+32 9 334 94 70

Blog

De zaak Mutu en Pechstein (CAS) voor het EHRM

Een korte voorgeschiedenis

Adrian Mutu

Adrian Mutu betreft een voetballer die in 2003 een transfer had gerealiseerd van AC Parma naar Chelsea. In 2004 werd de heer Mutu een positieve dopingtest inzake cocaïne ten laste gelegd. De interne geschillenbeslechting binnen de FA en vervolgens de FIFA oordeelden dat de heer Mutu contractbreuk had gepleegd en dat Chelsea gerechtigd was op schadevergoeding. Na jaren van procederen wees de Dispute Resolution Chamber van de FIFA een schadevergoeding van meer dan 17 miljoen euro toe aan Chelsea.

De heer Mutu wendde zich naar het CAS (Court of Arbitration for Sport). Het CAS wees het hoger beroep echter af. De heer Mutu was van oordeel dat het CAS niet onafhankelijk en onpartijdig was. Er volgde uiteindelijk een procedure voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Claudia Pechstein

Claudia Pechstein was en is nog steeds een schaatser. Op 3 juli 2009 werd door de Internationale Schaatsunie (ISU) bekend gemaakt dat mevrouw Pechstein een dopingovertreding (bloeddoping) had begaan. Er volgde een schorsing van twee jaar. Mevrouw Pechstein vocht deze bevindingen aan en wendde zich tot het CAS. Het CAS, en nadien het Zwitsers Federaal Hof, wees het hoger beroep af als ongegrond.

Mevrouw Pechstein startte vervolgens een burgerrechtelijke procedure in Duitsland. Het Hof van Beroep van Munchen (Oberlandesgericht Munchen) volgde de argumenten van mevrouw Pechstein en oordeelde onder meer dat de overeenkomst tussen mevrouw Pechstein en de ISU ongeldig was. Het hof van Beroep meende namelijk dat mevrouw Pechstein geen vrije keuze had in het al dan niet ondertekenen van de overeenkomst indien zij wou sporten op het allerhoogste niveau. De rechtbank verklaarde de beslissingen van het CAS en het Zwitsers Federaal Gerechtshof als niet toepasselijk in Duitsland en kende mevrouw Pechstein een aanzienlijke schadevergoeding toe. Het Duits Federaal Grondwettelijk Hof hervormde echter de voormelde beslissing en oordeelde op 7 juni 2016  dat Pechstein uit vrije wil de overeenkomst met de ISU had ondertekend, onder meer inhoudende dat disputen door het CAS zouden worden behandeld. Het Hof oordeelde dat er geen misbruik van de dominante positie van de ISU werd vastgesteld.

Mevrouw Pechstein wendde zich hierop volgend eveneens naar het Europees Hof van de Rechten van de Mens.

De procedure voor het EHRM

Op 2 oktober 2018 volgde een beslissing in de beide dossiers van de heer Mutu en mevrouw Pechstein tegen Zwitserland (N. 40575/10 en N.  67474/10) voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

De kern van de zaak betrof de al dan niet geldigheid van de procedures van beide atleten voor het CAS. Beide atleten argumenteerden in hoofdorde dat het CAS niet kon aanzien worden als een onafhankelijk en onpartijdig tribunaal.

Het EHRM kwam in eerste instantie tot het belangrijk besluit dat het CAS moet voldoen aan alle vereisten die noodzakelijk zijn om de atleten een eerlijk proces conform het EVRM te garanderen. Het EHRM bevestigde tevens dat mevrouw Pechstein niet vrijwillig haar toestemming had gegeven om zich te onderwerpen aan het CAS nu dit haar enige optie was om te sporten op professioneel niveau.

Het EHRM oordeelde vervolgens dat de bezwaren van mevrouw Pechstein met betrekking tot het structureel gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid en dat de bezwaren van de heer Mutu met betrekking tot de onafhankelijkheid van bepaalde arbiters evenwel moesten worden verworpen. Het EHRM oordeelde met andere woorden dat er geen schending was van het artikel 6§1 EVRM, het recht op een eerlijk proces,  inzake de onafhankelijkheid van het CAS.

Het recht op toegang tot een rechtbank verhindert de werking van arbitragetribunalen niet en het CAS kan volgens het EHRM de vergelijking doorstaan met een door de wet opgericht tribunaal.

Het EHRM oordeelde tot slot wel dat er een schending was van het artikel 6§1 in de zaak van mevrouw Pechstein ingevolge het feit dat haar hoorzitting niet publiekelijk was. Deze schending was evenwel niet doorslaggevend.

Enkele kanttekeningen voor het CAS

Alhoewel één en ander op het eerste zicht een positieve beslissing lijkt voor het CAS dienen er niettemin ernstige kanttekeningen bij de beslissing te worden geplaatst.

Vooreerst is het oordeel van het EHRM dat atleten zich vaak niet vrijwillig verbinden om zich te onderwerpen aan het CAS opvallend. Dit zal in de toekomst ongetwijfeld worden aangegrepen door diverse partijen.

Daarnaast waren twee van de zeven rechters, Helen Keller en Georgios Serghides, van oordeel dat het CAS niet voldeed aan de vereisten van onafhankelijk en onpartijdigheid zoals vereist onder het artikel 6§1 van het EVRM. Beiden schreven een uitgebreide afwijkende opinie.

Zo menen beiden dat het problematisch is dat het CAS voor een aanzienlijk aantal professionele atleten de enige beroepsinstantie is die kan oordelen over hun zaken. Ook de invloed en de samenstelling van het ICAS (International Council of Arbitration for Sport) dat de arbiters selecteert kan als problematisch worden beschouwd.

De beslissing bepaalt tot slot dat beide atleten kunnen verzoeken om de zaak te laten behandelen door de Grote Kamer van het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Rekening houdende met de afwijkende opinies bestaat er een kans dat de beslissing hervormd zal worden door de Grote Kamer. De kans dat er wordt verzocht om de zaak door te verwijzen is dan ook reëel.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

De volledige beslissing vind je hier (franstalig).

Het persbericht vind je hier (engelstalig).

 

Andere artikels

Post commentaar

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *