 oktober 2025.
  • Zich te onthouden van het opleggen van gelijkaardige beperkingen op overbrengingsverhoudingen totdat er een nieuwe veiligheidsmaatregel wordt aangenomen via een transparante, objectieve en niet-discriminerende procedure.
  • Een persbericht te publiceren waarin duidelijk wordt gemaakt dat de norm niet van toepassing is en waarin wordt verwezen naar de beslissing van de BMA.

De BMA oordeelde dat er prima facie voldoende aanwijzingen zijn dat de beslissing van de UCI een inbreuk vormt op zowel de Belgische mededingingsregels (Boek IV van het WER) als de Europese (artikel 101 en 102 VWEU).

 

Juridische analyse en duiding

Deze beslissing is een schoolvoorbeeld van de spanning tussen de autonomie van sportfederaties (lex sportiva) en de dwingende regels van het mededingingsrecht. De BMA betwist niet dat veiligheid een legitiem doel is, maar stelt dat de weg ernaartoe de concurrentie niet onnodig mag schaden.

De kern van de redenering van de BMA is dat de procedure en de inhoud van de norm ernstige gebreken vertonen. De BMA hekelt met name een gebrek aan transparantie, objectiviteit en non-discriminatie.

  1. Gebrek aan objectiviteit en transparantie: De beslissing van de UCI steunt grotendeels op een enquête onder renners, waarvan de BMA de methodologische robuustheid en representativiteit in twijfel trekt. Cruciaal is dat de fabrikanten van sportmateriaal systematisch uit het besluitvormingsproces binnen SafeR werden gehouden, ondanks hun technische expertise. Dit staat haaks op een evidence-based benadering.
  2. Discriminatie: De norm is de facto discriminerend. Hoewel geformuleerd als een neutrale technische limiet, treft de maatregel in de praktijk bijna uitsluitend SRAM. De systemen van de dominante marktleider, Shimano, blijven onaangetast. De BMA stelt vast dat dit de concurrentie op de markt voor transmissiesystemen dreigt te vervalsen.

Juridisch gezien baseert de BMA haar prima facie oordeel op twee pijlers van het mededingingsrecht:

  • Artikel 101 VWEU: Het protocol wordt gezien als een “besluit van een ondernemersvereniging” (de UCI en haar leden) dat tot doel of tot gevolg heeft de concurrentie te beperken door technologie te standaardiseren op een manier die één speler uitsluit.
  • Artikel 102 VWEU: De UCI heeft een monopolie op de regulering van de internationale wielersport en dus een machtspositie. Ze misbruikt deze positie door, zonder objectieve rechtvaardiging, regels op te leggen die de concurrentie op een aanverwante markt (fietsonderdelen) verstoren ten nadele van een innovatieve uitdager. De BMA verwijst hierbij expliciet naar de strenge procedurele eisen die het Europees Hof van Justitie in recente arresten als ISU en Superleague aan sportfederaties heeft opgelegd.

 

Wat dit concreet betekent

  • Voor sportfederaties: De boodschap is duidelijk. Regelgevende autonomie is geen vrijgeleide voor arbitraire beslissingen met een grote economische impact. Technische normen moeten gebaseerd zijn op solide, objectieve data en tot stand komen via een transparant proces waarbij alle relevante stakeholders, inclusief de industrie, worden gehoord.
  • Voor fabrikanten van sportmateriaal: Het toont aan dat het mededingingsrecht een krachtig instrument is om op te treden tegen regels die innovatie bestraffen en gevestigde marktposities beschermen onder het mom van veiligheid. Dit kan verstrekkende gevolgen hebben voor andere sporten waar materiaalregulering een rol speelt, zoals de zoolhoogte van atletiekschoenen of de specificaties van tennisrackets.

 

FAQ (Veelgestelde vragen)

Waarom kan een Belgische autoriteit oordelen over een beslissing van de UCI, die in Zwitserland gevestigd is?

De BMA is bevoegd omdat de beslissing van de UCI “gekwalificeerde effecten” heeft op de Belgische markt. Dit is het geval omdat er Belgische professionele teams (zoals Trek Factory Racing, gevestigd in Deinze) zijn die door de maatregel worden getroffen, Belgische renners die het materiaal gebruiken, en Belgische distributeurs en consumenten die de gevolgen ondervinden. Het mededingingsrecht is van toepassing waar de concurrentieverstorende effecten zich voordoen.

Betekent dit dat sportfederaties geen veiligheidsregels meer mogen opleggen?

Zeker niet. De BMA benadrukt dat het waarborgen van de veiligheid een legitiem en belangrijk doel is. De uitspraak gaat niet over het doel, maar over de middelen en de procedure. Een veiligheidsregel die gebaseerd is op objectief, wetenschappelijk bewijs en tot stand komt na een eerlijke en transparante consultatie van alle partijen, inclusief fabrikanten, zal juridisch veel sterker staan.

Is dit de definitieve uitspraak in deze zaak?

Nee, dit is een beslissing tot het opleggen van “voorlopige maatregelen”. De norm van de UCI is nu geschorst in afwachting van een definitieve beslissing in de bodemprocedure. Het Auditoraat van de BMA zal de klacht verder onderzoeken. De UCI heeft nu de keuze om de regel in te trekken, een nieuwe, beter onderbouwde procedure op te starten, of te proberen de BMA in de bodemprocedure alsnog te overtuigen van haar gelijk.

 

Conclusie

De beslissing van de BMA is een duidelijke afbakening van de macht van internationale sportfederaties. Hoewel hun rol als regulator essentieel is, moeten zij die uitoefenen met respect voor de fundamentele principes van het mededingingsrecht. Technische reglementering mag geen verkapte vorm van protectionisme zijn die innovatie afremt en de concurrentie vervalst. De boodschap is helder: de regels van het spel moeten eerlijk zijn, niet alleen voor de atleten op het veld, maar ook voor de bedrijven die hen van materiaal voorzien.

Heeft u te maken met een complexe zaak op het snijvlak van sportrecht en mededingingsrecht? Onze advocaten, gespecialiseerd in het Europees en Belgisch mededingingsrecht, staan klaar om uw dossier te analyseren. Neem vrijblijvend contact op voor een eerste advies.

 

[1] Zie: https://www.bma-abc.be/sites/default/files/content/download/files/ABC-2025-RPR-35%20PUB.pdf; en het persbericht van de BMA: https://www.bma-abc.be/sites/default/files/content/download/files/20251009_Persbericht_41_BMA.pdf.