+32 9 334 94 70

Blog

De Macolin-conventie – een nieuw verdrag inzake wedstrijdvervalsing

De Macolin-conventie: de inwerkingtreding van een verdrag inzake wedstrijdvervalsing

Het Verdrag inzake de Manipulatie van Sportwedstrijden (the Convention of the manipulation of Sports Competitions) vindt zijn oorsprong binnen de Raad van Europe en werd geopend ter ondertekening op 18 september 2014 door de Raad van Ministers verantwoordelijk voor sport.

Op 16 mei 2019 ratificeerde Zwitserland als vijfde land het Verdrag inzake de Manipulatie van Sportwedstrijden  oftewel de Macolin-conventie.

Nu er vijf landen het verdrag ondertekend hebben – Moldavië, Noorwegen, Portugal, Oekraïne en Zwitserland – treedt het verdrag in werking op 1 september 2019.

België ondertekende het verdrag doch ratificeerde het op heden nog niet.

De Macolin-conventie, verwijzend naar de Zwitserse stad waar het verdrag gesloten werd, heeft als doel om matchfixing en wedstrijdvervalsing en meer in het algemeen de manipulatie van sportwedstrijden te bestrijden.

Professionele sportbeoefening is de voorbije jaren in toenemende mate gecommercialiseerd en gemediatiseerd. Tegelijkertijd is sinds de eeuwwisseling ook een stijgend aantal illegale activiteiten waarneembaar.

Vooral de opkomst van de gokindustrie, vaak onvoldoende gecontroleerd door de overheid, wordt in het verdrag aangehaald als reden voor het toenemend aantal gevallen van manipulatie van sportwedstrijden.

Naast de aantasting van de integriteit van de sport leidt dit ook tot economische schade. Professionele sportwedstrijden zijn immers gebaat bij een onvoorspelbaarheid van resultaten. Een voorspelbare competitie zal geen kijkers, noch sponsors aantrekken.

Doelstelling

 De Macolin-conventie moet een antwoord bieden op bovenstaande, grensoverschrijdende problemen. Haar voornaamste doelstelling is om manipulatie van sportwedstrijden te voorkomen, op te sporen en te bestraffen.

Preventieve maatregelen

Een eerste luik van maatregelen is preventief van aard. De verdragspartijen dienen voorlichting, training en onderzoek ter bestrijding van de manipulatie van sportwedstrijden aan te moedigen.

Maatregelen t.a.v. sportorganisaties

Sportorganisaties worden aangemoedigd om zich zodanig te organiseren dat daden van competitievervalsing ontmoedigd worden, onder meer door belanghebbenden bij sportwedstrijden (bv. spelers) te verbieden om hieromtrent weddenschappen aan te gaan.

Wedstrijden waarbij het gevaar van manipulatie groter is dienen intensiever gemonitord te worden. Daarnaast moeten sportorganisaties een regeling voorzien waarin klokkenluiders bescherming krijgen. Ook formuleert het verdrag de aanbeveling om scheidsrechters zo laat mogelijk aan te duiden om een bepaalde wedstrijd te leiden. Op die manier tracht men de integriteit van de scheidsrechters te beschermen en te vermijden dat ze benaderd worden met de vraag om een sportwedstrijd te manipuleren.

Opdat een inbreuk op de interne regels m.b.t. de manipulatie van sportwedstrijden daadwerkelijk bestraft kan worden, moeten sportorganisaties voorzien in disciplinaire maatregelen. Een eventuele tuchtsanctie doet echter geen afbreuk aan de mogelijkheid om ook burgerrechtelijk of zelfs strafrechtelijk vervolgd te worden voor de manipulatie van een sportwedstrijd.

Maatregelen t.a.v. organisatoren van weddenschappen

De verdragspartijen moeten vervolgens maatregelen nemen m.b.t. de organisatoren van sportweddenschappen. Weddenschappen die betrekking hebben op sportwedstrijden voor minderjarigen worden verboden, net als weddenschappen die gericht zijn op sportwedstrijden van gering belang. Het risico op manipulatie is daarbij immers hoog.

Het moet voor exploitanten van sportweddenschappen onmogelijk gemaakt worden om te wedden op hun eigen producten. Daarnaast hebben verdragspartijen de verplichting om maatregelen te nemen die verhinderen dat een exploitant van sportweddenschappen misbruik maakt van zijn positie als sponsor. Ook dienen exploitanten verdachte weddenschappen te melden aan de bevoegde autoriteiten.

Verder moeten de partijen  in de mate van het mogelijke de toegang tot exploitanten van illegale sportweddenschappen beperken. Dit kan onder meer door hun website te blokkeren.

Oprichting van een nationaal platform

Het verdrag voorziet in de oprichting van een nationaal platform dat verantwoordelijk is voor de strijd tegen de manipulatie van sportwedstrijden. Het platform heeft als taak om informatie betreffende verdachte sportweddenschappen te verzamelen en te analyseren. Indien het dit nodig acht moet het platform deze informatie doorsturen naar de sportorganisatie in kwestie of de bevoegde autoriteiten. Het nationaal platform fungeert dus als centraal coördinatiecentrum voor de bestrijding van de manipulatie van sportwedstrijden.

Verder dient elke partij bij het verdrag ervoor te zorgen dat de manipulatie van sportwedstrijden ook strafrechtelijk beteugeld kan worden. Niet alleen de manipulatie zelf wordt geviseerd, maar ook het witwassen van de opbrengsten die eruit voortkomen.

 

De volledige tekst van de Macolin-conventie is hier terug te vinden: https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/rms/09000016801cdd7e

Meer informatie over de Macolin-conventie is hier terug te vinden: https://www.coe.int/en/web/sport/manipulation-of-sports-competitions

Voor meer informatie over wedstrijdvervalsing / matchfixing: https://www.sportadvocaten.be/matchfixing-wedstrijdvervalsing/ 

Matchfixing


De zaak Semenya – hyperandrogene atleten

De zaak Semenya

Op 30 april 2019 deed het Court of Arbitration for Sports (hierna: CAS) uitspraak in de zaak die door atlete Caster Semenya, samen met Athletics South Africa (hierna: ASA), was aangespannen tegen de International Association of Athletics Federations (hierna: IAAF). Het voorwerp van het geschil was de implementatie van het nieuwe het IAAF-reglement omtrent de deelname van hyperandrogene atletes aan vrouwencompetities.

Het is niet de eerste keer dat het CAS uitspraak doet over deze problematiek. Reeds in 2015 beschouwde het CAS een gelijkaardig reglement van IAAF als discriminatoir.

In 2018 stelde IAAF een volledig nieuw reglement op. De ‘Differences of Sex Development Regulations’ (hierna: DSD-regulations) houden in dat vrouwelijke hyperandrogene atletes met een testosteronniveau boven 5.0 nmol/L niet mogen deelnemen aan wedstrijden. Enkel de zogenaamde ‘restricted events’ worden geviseerd. Dit zijn een achttal atletiekdisciplines waarvan IAAF beweert dat hyperandrogene atletes er een te groot voordeel hebben t.o.v. niet-hyperandrogene atletes. Het gaat onder meer om de 400, 800 en 1500 meter. Atletes met een te hoog testosteronniveau hebben de keuze om 1) d.m.v. een behandeling hun testosteronniveau te doen dalen, 2) enkel deel te nemen aan nationale wedstrijden op lager niveau of 3) een aanvraag in te dienen om te mogen deelnemen aan de mannencompetitie.

Caster Semenya is een atlete met een natuurlijk testosteronniveau dat boven de grens van 5.0 nmol/l ligt. Bovendien is ze actief in de geviseerde disciplines. Zij ervaart de DSD-regulations echter als discriminerend en vocht ze aan bij het CAS.

 

Argumentatie partijen

Caster Semenya argumenteert dat er sprake is van discriminatie op basis van geslacht omdat de voornoemde regels enkel van toepassing zijn op vrouwelijke atleten. Bovendien worden enkel vrouwen met specifieke fysiologische kenmerken geviseerd. De regels zouden niet gesteund zijn op wetenschappelijk gronden, niet noodzakelijk zijn om een eerlijke competitie te garanderen en zouden ten slotte ongerechtvaardigde en onherstelbare schade berokkenen aan de getroffen atletes.

IAAF meent daarentegen dat de DSD-regulations noodzakelijk zijn om een eerlijk competitieverloop te garanderen en om een level playing field te creëren.

 

 Beslissing CAS

Het CAS stelt in eerste instantie vast dat de DSD-regulations wel degelijk discriminerend van aard zijn. Enerzijds ondervinden vrouwelijke atleten beperkingen die niet van toepassing zijn op mannelijke atleten, waardoor er sprake is van een discriminatie op basis van geslacht. Anderzijds worden er beperkingen opgelegd aan vrouwen met bepaalde biologische karakteristieken, in tegenstelling tot vrouwen die deze karakteristieken niet bezitten.

Een verschillende behandeling kan echter gerechtvaardigd worden wanneer ze noodzakelijk en redelijk is om een bepaald doel te bereiken en de ingezette middelen bovendien proportioneel zijn met dit doel.

Het CAS is van oordeel dat de DSD-regulations noodzakelijk zijn om een eerlijk competitieverloop te garanderen.

De indeling van een atlete in de mannen- of vrouwencompetitie dient volgens het CAS te gebeuren op basis van de concrete biologische kenmerken van de atlete in kwestie. Op die manier wordt vermeden dat vrouwen met buitengewone fysiologische kenmerken, die een significant competitief voordeel opleveren, zouden deelnemen aan competities waarin de concurrentie niet over deze voordelen beschikt. Op die manier hoopt men een eerlijk competitieverloop te garanderen.

Deze redenering volgend kan men vrouwen met een buitengewoon hoog testosteronniveau niet laten deelnemen aan vrouwencompetities, waarin de overgrote meerderheid van de deelneemsters een voor vrouwen normaal testosteronniveau heeft. Het CAS is van oordeel dat hyperandrogene atletes immers een significant en beslissend voordeel zouden genieten, zeker in de door de DSD-regulations geviseerde disciplines.

Het CAS stelt vervolgens dat de DSD-regulations redelijk en proportioneel zijn. Er wordt immers niet vereist dat vrouwen met een buitengewoon hoog testosteronniveau chirurgische ingrepen ondergaan. Een behandeling met oraal toegediende medicatie volstaat.

Het discriminatoir karakter van de DSD-regulations is dus gerechtvaardigd volgens het CAS.

Vanaf de kennisgeving van de beslissing hebben ASA en Caster Semenya 30 dagen om hoger beroep in te stellen bij de Zwitserse federale rechtbank. ASA heeft reeds aangekondigd dit te zullen doen.

De beslissing van het CAS leidt tot hevige discussies in sportmiddens.


Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 4/4)

Een voorstel van opleidingsvergoeding in lijn met het Europees recht

In het vorige deel werden de jurisprudentiële ontwikkelingen over de opleidingsvergoeding geschetst. Hieronder volgt een concrete lijst van criteria die uit de voormelde rechtspraak gedistilleerd kan worden en waaraan een systeem van opleidingsvergoedingen dient te voldoen om de toets van het Hof van Justitie te doorstaan.

Een eerste vaststelling is dat het Hof van Justitie een systeem van opleidingsvergoedingen niet a priori uitsluit. Een opleidingsvergoeding kan clubs wel degelijk aansporen om te investeren in jeugdopleiding. Het Hof van Justitie bevestigt meermaals dat de aansporing tot de opleiding van jonge spelers een legitiem doel is, gelet op het sociaal-economische belang van voetbal in de EU.

Een aantal noodzakelijke criteria

Wanneer men de eerder besproken arresten samen leest met de bijhorende conclusies van de advocaten-generaal komt men tot de volgende lijst van cumulatieve voorwaarden:

  1. Een opleidingsvergoeding is mogelijk na afloop van de opleidingsperiode bij het sluiten van een eerste profcontract bij een andere club dan de opleidingsclub.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient de werkelijke opleidingskost te dekken. Zowel advocaat-generaal Lenz in de zaak-Bosman als het Oberlandesgericht in de zaak-Wilhelmshaven stelt dat een opleidingsvergoeding niet berekend mag worden o.b.v. de marktwaarde van de speler in kwestie.

 

  1. Een proportioneel aandeel van de opleidingskosten van de spelers die geen prof werden, dient meegenomen te worden in de berekening van de opleidingsvergoeding. Advocaat-generaal Sharpston komt in de zaak-Bernard tot het besluit dat slechts een minderheid van de jeugdspelers in aanmerking komt voor een profcontract. Om deze minderheid zichtbaar te maken, moet een club echter een groot aantal spelers opleiden. De inspanningen voor één speler reiken m.a.w. verder dan zijn eigen opleiding. Het Oberlandesgericht stelt die voorwaarde om de onzekerheid over het verkrijgen van een opleidingsvergoeding, inherent aan een systeem dat gelinkt is aan de transfer van een speler, enigszins te milderen.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient evenredig verdeeld te worden over alle clubs die hebben bijgedragen aan de opleiding van de speler.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient evenredig verminderd te worden voor elk jaar waarin een speler na zijn opleiding bij de club blijft.

 

  1. Een systeem van opleidingsvergoedingen waarin de speler zelf moet instaan voor een deel van zijn vergoeding is mogelijk. In dat geval heeft het aandeel dat de speler moet betalen enkel betrekking op zijn eigen opleidingskosten en niet op het evenredig aandeel van de totale opleidingskost van de club, zoals uitgelegd in de tweede voorwaarde.

 

Een systeem van opleidingsvergoedingen waarin rekening gehouden wordt met bovenstaande elementen zou de geschiktheids- en proportionaliteitstoets van het Hof van Justitie kunnen doorstaan.

Zolang opleidingsvergoedingen echter gekoppeld zijn aan de internationale transfer van een speler vormen ze een belemmering van het vrij verkeer. Zoals gezegd zou een dergelijke belemmering gerechtvaardigd kunnen worden, maar dit brengt toch enige onzekerheid met zich mee.

Een alternatief mechanisme: revenue sharing

Om hieraan te verhelpen heeft de doctrine enkele alternatieve mechanismen ontwikkeld die het vrij verkeer van personen niet belemmeren.

Het meest besproken alternatief is een systeem van revenue sharing. Hierbij wordt geld verzameld in een fonds, waarna het verdeeld wordt over de clubs, afhankelijk van hun geleverde opleidingsprestaties.

Het typevoorbeeld van een dergelijk mechanisme is het jeugdfonds van Basketbal Vlaanderen. Hierin dient elke club een bijdrage te leveren waarvan de hoogte recht evenredig is met het niveau waarop de club actief is. Grotere clubs zullen dus meer inbrengen dan kleinere clubs, terwijl die laatste clubs er juist meer zullen uithalen. Op die manier werkt het systeem herverdelend. Daarnaast wordt de betaling van een vergoeding uit het fonds losgekoppeld van de transfer van een speler.

Een dergelijk mechanisme vormt geen belemmering van het vrij verkeer van personen.  Over de invoering van een soortgelijk systeem in de context van het voetbal rijzen nog enkele praktische vragen, die echter buiten het bestek van deze reeks vallen.

Besluit

Concluderend kan men stellen dat, hoewel de betaling van opleidingsvergoedingen een ingeburgerde praktijk is in het moderne voetbal, er juridisch een en ander op aan te merken valt. Doorheen de jaren heeft de rechtspraak de bestaande systemen van opleidingsvergoedingen bekritiseerd, maar tegelijkertijd criteria aangereikt om een systeem te ontwikkelen dat geschikt is om clubs aan te sporen te investeren in jeugdopleiding en dat tegelijkertijd proportioneel is tot dit doel.

Omdat een systeem gelinkt aan de transfer van een speler echter per definitie een belemmering van het vrij personenverkeer vormt, loont het om alternatieve mechanismen van opleidingsvergoedingen te overwegen.

 

 Vorige delen: Deel 1Deel 2 Deel 3


Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 3/4)

De opleidingsvergoeding en het vrij verkeer van werknemers (EU Sportrecht)

Opleidingsvergoedingen kwamen in de afgelopen twee decennia onder druk te staan door het EU-recht. Vooral de regels omtrent de vier vrijheden die de Europese interne markt constitueren, hebben hun invloed gehad op de Europese sportwereld, en op het voetbal in het bijzonder. Omdat het merendeel van de professionele voetballers  door middel van een arbeidsovereenkomst bij een club aangesloten is, baseerden spelers en clubs zich herhaaldelijk op het vrij verkeer van werknemers om een verschuldigde  opleidingsvergoeding aan te vechten.

Sinds de zaak Walrave van 1974 aanvaardt het Hof van Justitie dat sportbeoefening onder het gemeenschapsrecht (thans EU-recht) valt, in zoverre zij een economische activiteit uitmaakt. Een professionele voetballer die aangesteld is als werknemer, oefent wel degelijk een economische activiteit uit, met de toepassing van het EU-recht als gevolg.

De primaire bron voor het vrij verkeer van werknemers is artikel 45 van het Verdrag betreffende  de Werking van de Europese Unie (hierna  VWEU). Om onder het toepassingsgebied van artikel 45 VWEU te vallen, moet aan drie voorwaarden voldaan zijn. Het moet gaan om een werknemer (1) die onderdaan is van een EU-lidstaat (2) en er moet sprake zijn van een grensoverschrijdend element (3).

Het begrip werknemer werd door het Hof van Justitie gedefinieerd als “een persoon die voor en onder gezag van een andere persoon bepaalde diensten verricht tegen een vergoeding”. De rechter zal telkens geval per geval in concreto beoordelen, maar een professionele voetballer die dagelijks traint, onder leiding en toezicht staat van zijn club en hiervoor betaald wordt, zal vermoedelijk als werknemer in de zin van artikel 45 VWEU gekwalificeerd worden.

Volgens artikel 45 VWEU is elke belemmering van het vrij verkeer of discriminatie tussen werknemers van lidstaten op basis van nationaliteit verboden. Belemmeringen kunnen echter  gerechtvaardigd worden aan de hand van de zogenaamde rule of reason, ontwikkeld door het Hof van Justitie in het arrest Cassis de Dijon.  Een beperkende maatregel die een rechtmatig, met het verdrag verenigbaar doel nastreeft en die zowel geschikt als noodzakelijk is om dat doel te bereiken, kan gerechtvaardigd worden.

Een opleidingsvergoeding die verschuldigd is naar aanleiding van een internationale transfer vormt een beperking op de bewegingsvrijheid van een voetballer als werknemer. De overnemende club dient de opleidingsvergoeding immers te betalen, wat de mogelijkheid van de voetballer om in een andere lidstaat te spelen bemoeilijkt.

De zaak Bosman

De eerste keer dat de verenigbaarheid van een opleidingsvergoeding met het vrij verkeer van werknemers ter sprake kwam was in het arrest-Bosman. Jean-Marc Bosman was een Belgische voetballer die op huurbasis getransfereerd werd van RC Luik naar Duinkerken. Omdat RC Luik geen vertrouwen had in de financiële capaciteit van Duinkerken om de gevraagde transfervergoeding te betalen, vroeg het de KBVB om het transfercertificaat niet op te sturen naar de Franse voetbalbond (FFF). Ook werd Bosman geschorst, waardoor hij voor de rest van het seizoen niet kon aantreden voor de eerste ploeg van RC Luik.

Bosman trok hierop naar de rechter en de zaak kwam uiteindelijk voor het Hof van Justitie. Een van de rechtvaardigingsgronden die de sportinstanties aanvoerden, was dat het transfersysteem moest blijven bestaan om clubs aan te sporen in jeugdopleiding te investeren. Zonder opleidingsvergoeding zou de incentive van clubs om jonge spelers op te leiden immers verdwijnen.

Het Hof van Justitie erkent dat het opleiden van jonge spelers een legitiem doel is. Ook kan het vooruitzicht op het verkrijgen van een opleidingsvergoeding clubs in principe aansporen om op zoek te gaan naar nieuw talent en om jonge spelers op te leiden. Omdat slechts een klein aantal van de spelers die men opleidt, beroepsvoetballer zullen worden en een sportcarrière moeilijk te voorspellen is, is er echter een te grote mate van onzekerheid en toeval die de opleidingsvergoeding kenmerken. Door het onzekere karakter ervan kan een voetbalclub er niet op vertrouwen dat het inkomsten haalt uit de opleiding van spelers. Ook wordt een opleidingsvergoeding gekoppeld aan de marktwaarde van een speler in plaats van aan de eigenlijke opleidingskosten die een club gespendeerd heeft. In die omstandigheden kan het vooruitzicht op een vergoeding geen beslissende stimulans zijn om spelers op te leiden, aldus het Hof.

 

De zaak Bernard

15 jaar na het arrest-Bosman moest het Hof van Justitie opnieuw oordelen over opleidingsvergoedingen, ditmaal in de zaak-Bernard. Het betrof een Franse speler die bij Olympique Lyonnais een beloftecontract ondertekende. Als gevolg hiervan was hij verplicht om na afloop van de termijn van dit contract in te gaan op elk contractvoorstel dat Olympique Lyonnais hem deed. Dit was zo geregeld in een charter dat ondertekend was door de Franse voetbalbond, de spelersvakbond en de liga van voetbalclubs. Bernard wilde echter spelen voor Newcastle United. Hierop trok Olympique Lyonnais naar de arbeidsrechtbank met de eis om een jaarsalaris toe te kennen als schadevergoeding voor contractbreuk. Zowel in beroep als in Cassatie beargumenteerde Bernard dat deze schadevergoeding in feite een verdoken opleidingsvergoeding is. De zaak werd doorverwezen naar het Hof van Justitie.

In dit arrest wijkt het Hof enigszins af van zijn bevindingen in het arrest-Bosman. Omdat slechts een deel van de opgeleide spelers uiteindelijk profvoetballer wordt en omdat de kosten van de opleiding van jonge spelers slechts gedeeltelijk gecompenseerd worden door de winst die men tijdens de opleidingsperiode uit deze spelers kan halen, wordt de opbrengst uit de door clubs gemaakte opleidingsinvesteringen gekenmerkt door toeval. In die omstandigheden, m.a.w. in die toestand van onzekerheid waarin een opleidingsclub zich bevindt, zou een club ontmoedigd worden te investeren in jeugdopleiding als ze geen opleidingsvergoeding zou ontvangen wanneer een speler na zijn opleiding een contract tekent bij een andere club. Een dergelijke regeling kan dus in principe gerechtvaardigd worden door het legitieme doel  om de opleiding van jonge spelers aan te moedigen. De regeling waarmee het Hof in de zaak-Bernard geconfronteerd wordt, is echter niet geschikt, noch proportioneel. De opleidingsvergoeding wordt immers berekend op basis van de schade die Olympique Lyonnais lijdt, zonder dat er enige link is met de werkelijke opleidingskosten.

Het Hof knoopt aldus twee keer een verschillend gevolg vast aan het onzekere karakter van de opleidingsvergoeding. In het arrest-Bosman was het van mening dat een opleidingsvergoeding in de toenmalige vorm geen geschikt middel is, gelet op het onzeker karakter ervan. In de zaak-Bernard daarentegen stelt het Hof dat de onzekerheid die gepaard gaat met een opleidingsvergoeding een reden is om de vergoeding te behouden. Clubs worden immers geconfronteerd met onzekerheid, deze zou alleen maar toenemen mocht men de opleidingsvergoeding verbieden.

 

De zaak Wilhelmshaven

Een laatste ijkpunt in de geschillenreeks omtrent de opleidingsvergoeding betreft de zaak-Wilhelmshaven. Het was de eerste keer dat het systeem van opleidingsvergoedingen, zoals uitgelegd in deel 1 van deze reeks, door een rechter getoetst werd op zijn conformiteit met het vrij verkeer van werknemers.

Het ging over een Argentijns-Italiaanse voetballer, Sergio Sagarzazu, die zijn opleidingsjaren doorbracht bij Atlético Excursionistas en Atlético River Plate. In 2007 werd hij verhuurd aan SV Wilhelmshaven, waar hij zijn eerste profcontract tekende. Excursionistas beweerde recht te hebben op een opleidingsvergoeding van 60 000 euro. River Plate claimde een vergoeding van 100 000 euro. SV Wilhelmshaven vond deze bedragen buitenproportioneel en vocht ze bij de FIFA DRC, het CAS en de gewone rechter aan. Uiteindelijk kwam de zaak voor het Oberlandesgericht Bremen.

Het Oberlandesgericht stelt dat een vorm van opleidingsvergoeding in het geval waarin een speler na beëindiging van zijn opleiding een eerste profcontract sluit bij een andere club dan de opleidingsclub gerechtvaardigd kan worden. De bestaande vormen van opleidingsvergoedingen werden echter niet beschouwd als een geschikt middel.

Enerzijds worden opleidingsvergoedingen gekenmerkt door onzekerheid en toeval. De professionele carrière van een jeugdspeler valt niet in te schatten en slechts een beperkt aantal jeugdspelers zal een profcontract tekenen. Anderzijds is de huidige vorm van opleidingsvergoedingen niet gebaseerd op de werkelijke opleidingskosten die een club gemaakt heeft. Het FIFA-reglement gaat immers uit van de door de aanwervende club uitgespaarde kosten in plaats van de door de opleidingsclub gemaakt kosten. Daarnaast houdt de FIFA geen rekening met de werkelijke opleidingskosten, maar met de economische waarde van een speler. Men waardeert de categorieën van opleidingsvergoedingen immers per continent, aan de hand van de economische waarde van de overkoepelende voetbalassociatie van een continent. Daarnaast worden clubs ingedeeld per categorie aan de hand van de nationale liga en klasse waarin ze spelen en dus niet volgens hun opleidingsinspanningen.

Het arrest-Wilhelmshaven is het voorlopig laatste hoofdstuk in de discussie over de opleidingsvergoeding. In deel vier van deze serie worden uit bovenstaande rechtspraak criteria gedistilleerd waaraan een systeem van opleidingsvergoedingen dient te voldoen om de rule-of- reason-test te doorstaan. Ook zal er aandacht zijn voor alternatieve systemen die in rechtspraak en doctrine geopperd worden.

 

Vorige delen: Deel 1Deel 2 

Volgend deel : Deel 4:  kritische analyse van het huidig systeem 


Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 2/4)

Regulering en berekening van de opleidingsvergoeding

De opleidingsvergoeding en de berekening van de opleidingsvergoeding wordt geregeld in artikel 20 en annex 4 van de RSTP. Ze is verschuldigd wanneer een speler zijn eerste professionele contract sluit en bij elke internationale transfer tot het einde van het seizoen waarin hij 23 wordt en dit zowel bij een transfer tijdens als na afloop van de overeenkomst die een speler aan een bepaalde club bindt. De opleidingsjaren die in aanmerking worden genomen zijn die van 12 tot 21 jaar, tenzij uit de concrete feiten blijkt dat een speler zijn trainingsperiode eerder heeft beëindigd.

In drie gevallen is er geen opleidingsvergoeding verschuldigd. Ten eerste wanneer de vorige club het contract met de speler zonder geldige reden heeft verbroken. Ten tweede wanneer een speler getransfereerd wordt naar een club van categorie 4 (zie infra). Ten slotte wanneer een speler het statuut van amateur verkrijgt. De FIFA heeft voor de EU een extra situatie opgenomen waarin geen opleidingsvergoeding verschuldigd is. Met name wanneer de vorige club de speler geen nieuw contract geeft dat minstens de waarde heeft van het contract dat de speler reeds had bij die club. Deze regel vindt zijn oorsprong in het arrest-Bosman, dat in deel 3 van deze reeks aan bod komt.

De FIFA heeft een systeem van vier categorieën ontwikkeld, waarin elke club wordt ingedeeld op basis van niveau en investering in jeugdopleiding. Aan elke categorie wordt een forfaitair bedrag gelinkt dat moet overeenkomen met het bedrag dat een club jaarlijks spendeert aan jeugdopleiding, vermenigvuldigd met de zogenaamde ‘player factor’. Dit is het aantal spelers dat opgeleid moet worden om een professionele speler voort te brengen.

De berekening van de opleidingsvergoeding gebeurt door het aantal jaren training bij de vorige club te vermenigvuldigen met de trainingskosten van de nieuwe club, zoals die bepaald worden door de categorie waarbinnen deze club valt. Wanneer een speler van een lagere naar een hogere club gaat worden de opleidingskosten van de hogere club in aanmerking genomen. Wanneer een speler van een hogere naar een lagere club gaat worden de opleidingskosten van de lagere club in aanmerking genomen. Om de vergoeding voor de opleidingsjaren tussen de 12e en de 15e verjaardag van de speler te berekenen, dient men uit te gaan van de 4e categorie.

Opnieuw is er voor transfers binnen de EU in een uitzondering voorzien. Hier wordt de opleidingsvergoeding berekend door een gemiddelde te nemen van de categorie van de verkopende en aanwervende club, tenminste wanneer de verkopende club van een lagere categorie is dan de aanwervende club. Men probeert hiermee tegemoet te komen aan de eis die het Hof van Justitie in het arrest-Bosman had gesteld om de vergoeding te laten aansluiten bij de werkelijke opleidingskosten.

Bij de ondertekening van het eerste profcontract van een speler heeft elke club die de speler getraind heeft vanaf zijn 12e verjaardag recht op een deel van de vergoeding, pro rata van het aantal opleidingsjaren. Bij elke latere transfer tot het seizoen waarin de speler 23 wordt heeft enkel de laatste club van de speler recht op een opleidingsvergoeding.

Een voorbeeld van de berekening van de opleidingsvergoeding

 

Confederation Category 1 Category 2 Category 3 Category 4
AFC USD 40 000 USD 10 000 USD 2000
CAF USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
CONCACAF USD 40 000 USD 10 000 USD 2000
CONMEBOL USD 50 000 USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
OFC USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
UEFA EURO 90 000 EURO 60 000 EURO 30 000 EURO 10 000

 

Bovenstaande tabel bevat de trainingskosten per categorie, vastgesteld door de FIFA in 2018.

Een eenvoudig voorbeeld van een berekening, ter illustratie van bovenstaande principes:

Speler X speelt van het seizoen waarin hij 12 geworden is tot en met het seizoen waarin hij 15 geworden is bij de Belgische club A, die tot categorie 2 behoort. Vanaf het seizoen waarin hij 16 wordt tot en met het seizoen waarin hij 21 wordt speelt hij voor een Duitse club B van de 3e categorie. Uiteindelijk tekent hij zijn eerste profcontract in het seizoen waarin hij 22 wordt bij een Nederlandse club C van categorie 1.

Als gevolg van de ondertekening van het profcontract hebben club A en club B recht op een opleidingsvergoeding.

Club A heeft recht op 4 x 10 000= 40 000 euro.  Ook al behoort club A tot categorie 2, tussen de leeftijd van 12 en 15 jaar dient men uit te gaan van de opleidingskosten van categorie 4.Club B heeft recht op  6 x ((90 000 + 30 000)/2)= 360 000 euro.  Aangezien speler X van een lager naar een hoger gerangschikte club gaat dient men binnen de EU het gemiddelde te nemen van de opleidingskosten van beide clubs.

 

Volgende delen: deel 3deel 4

Vorige delen: deel 1 link


Reeks: de opleidingsvergoeding (Deel 1/4)

Inleiding: de opleidingsvergoeding

In 2014 versierde Kevin De Bruyne een transfer van Chelsea naar Wolfsburg. Naast de transfersom van ruim 24 miljoen euro zou er door Wolfsburg ook een opleidingsvergoeding van 650 000 euro verschuldigd zijn aan KRC Genk, de ploeg waar De Bruyne zijn opleiding genoot. Ook voor de transfer van Eden Hazard van Rijsel naar Chelsea ontving opleidingsclub Tubeke een vergoeding van 750 000 euro.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de betaling van opleidingsvergoedingen een ingeburgerde praktijk is in het voetbal. Clubs in kleinere voetballanden profileren zich als opleidingsclubs die talentvolle spelers op jonge leeftijd aankopen en hen verder opleiden in de hoop hen aan een grotere club te verkopen en naast de eenmalige transfersom ook bij een latere transfer nog een opleidingsvergoeding te ontvangen.

Dit model lijkt op het eerste zicht goed te werken. De opleidingsclub heeft een vergoeding in het vooruitzicht, de speler krijgt een kwalitatieve opleiding en de aanwervende club kan gebruikmaken van de diensten van een talentvolle speler, zonder dat ze zelf in de opleiding van deze speler heeft moeten investeren. Toch brengt het bestaande systeem van opleidingsvergoedingen de nodige juridische problemen met zich mee, zowel voor de speler als voor de betrokken clubs.

In deze vierdelige reeks worden de bestaande problemen toegelicht en worden er alternatieven aangereikt voor het bestaande systeem van opleidingsvergoedingen in de voetbalsport.

Definitie en verwante begrippen

De opleidingsvergoeding in het voetbal wordt geregeld door artikel 20 en annex 4 van de FIFA Regulations on the status and transfer of players (hierna RSTP). Een opleidingsvergoeding kan omschreven worden als een geldelijke compensatie ter vergoeding van de kosten gemaakt voor de opleiding van een speler, te betalen aan elke opleidingsclub op het moment van de ondertekening van het eerste profcontract en bij elke transfer tot en met het einde van het seizoen dat de speler drieëntwintig wordt. De opleidingsjaren die in aanmerking worden genomen zijn die van 12 tot 21 jaar, tenzij uit de concrete feiten blijkt dat een speler zijn trainingsperiode eerder heeft beëindigd. De specificiteiten worden in het volgend deel verder toegelicht.

Een opleidingsvergoeding dient onderscheiden te worden van een transfervergoeding. Dit is een financiële vergoeding die verschuldigd is in het kader van de voortijdige beëindiging van de arbeids-of dienstenovereenkomst met wederzijdse toestemming. De hoogte van de transfervergoeding is vaak gelinkt aan de economische waarde van de speler en wordt onderhandeld tussen de huidige en de overnemende club.

Ook de schadevergoeding voor contractbreuk verschilt van de opleidingsvergoeding. Artikel 17 RSTP bevat de criteria die men in acht dient te nemen om de hoogte van de schadevergoeding te bepalen in geval van contractbreuk. Onder meer het toepasselijke nationale recht en de resterende duurtijd spelen hierin een rol.

Nauw verwant met de opleidingsvergoeding is de solidariteitsbijdrage. 5% van een transfersom die voor een speler betaald wordt bij overgang naar een andere club moet worden verdeeld over alle opleidingsclubs van een speler, in verhouding met de duur van de geleverde opleidingsinspanningen. Deze bijdrage staat echter in geen enkel verband tot de opleidingskosten. Het is een mechanisme dat louter tot doel heeft om solidariteit tussen de kapitaalkrachtige en de minder kapitaalkrachtige clubs te creëren.

Een laatste onderscheid dat men moet maken is tussen de opleidingsvergoeding en het scholingsbeding. Dit laatste is een beding waarbij de werknemer, die gedurende de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst een vorming volgt op kosten van de werkgever, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte van de vormingskosten terug te betalen ingeval hij de onderneming verlaat voor het einde van de overeengekomen periode. Het scholingsbeding is echter om verschillende redenen moeilijk toepasbaar in de voetbalsector. Ten eerste kan het enkel gestipuleerd worden in een overeenkomst van onbepaalde duur. Deze zijn echter niet gangbaar in de voetbalwereld. Ten tweede is de vergoeding die gevraagd kan worden als de werknemer de onderneming verlaat voor het einde van de opleiding verschuldigd door de werknemer zelf. Dit in tegenstelling tot de opleidingsvergoeding, die betaald dient te worden door de overnemende club. Ten slotte moet het beding de kosten van de vorming reeds op voorhand vastleggen. De FIFA is echter van mening dat de opleidingskosten van een voetballer moeilijk a priori ingeschat kunnen worden.

Deel 2/4: Link

Deel 3/4: Link

Deel 4/4: Link

 

opleidingsvergoeding


De zaak Mutu en Pechstein – EHRM – update

De zaak Mutu en Pechstein tegen Zwitserland

In een vorige blogpost (klik hier) werd uitgebreid ingegaan op de zaak Mutu en Pechstein en de beslissing van 2 oktober 2018 van het EHRM.

Het EHRM had hierbij geen fundamentele bezwaren vastgesteld met betrekking tot de werking van het CAS.

Er werd niettemin vastgesteld dat twee van de zeven rechters van het EHRM wel van oordeel waren dat het CAS niet voldeed aan verschillende vereisten opgelegd door het EVRM.

De beslissing stelde ook dat kon worden verzocht om de zaak voor te leggen aan de Grote Kamer van het Europees Hof van de Rechten van de Mens.

Gelet op de afwijkende opinie van de voormelde rechters had dit opnieuw kunnen leiden tot een interessante beslissing.

Geen verwijzing naar de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

De partijen hebben inderdaad verzocht – op basis van art. 43 van de Conventie – om de zaak door de Grote Kamer van het Europees Hof van de Rechten van de Mens te laten behandelen.

Op 4 februari 2019 heeft de Grote Kamer het verzoek tot behandeling van de zaak Mutu en Pechstein evenwel afgewezen.

Dit blijkt uit een persbericht van 5 februari 2019 van het Europees Hof van de Rechten van de Mens.

Hierdoor komt de beslissing van 2 oktober 2018 vast te staan.

Ook het Court of Arbitration for Sport heeft op 5 februari 2019 een persbericht uitgebracht naar aanleiding van deze beslissing.

Zij juicht vanzelfsprekend één en ander toe en merkt op dat zij inmiddels de nodige maatregelen heeft genomen om publieke hoorzittingen toe te laten.

In de praktijk moet een persoon of partij verzoeken om een publieke hoorzitting.

Dit is een gevolg van de wijziging van het artikel R57 van de CAS Code dat in werking trad op 1 januari 2019.

Op dat punt had het EHRM immers een schending vastgesteld.


Geneeskundige zorg (operatie, revalidatie, …) in het buitenland

Voorafgaandelijk

Als een sporter een blessure oploopt of dient te revalideren wenst hij de beste en meest gespecialiseerde zorgen waardoor geneeskundige zorg, zoals een operatie of een revalidatie, zich soms in het buitenland opdringt.

In de ééngemaakte markt van de Europese Unie is dit in veel gevallen mogelijk doch niet vanzelfsprekend.

De ervaring leert dat veel mutualiteiten hierin  erg terughoudend zijn en niet altijd een even correct zicht hebben op de wetgeving.

Diverse mutualiteiten staan buitenlandse geneeskundige zorg in een andere lidstaat van de Europese Unie niet toe of eisen dat U kunt aantonen dat er gunstiger geneeskundige voorwaarden zijn in het buitenland.

Onderstaand bespreken we een aantal belangrijke rechten waarop U zich kunt beroepen.

Onderhavig artikel toont bovendien aan dat sportrecht (of “recht van toepassing op sporters”)  een erg ruim begrip is waarbij diverse rechtsdomeinen aan bod komen.

 

De richtlijn 2011/24/EU van 9 maart 2011 en de omzetting in de Belgische wetgeving

Er is uiteraard andere Europese wetgeving zoals de verordeningen 883/2004 en 987/2009 maar ons inziens biedt de richtlijn 2011/24/EU de meeste voordelen en garanties (link).

Een “richtlijn” is een rechtshandeling die een bepaald doel vastlegt dat alle EU-landen moeten bereiken. Maar zij mogen zelf de wetgeving vaststellen om dat doel te bereiken.

Een richtlijn is dus niets vrijblijvend en kan worden getoetst door het Europees Hof van Justitie.

De richtlijn werd onder meer omgezet in het artikel 294, en meer bepaald in §1, 13° en 14°, van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering.

De grondslag voor het desbetreffend artikel vindt men in het artikel 136 van de Wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

De richtlijn zelf kan worden beschouwd als de codificatie van de door de rechtspraak gecreëerde “Kohll-Deckerprocedure” gebaseerd op het arrest Kohhl (HvJ C-158/96, Kohll, Jur. 1998, 1-01931.

Zij kwam er nadat de gezondheidsdiensten een aantal maal werd veroordeeld door het Europees Hof van Justitie vanwege inbreuken op het vrij verkeer van diensten binnen de gezondheidszorg.

Europese rechtspraak heeft immers al geruime tijd uitgemaakt dat gezondheidsdiensten economische diensten zijn waarop het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging van toepassing zijn.

(Voor meer informatie: PEETERS, M., “Richtlijn 2011/24 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg: impact op de (Belgische Gezondheidszorg), T.Gezondheidszorg, 2011, 11/12, p. 94 ev.)

 

Wat bepaalt de richtlijn?

Artikel 7 van de richtlijn (omgezet in art. 294, §1, 13°) stelt het algemeen principe voorop dat er in beginsel géén voorafgaande toestemming vereist is voor de terugbetaling van grensoverschrijdende gezondheidszorg:

“Artikel 7

                Algemene beginselen voor de terugbetaling van kosten

7.8 Onverminderd de in artikel 8 bedoelde gevallen stelt de lidstaat van aansluiting de terugbetaling van kosten van grensoverschrijdende gezondheidszorg niet afhankelijk van voorafgaande toestemming.”

 

Enkel in een erg beperkt aantal omschreven gevallen, op basis van artikel 8 en 9 van de Richtlijn (omgezet in art. 294, §1, 13° van het KB van 3 juli 1996), kan er een voorafgaande toestemming vereist zijn:

“Artikel 8

                Gezondheidszorg die aan voorafgaande toestemming kan worden onderworpen

De lidstaat van aansluiting kan voorzien in een systeem van voorafgaande toestemming voor de terugbetaling van kosten van grensoverschrijdende gezondheidszorg overeenkomstig dit artikel en artikel 9.

Het systeem van voorafgaande toestemming, met inbegrip van criteria en de toepassing daarvan alsook individuele besluiten waarbij voorafgaande toestemming wordt geweigerd, wordt beperkt tot hetgeen noodzakelijk en evenredig is om het doel te bereiken en mag geen middel tot willekeurige discriminatie of een ongerechtvaardigde belemmering voor het vrije verkeer van patiënten vormen.

Dit is onder meer het geval wanneer de gezondheid van de patiënt / sporter in het gedrang komt, zoals het geval kan zijn bij experimentele behandelingen.

In art. 8.2 van de Richtlijn wordt dit verder uiteengezet.

Belangrijk is dat deze gevallen conform art. 8.7 van de Richtlijn publiekelijk bekend moeten worden gemaakt:

“8.7: De lidstaat van aansluiting maakt publiekelijk bekend voor welke gezondheidszorg ten behoeve van deze richtlijn voorafgaande toestemming vereist is en alle dienstige informatie over de regeling van voorafgaand toestemming.”

Indien aan al deze voorwaarden voldaan is kan men een voorafgaande toestemming vereisen.

Maar ook in dit geval, indien de voorafgaande toestemming vereist is, kan men slechts in een beperkt aantal gevallen tot weigering overgaan.

 

Advies

In principe hebt U recht op de terugbetaling van geneeskundige zorg in een andere lidstaat van de Europese Unie.

Slechts in een beperkt aantal gevallen kan men toestemming vereisen en kan men vervolgens slechts onder bepaalde omstandigheden deze toestemming weigeren.

Het is niettemin te adviseren om een officieel verzoek te richten aan de mutualiteit met de vraag of de geplande behandeling valt onder de verplichte voorafgaande toestemming.

In de meeste gevallen zal men U moeten meedelen dat dit niet het geval is.

In de andere gevallen hebt U het recht om te vragen op basis van welke criteria conform de richtlijn deze toestemming vereist is en waar dit publiekelijk bekend werd gemaakt.

Bovendien bent U dan in de mogelijkheid om formeel om toestemming te verzoeken.

Deelt men U niets mee, hebt U een bijkomend element om later te argumenteren dat de verplichte voorafgaande toestemming U niet bekend werd gemaakt en er dus alsnog terugbetaling moet volgen.

Verdere vragen? Aarzel niet om ons te contacteren via het nummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be.

 

 


Vacature: studentenjob / stage in het sportrecht – Gent

Wegens de aanhoudende groei binnen het departement sportrecht van het advocatenkantoor Everest zijn wij op zoek naar een gemotiveerde, al dan niet afgestudeerde, student Rechten en dit gedurende meerdere maanden voor een vier à acht uur per week.

Gedurende de stage zal je actief zijn binnen het departement sportrecht maar zal je afhankelijk van jouw interesses ook kennismaken met andere rechtsdomeinen.

Je zal kennismaken met en meewerken aan sportdossiers in diverse sporten en domeinen. Wij werken zowel voor sporters als voor bedrijven, clubs, federaties en supporters.

Je takenpakket houdt onder meer het volgende in: het opstellen van voorbereidende nota’s, het meewerken aan procedures, het schrijven van juridische artikels / blogberichten, het opvolgen van sociale media, het organiseren van events, etc.

Wij verwachten een zelfstandige en gemotiveerde student met een interesse en enige voorkennis in het sportrecht. Vergoeding overeen te komen.

Geïnteresseerd in een eerste kennismaking met het sportrecht in de praktijk? Stuur dan een motivatiebrief met uw CV en uw puntenlijsten naar sport@everest-law.be. Vermeld in de motivatiebrief in welke periode en op welke tijdstippen je beschikbaar bent.

Everest heeft kantoren in Gent, Brussel, Antwerpen en Brugge maar het departement sportrecht opereert in hoofdzaak vanuit Gent.

Veel meer dan de individuele advocaat gespecialiseerd in sportrecht heeft het departement sportrecht binnen Everest de troef om te zijn ingebed binnen een in België groot en gereputeerd ondernemingsadvocatenkantoor (https://www.everest-law.eu/nl). Dit zorgt voor een unieke kruisbestuiving tussen het sportdepartement en de overige departementen – zoals de departementen sociaal recht, fiscaal recht,… –  waarmee ook de sporter, de sportclub of de sportfederatie in aanraking komt. Deze wisselwerking biedt de opportuniteit om een volledige juridische begeleiding aan de sporter, sportclub, sportfederatie of zelfs evenementorganisator aan te bieden.

 

 

 

 


Pers: Renner Lotto-Soudal test positief tijdens zesdaagse

Afgelopen week werd een van onze advocaten geciteerd in de pers:

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Page 3 of 5First...234...Last