+32 9 334 94 70

transfer

Tag Archives

De “Wet van 78” – ontslagregeling voor sporters

Het gebruik van de ‘Wet van 78’

Tijdens de Belgische transferperiodes wordt er in de media regelmatig verwezen naar de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (hierna: wet van 78).

Bekende voetballers die gebruik maakten van de wet van 78 zijn onder meer Steven Defour, Andres Mendoza, Davy De Beule, Koen Casteels en recent Junior Malanda.

Deze wet regelt een aantal specifieke sport-gerelateerde kwesties die afwijken van de gewone Arbeidsovereenkomstenwet. Deze wet voorziet onder  meer in een bijzondere ontslagregeling voor betaalde sportbeoefenaars. Indien een club niet wilt meewerken met de overgang van een speler naar een andere club, dreigt de speler er soms mee om op grond van deze wet zijn arbeidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen. In ruil hiervoor moet de speler een opzegvergoeding betalen. Aangezien de opzegvergoeding in veel gevallen lager is dan een mogelijke transfersom, wensen clubs de wet van 78 zo weinig mogelijk toe te passen.

In deze bijdrage worden de basisprincipes van de wet toegelicht.

Toepassingsgebied van de “Wet van 78”

De wet van 78 is van toepassing op de betaalde sportbeoefenaar, mits deze jaarlijks een bepaald minimumloon ontvangt. Dit minimumloon wordt bepaald bij Koninklijk Besluit en bedraagt voor de jaren 2019-2020 10.612 euro. Daarnaast is het toepassingsgebied uitgebreid tot ook trainers en scheidsrechters.

Een betaalde sportbeoefenaar wordt gedefinieerd als een persoon die de verplichting aangaat zich voor te bereiden of deel te nemen aan een sportcompetitie of -exhibitie onder het gezag van een ander persoon. Voetballers staan onder het gezag van hun club en kunnen dus van de wet gebruikmaken. Ook andere professionele sporters vallen binnen het toepassingsgebied van de wet. Omdat er in andere sporten slechts zelden wordt gewerkt met transfersommen, wordt de wet en de ontslagregeling  niet vaak in andere sporten als drukkingsmiddel gebruikt. Een bekend voorbeeld van een niet-voetballer die gebruik maakte van de wet van 78 is de wielrenner Frank Vandenbroucke en dit om zijn overgang naar Mapei in 1994 af te dwingen.

Ook de werkgever van een betaalde sportbeoefenaar (of trainer of scheidsrechter) kan zich op de wet beroepen.

De ontslagregeling in de “Wet van 78”

Het zwaartepunt van de wet betreft de mogelijkheid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de betaalde sportbeoefenaar.

In het merendeel van de gevallen wordt er tussen de betaalde sportbeoefenaar en de werkgever een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten. Indien één van de partijen voor het einde van de termijn de arbeidsovereenkomst verbreekt, zonder een dringende reden op te geven, dan heeft de benadeelde partij recht op een opzegvergoeding.

Deze is gelijk aan het loon dat verschuldigd is voor de resterende duurtijd van de arbeidsovereenkomst.

De wetgever heeft echter een bovengrens ingesteld in functie van het bruto jaarloon van de betaalde sportbeoefenaar. Een opzegvergoeding mag immers niet meer bedragen dan het dubbel van de bedragen bepaald in het KB van 13 juli 2004. Onderstaande tabel geeft de actuele geïndexeerde bedragen weer. De onderstaande tabel heeft in principe betrekking op de vergoeding die dient betaald te worden bij het onrechtmatig verbreken van een overeenkomst van onbepaalde duur. Ze wordt echter ook gebruikt als bovengrens bij de berekening van de vergoeding bij een verbreking van een contract van bepaalde duur.

Jaarlijks loon Verbrekingsvergoeding = lopend loon en voordelen verworven krachtens de overeenkomst overeenstemmend met:
≤ 19.541,12 EUR
  • 4,5 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt tijdens de eerste twee jaar na aanvang van deze overeenkomst
  • 3 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt vanaf het derde jaar na aanvang van deze overeenkomst

 

> 19.541,12 EUR en ≤ 31.863,33 EUR
  • 6 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt tijdens de eerste twee jaar na aanvang van deze overeenkomst
  • 3 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt vanaf het derde jaar na aanvang van deze overeenkomst

 

> 31.863,33 EUR en ≤ 42.484,45 EUR 6 maanden
> 42.484,45 EUR en ≤ 127.453,36 EUR 12 maanden
> 127.453,36 EUR 18 maanden

 Een illustratie:

Speler X tekent een arbeidsovereenkomst voor een duur van vijf jaar met club Y. Na zes maanden verbreekt speler X de arbeidsovereenkomst zonder een dringende reden op te geven. Speler X verdient jaarlijks 130.000 euro, wat neerkomt op 10.833,33 euro per maand.

De opzegvergoeding, verschuldigd door speler X, bedraagt in principe 585.000 euro (loon voor resterende duurtijd). Met toepassing van het KB van 13 juli 2004 bedraagt de opzegvergoeding echter ten hoogste twee keer 18 maanden loon. Speler X bevindt zich immers in de hoogste categorie (>127.453,36 euro). De opzegvergoeding bedraagt m.a.w. 390.000 euro (36 keer 10.833,33 euro).


Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 2/4)

Regulering en berekening van de opleidingsvergoeding

De opleidingsvergoeding en de berekening van de opleidingsvergoeding wordt geregeld in artikel 20 en annex 4 van de RSTP. Ze is verschuldigd wanneer een speler zijn eerste professionele contract sluit en bij elke internationale transfer tot het einde van het seizoen waarin hij 23 wordt en dit zowel bij een transfer tijdens als na afloop van de overeenkomst die een speler aan een bepaalde club bindt. De opleidingsjaren die in aanmerking worden genomen zijn die van 12 tot 21 jaar, tenzij uit de concrete feiten blijkt dat een speler zijn trainingsperiode eerder heeft beëindigd.

In drie gevallen is er geen opleidingsvergoeding verschuldigd. Ten eerste wanneer de vorige club het contract met de speler zonder geldige reden heeft verbroken. Ten tweede wanneer een speler getransfereerd wordt naar een club van categorie 4 (zie infra). Ten slotte wanneer een speler het statuut van amateur verkrijgt. De FIFA heeft voor de EU een extra situatie opgenomen waarin geen opleidingsvergoeding verschuldigd is. Met name wanneer de vorige club de speler geen nieuw contract geeft dat minstens de waarde heeft van het contract dat de speler reeds had bij die club. Deze regel vindt zijn oorsprong in het arrest-Bosman, dat in deel 3 van deze reeks aan bod komt.

De FIFA heeft een systeem van vier categorieën ontwikkeld, waarin elke club wordt ingedeeld op basis van niveau en investering in jeugdopleiding. Aan elke categorie wordt een forfaitair bedrag gelinkt dat moet overeenkomen met het bedrag dat een club jaarlijks spendeert aan jeugdopleiding, vermenigvuldigd met de zogenaamde ‘player factor’. Dit is het aantal spelers dat opgeleid moet worden om een professionele speler voort te brengen.

De berekening van de opleidingsvergoeding gebeurt door het aantal jaren training bij de vorige club te vermenigvuldigen met de trainingskosten van de nieuwe club, zoals die bepaald worden door de categorie waarbinnen deze club valt. Wanneer een speler van een lagere naar een hogere club gaat worden de opleidingskosten van de hogere club in aanmerking genomen. Wanneer een speler van een hogere naar een lagere club gaat worden de opleidingskosten van de lagere club in aanmerking genomen. Om de vergoeding voor de opleidingsjaren tussen de 12e en de 15e verjaardag van de speler te berekenen, dient men uit te gaan van de 4e categorie.

Opnieuw is er voor transfers binnen de EU in een uitzondering voorzien. Hier wordt de opleidingsvergoeding berekend door een gemiddelde te nemen van de categorie van de verkopende en aanwervende club, tenminste wanneer de verkopende club van een lagere categorie is dan de aanwervende club. Men probeert hiermee tegemoet te komen aan de eis die het Hof van Justitie in het arrest-Bosman had gesteld om de vergoeding te laten aansluiten bij de werkelijke opleidingskosten.

Bij de ondertekening van het eerste profcontract van een speler heeft elke club die de speler getraind heeft vanaf zijn 12e verjaardag recht op een deel van de vergoeding, pro rata van het aantal opleidingsjaren. Bij elke latere transfer tot het seizoen waarin de speler 23 wordt heeft enkel de laatste club van de speler recht op een opleidingsvergoeding.

Een voorbeeld van de berekening van de opleidingsvergoeding

 

Confederation Category 1 Category 2 Category 3 Category 4
AFC USD 40 000 USD 10 000 USD 2000
CAF USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
CONCACAF USD 40 000 USD 10 000 USD 2000
CONMEBOL USD 50 000 USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
OFC USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
UEFA EURO 90 000 EURO 60 000 EURO 30 000 EURO 10 000

 

Bovenstaande tabel bevat de trainingskosten per categorie, vastgesteld door de FIFA in 2018.

Een eenvoudig voorbeeld van een berekening, ter illustratie van bovenstaande principes:

Speler X speelt van het seizoen waarin hij 12 geworden is tot en met het seizoen waarin hij 15 geworden is bij de Belgische club A, die tot categorie 2 behoort. Vanaf het seizoen waarin hij 16 wordt tot en met het seizoen waarin hij 21 wordt speelt hij voor een Duitse club B van de 3e categorie. Uiteindelijk tekent hij zijn eerste profcontract in het seizoen waarin hij 22 wordt bij een Nederlandse club C van categorie 1.

Als gevolg van de ondertekening van het profcontract hebben club A en club B recht op een opleidingsvergoeding.

Club A heeft recht op 4 x 10 000= 40 000 euro.  Ook al behoort club A tot categorie 2, tussen de leeftijd van 12 en 15 jaar dient men uit te gaan van de opleidingskosten van categorie 4.Club B heeft recht op  6 x ((90 000 + 30 000)/2)= 360 000 euro.  Aangezien speler X van een lager naar een hoger gerangschikte club gaat dient men binnen de EU het gemiddelde te nemen van de opleidingskosten van beide clubs.

 

Volgende delen: deel 3deel 4

Vorige delen: deel 1 link


Reeks: de opleidingsvergoeding (Deel 1/4)

Inleiding: de opleidingsvergoeding

In 2014 versierde Kevin De Bruyne een transfer van Chelsea naar Wolfsburg. Naast de transfersom van ruim 24 miljoen euro zou er door Wolfsburg ook een opleidingsvergoeding van 650 000 euro verschuldigd zijn aan KRC Genk, de ploeg waar De Bruyne zijn opleiding genoot. Ook voor de transfer van Eden Hazard van Rijsel naar Chelsea ontving opleidingsclub Tubeke een vergoeding van 750 000 euro.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de betaling van opleidingsvergoedingen een ingeburgerde praktijk is in het voetbal. Clubs in kleinere voetballanden profileren zich als opleidingsclubs die talentvolle spelers op jonge leeftijd aankopen en hen verder opleiden in de hoop hen aan een grotere club te verkopen en naast de eenmalige transfersom ook bij een latere transfer nog een opleidingsvergoeding te ontvangen.

Dit model lijkt op het eerste zicht goed te werken. De opleidingsclub heeft een vergoeding in het vooruitzicht, de speler krijgt een kwalitatieve opleiding en de aanwervende club kan gebruikmaken van de diensten van een talentvolle speler, zonder dat ze zelf in de opleiding van deze speler heeft moeten investeren. Toch brengt het bestaande systeem van opleidingsvergoedingen de nodige juridische problemen met zich mee, zowel voor de speler als voor de betrokken clubs.

In deze vierdelige reeks worden de bestaande problemen toegelicht en worden er alternatieven aangereikt voor het bestaande systeem van opleidingsvergoedingen in de voetbalsport.

Definitie en verwante begrippen

De opleidingsvergoeding in het voetbal wordt geregeld door artikel 20 en annex 4 van de FIFA Regulations on the status and transfer of players (hierna RSTP). Een opleidingsvergoeding kan omschreven worden als een geldelijke compensatie ter vergoeding van de kosten gemaakt voor de opleiding van een speler, te betalen aan elke opleidingsclub op het moment van de ondertekening van het eerste profcontract en bij elke transfer tot en met het einde van het seizoen dat de speler drieëntwintig wordt. De opleidingsjaren die in aanmerking worden genomen zijn die van 12 tot 21 jaar, tenzij uit de concrete feiten blijkt dat een speler zijn trainingsperiode eerder heeft beëindigd. De specificiteiten worden in het volgend deel verder toegelicht.

Een opleidingsvergoeding dient onderscheiden te worden van een transfervergoeding. Dit is een financiële vergoeding die verschuldigd is in het kader van de voortijdige beëindiging van de arbeids-of dienstenovereenkomst met wederzijdse toestemming. De hoogte van de transfervergoeding is vaak gelinkt aan de economische waarde van de speler en wordt onderhandeld tussen de huidige en de overnemende club.

Ook de schadevergoeding voor contractbreuk verschilt van de opleidingsvergoeding. Artikel 17 RSTP bevat de criteria die men in acht dient te nemen om de hoogte van de schadevergoeding te bepalen in geval van contractbreuk. Onder meer het toepasselijke nationale recht en de resterende duurtijd spelen hierin een rol.

Nauw verwant met de opleidingsvergoeding is de solidariteitsbijdrage. 5% van een transfersom die voor een speler betaald wordt bij overgang naar een andere club moet worden verdeeld over alle opleidingsclubs van een speler, in verhouding met de duur van de geleverde opleidingsinspanningen. Deze bijdrage staat echter in geen enkel verband tot de opleidingskosten. Het is een mechanisme dat louter tot doel heeft om solidariteit tussen de kapitaalkrachtige en de minder kapitaalkrachtige clubs te creëren.

Een laatste onderscheid dat men moet maken is tussen de opleidingsvergoeding en het scholingsbeding. Dit laatste is een beding waarbij de werknemer, die gedurende de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst een vorming volgt op kosten van de werkgever, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte van de vormingskosten terug te betalen ingeval hij de onderneming verlaat voor het einde van de overeengekomen periode. Het scholingsbeding is echter om verschillende redenen moeilijk toepasbaar in de voetbalsector. Ten eerste kan het enkel gestipuleerd worden in een overeenkomst van onbepaalde duur. Deze zijn echter niet gangbaar in de voetbalwereld. Ten tweede is de vergoeding die gevraagd kan worden als de werknemer de onderneming verlaat voor het einde van de opleiding verschuldigd door de werknemer zelf. Dit in tegenstelling tot de opleidingsvergoeding, die betaald dient te worden door de overnemende club. Ten slotte moet het beding de kosten van de vorming reeds op voorhand vastleggen. De FIFA is echter van mening dat de opleidingskosten van een voetballer moeilijk a priori ingeschat kunnen worden.

Deel 2/4: Link

Deel 3/4: Link

Deel 4/4: Link

 

opleidingsvergoeding


Een transfer zonder transfervergoeding?

In België vallen sporters wat betreft hun statuut ofwel onder de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars ofwel onder het decreet van 24 juli 1996 tot vaststelling van het statuut van de niet-betaalde sportbeoefenaar.

Het criterium op basis waarvan het toepassingsgebied wordt bepaald is het loon die de sporter ontvangt. Deze loongrens voor sporters van binnen de Europese Economische Ruimte wordt jaarlijks bij koninklijk besluit vastgesteld voor de periode van 1 juli tot en met 30 juni. Voor de periode 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018 bedraagt deze loongrens – ongeacht of het gaat over deeltijdse of voltijdse arbeid – 10.200,00 EUR. Onder loon wordt onder meer het vast loon, de wedstrijdpremies, de winstpremies, het tekengeld, de huisvesting en het gebruik van een wagen of gsm gerekend.

Verdient de sporter meer dan 10.200,00 EUR / jaar, dan is de wet van 24 februari 1978 van toepassing. Valt de sporter onder deze loongrens dan betreft het een niet-professionele sportbeoefenaar die onder het voormeld decreet van 24 juli 1996 valt. Er bestaan evenwel uitzonderingen voor sporters die onder de loongrens vallen maar toch gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst. Dit laatste is een gevolg van een uitspraak van het Grondwettelijk Hof.

De niet-professionele sportbeoefenaar heeft krachtens artikel 3.1 van het decreet het recht om zijn overeenkomst tussen hem en zijn sportvereniging jaarlijks te beëindigen. Deze beëindiging dient evenwel te gebeuren middels een aangetekende brief en in principe tussen 1 juni en 30 juni. Deze periode – die altijd één maand moet bedragen – kan voor sportverenigingen evenwel gewijzigd worden na goedkeuring van de Vlaamse regering.

Dergelijke beëindiging betekent dat de sporter vrij naar een andere sportvereniging – zelfs als professioneel sportbeoefenaar – mag overgaan. Er zijn hiertegen geen verzetsmogelijkheden.

Artikel 3§2 van het decreet is in het geval van een regelmatige beëindiging van een overeenkomst tussen een amateursporter en zijn sportvereniging duidelijk. De betaling van enige vergoeding naar aanleiding van een overgang is verboden.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars maar ten vroegste geldig kan worden afgesloten vanaf het einde van de voltijdse leerplicht. Deze minimumleeftijd werd in het voetbal, basketbal, volleybal en wielrennen bovendien opgetrokken tot 16 jaar voor een deeltijdse arbeidsovereenkomst en tot 18 jaar voor een voltijdse arbeidsovereenkomst. Onder deze leeftijd valt men dan ook per definitie onder het decreet van 24 juli 1996.

Concluderend kan worden gesteld dat iedere amateursporter en iedere jonge sporter die het einde van de voltijdse leerplicht nog niet bereikt heeft elk jaar mits een geldige beëindiging vrij en kosteloos van sportclub kan veranderen.

Elke bepaling in een reglement in strijd met het decreet van 24 juli 1996 en die de rechten van de niet-professionele sportbeoefenaar verzwaart is nietig.

In bepaalde gevallen kan er niettemin voor jonge sporters een opleidingsvergoeding verschuldigd zijn. Daarnaast wordt soms gebruik gemaakt van de in de sportwereld discutabele figuur van de sterkmaking. Hierbij verbinden de ouders zich tot het betalen van een bepaald bedrag (schadevergoeding) aan de sportclub indien hun kind bij het einde van de leerplicht of bij het bereiken van de meerderjarigheid geen nieuw contract ondertekent bij diezelfde sportclub.

Vragen hieromtrent? Aarzel niet om ons te contacteren via het contactformulier of via sport@everest-law.be.