Afspraak? 09/334.94.70

Blog

Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 3/4)

De opleidingsvergoeding en het vrij verkeer van werknemers (EU Sportrecht)

Opleidingsvergoedingen kwamen in de afgelopen twee decennia onder druk te staan door het EU-recht. Vooral de regels omtrent de vier vrijheden die de Europese interne markt constitueren, hebben hun invloed gehad op de Europese sportwereld, en op het voetbal in het bijzonder. Omdat het merendeel van de professionele voetballers  door middel van een arbeidsovereenkomst bij een club aangesloten is, baseerden spelers en clubs zich herhaaldelijk op het vrij verkeer van werknemers om een verschuldigde  opleidingsvergoeding aan te vechten.

Sinds de zaak Walrave van 1974 aanvaardt het Hof van Justitie dat sportbeoefening onder het gemeenschapsrecht (thans EU-recht) valt, in zoverre zij een economische activiteit uitmaakt. Een professionele voetballer die aangesteld is als werknemer, oefent wel degelijk een economische activiteit uit, met de toepassing van het EU-recht als gevolg.

De primaire bron voor het vrij verkeer van werknemers is artikel 45 van het Verdrag betreffende  de Werking van de Europese Unie (hierna  VWEU). Om onder het toepassingsgebied van artikel 45 VWEU te vallen, moet aan drie voorwaarden voldaan zijn. Het moet gaan om een werknemer (1) die onderdaan is van een EU-lidstaat (2) en er moet sprake zijn van een grensoverschrijdend element (3).

Het begrip werknemer werd door het Hof van Justitie gedefinieerd als “een persoon die voor en onder gezag van een andere persoon bepaalde diensten verricht tegen een vergoeding”. De rechter zal telkens geval per geval in concreto beoordelen, maar een professionele voetballer die dagelijks traint, onder leiding en toezicht staat van zijn club en hiervoor betaald wordt, zal vermoedelijk als werknemer in de zin van artikel 45 VWEU gekwalificeerd worden.

Volgens artikel 45 VWEU is elke belemmering van het vrij verkeer of discriminatie tussen werknemers van lidstaten op basis van nationaliteit verboden. Belemmeringen kunnen echter  gerechtvaardigd worden aan de hand van de zogenaamde rule of reason, ontwikkeld door het Hof van Justitie in het arrest Cassis de Dijon.  Een beperkende maatregel die een rechtmatig, met het verdrag verenigbaar doel nastreeft en die zowel geschikt als noodzakelijk is om dat doel te bereiken, kan gerechtvaardigd worden.

Een opleidingsvergoeding die verschuldigd is naar aanleiding van een internationale transfer vormt een beperking op de bewegingsvrijheid van een voetballer als werknemer. De overnemende club dient de opleidingsvergoeding immers te betalen, wat de mogelijkheid van de voetballer om in een andere lidstaat te spelen bemoeilijkt.

De zaak Bosman

De eerste keer dat de verenigbaarheid van een opleidingsvergoeding met het vrij verkeer van werknemers ter sprake kwam was in het arrest-Bosman. Jean-Marc Bosman was een Belgische voetballer die op huurbasis getransfereerd werd van RC Luik naar Duinkerken. Omdat RC Luik geen vertrouwen had in de financiële capaciteit van Duinkerken om de gevraagde transfervergoeding te betalen, vroeg het de KBVB om het transfercertificaat niet op te sturen naar de Franse voetbalbond (FFF). Ook werd Bosman geschorst, waardoor hij voor de rest van het seizoen niet kon aantreden voor de eerste ploeg van RC Luik.

Bosman trok hierop naar de rechter en de zaak kwam uiteindelijk voor het Hof van Justitie. Een van de rechtvaardigingsgronden die de sportinstanties aanvoerden, was dat het transfersysteem moest blijven bestaan om clubs aan te sporen in jeugdopleiding te investeren. Zonder opleidingsvergoeding zou de incentive van clubs om jonge spelers op te leiden immers verdwijnen.

Het Hof van Justitie erkent dat het opleiden van jonge spelers een legitiem doel is. Ook kan het vooruitzicht op het verkrijgen van een opleidingsvergoeding clubs in principe aansporen om op zoek te gaan naar nieuw talent en om jonge spelers op te leiden. Omdat slechts een klein aantal van de spelers die men opleidt, beroepsvoetballer zullen worden en een sportcarrière moeilijk te voorspellen is, is er echter een te grote mate van onzekerheid en toeval die de opleidingsvergoeding kenmerken. Door het onzekere karakter ervan kan een voetbalclub er niet op vertrouwen dat het inkomsten haalt uit de opleiding van spelers. Ook wordt een opleidingsvergoeding gekoppeld aan de marktwaarde van een speler in plaats van aan de eigenlijke opleidingskosten die een club gespendeerd heeft. In die omstandigheden kan het vooruitzicht op een vergoeding geen beslissende stimulans zijn om spelers op te leiden, aldus het Hof.

 

De zaak Bernard

15 jaar na het arrest-Bosman moest het Hof van Justitie opnieuw oordelen over opleidingsvergoedingen, ditmaal in de zaak-Bernard. Het betrof een Franse speler die bij Olympique Lyonnais een beloftecontract ondertekende. Als gevolg hiervan was hij verplicht om na afloop van de termijn van dit contract in te gaan op elk contractvoorstel dat Olympique Lyonnais hem deed. Dit was zo geregeld in een charter dat ondertekend was door de Franse voetbalbond, de spelersvakbond en de liga van voetbalclubs. Bernard wilde echter spelen voor Newcastle United. Hierop trok Olympique Lyonnais naar de arbeidsrechtbank met de eis om een jaarsalaris toe te kennen als schadevergoeding voor contractbreuk. Zowel in beroep als in Cassatie beargumenteerde Bernard dat deze schadevergoeding in feite een verdoken opleidingsvergoeding is. De zaak werd doorverwezen naar het Hof van Justitie.

In dit arrest wijkt het Hof enigszins af van zijn bevindingen in het arrest-Bosman. Omdat slechts een deel van de opgeleide spelers uiteindelijk profvoetballer wordt en omdat de kosten van de opleiding van jonge spelers slechts gedeeltelijk gecompenseerd worden door de winst die men tijdens de opleidingsperiode uit deze spelers kan halen, wordt de opbrengst uit de door clubs gemaakte opleidingsinvesteringen gekenmerkt door toeval. In die omstandigheden, m.a.w. in die toestand van onzekerheid waarin een opleidingsclub zich bevindt, zou een club ontmoedigd worden te investeren in jeugdopleiding als ze geen opleidingsvergoeding zou ontvangen wanneer een speler na zijn opleiding een contract tekent bij een andere club. Een dergelijke regeling kan dus in principe gerechtvaardigd worden door het legitieme doel  om de opleiding van jonge spelers aan te moedigen. De regeling waarmee het Hof in de zaak-Bernard geconfronteerd wordt, is echter niet geschikt, noch proportioneel. De opleidingsvergoeding wordt immers berekend op basis van de schade die Olympique Lyonnais lijdt, zonder dat er enige link is met de werkelijke opleidingskosten.

Het Hof knoopt aldus twee keer een verschillend gevolg vast aan het onzekere karakter van de opleidingsvergoeding. In het arrest-Bosman was het van mening dat een opleidingsvergoeding in de toenmalige vorm geen geschikt middel is, gelet op het onzeker karakter ervan. In de zaak-Bernard daarentegen stelt het Hof dat de onzekerheid die gepaard gaat met een opleidingsvergoeding een reden is om de vergoeding te behouden. Clubs worden immers geconfronteerd met onzekerheid, deze zou alleen maar toenemen mocht men de opleidingsvergoeding verbieden.

 

De zaak Wilhelmshaven

Een laatste ijkpunt in de geschillenreeks omtrent de opleidingsvergoeding betreft de zaak-Wilhelmshaven. Het was de eerste keer dat het systeem van opleidingsvergoedingen, zoals uitgelegd in deel 1 van deze reeks, door een rechter getoetst werd op zijn conformiteit met het vrij verkeer van werknemers.

Het ging over een Argentijns-Italiaanse voetballer, Sergio Sagarzazu, die zijn opleidingsjaren doorbracht bij Atlético Excursionistas en Atlético River Plate. In 2007 werd hij verhuurd aan SV Wilhelmshaven, waar hij zijn eerste profcontract tekende. Excursionistas beweerde recht te hebben op een opleidingsvergoeding van 60 000 euro. River Plate claimde een vergoeding van 100 000 euro. SV Wilhelmshaven vond deze bedragen buitenproportioneel en vocht ze bij de FIFA DRC, het CAS en de gewone rechter aan. Uiteindelijk kwam de zaak voor het Oberlandesgericht Bremen.

Het Oberlandesgericht stelt dat een vorm van opleidingsvergoeding in het geval waarin een speler na beëindiging van zijn opleiding een eerste profcontract sluit bij een andere club dan de opleidingsclub gerechtvaardigd kan worden. De bestaande vormen van opleidingsvergoedingen werden echter niet beschouwd als een geschikt middel.

Enerzijds worden opleidingsvergoedingen gekenmerkt door onzekerheid en toeval. De professionele carrière van een jeugdspeler valt niet in te schatten en slechts een beperkt aantal jeugdspelers zal een profcontract tekenen. Anderzijds is de huidige vorm van opleidingsvergoedingen niet gebaseerd op de werkelijke opleidingskosten die een club gemaakt heeft. Het FIFA-reglement gaat immers uit van de door de aanwervende club uitgespaarde kosten in plaats van de door de opleidingsclub gemaakt kosten. Daarnaast houdt de FIFA geen rekening met de werkelijke opleidingskosten, maar met de economische waarde van een speler. Men waardeert de categorieën van opleidingsvergoedingen immers per continent, aan de hand van de economische waarde van de overkoepelende voetbalassociatie van een continent. Daarnaast worden clubs ingedeeld per categorie aan de hand van de nationale liga en klasse waarin ze spelen en dus niet volgens hun opleidingsinspanningen.

Het arrest-Wilhelmshaven is het voorlopig laatste hoofdstuk in de discussie over de opleidingsvergoeding. In deel vier van deze serie worden uit bovenstaande rechtspraak criteria gedistilleerd waaraan een systeem van opleidingsvergoedingen dient te voldoen om de rule-of- reason-test te doorstaan. Ook zal er aandacht zijn voor alternatieve systemen die in rechtspraak en doctrine geopperd worden.

 

Vorige delen: Deel 1Deel 2 

Volgend deel : Deel 4:  kritische analyse van het huidig systeem 

Andere artikels

Post commentaar

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *