+32 9 334 94 70

Blog

Reeks: de opleidingsvergoeding (Deel 1/4)

Inleiding: de opleidingsvergoeding

In 2014 versierde Kevin De Bruyne een transfer van Chelsea naar Wolfsburg. Naast de transfersom van ruim 24 miljoen euro zou er door Wolfsburg ook een opleidingsvergoeding van 650 000 euro verschuldigd zijn aan KRC Genk, de ploeg waar De Bruyne zijn opleiding genoot. Ook voor de transfer van Eden Hazard van Rijsel naar Chelsea ontving opleidingsclub Tubeke een vergoeding van 750 000 euro.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de betaling van opleidingsvergoedingen een ingeburgerde praktijk is in het voetbal. Clubs in kleinere voetballanden profileren zich als opleidingsclubs die talentvolle spelers op jonge leeftijd aankopen en hen verder opleiden in de hoop hen aan een grotere club te verkopen en naast de eenmalige transfersom ook bij een latere transfer nog een opleidingsvergoeding te ontvangen.

Dit model lijkt op het eerste zicht goed te werken. De opleidingsclub heeft een vergoeding in het vooruitzicht, de speler krijgt een kwalitatieve opleiding en de aanwervende club kan gebruikmaken van de diensten van een talentvolle speler, zonder dat ze zelf in de opleiding van deze speler heeft moeten investeren. Toch brengt het bestaande systeem van opleidingsvergoedingen de nodige juridische problemen met zich mee, zowel voor de speler als voor de betrokken clubs.

In deze vierdelige reeks worden de bestaande problemen toegelicht en worden er alternatieven aangereikt voor het bestaande systeem van opleidingsvergoedingen in de voetbalsport.

Definitie en verwante begrippen

De opleidingsvergoeding in het voetbal wordt geregeld door artikel 20 en annex 4 van de FIFA Regulations on the status and transfer of players (hierna RSTP). Een opleidingsvergoeding kan omschreven worden als een geldelijke compensatie ter vergoeding van de kosten gemaakt voor de opleiding van een speler, te betalen aan elke opleidingsclub op het moment van de ondertekening van het eerste profcontract en bij elke transfer tot en met het einde van het seizoen dat de speler drieëntwintig wordt. De opleidingsjaren die in aanmerking worden genomen zijn die van 12 tot 21 jaar, tenzij uit de concrete feiten blijkt dat een speler zijn trainingsperiode eerder heeft beëindigd. De specificiteiten worden in het volgend deel verder toegelicht.

Een opleidingsvergoeding dient onderscheiden te worden van een transfervergoeding. Dit is een financiële vergoeding die verschuldigd is in het kader van de voortijdige beëindiging van de arbeids-of dienstenovereenkomst met wederzijdse toestemming. De hoogte van de transfervergoeding is vaak gelinkt aan de economische waarde van de speler en wordt onderhandeld tussen de huidige en de overnemende club.

Ook de schadevergoeding voor contractbreuk verschilt van de opleidingsvergoeding. Artikel 17 RSTP bevat de criteria die men in acht dient te nemen om de hoogte van de schadevergoeding te bepalen in geval van contractbreuk. Onder meer het toepasselijke nationale recht en de resterende duurtijd spelen hierin een rol.

Nauw verwant met de opleidingsvergoeding is de solidariteitsbijdrage. 5% van een transfersom die voor een speler betaald wordt bij overgang naar een andere club moet worden verdeeld over alle opleidingsclubs van een speler, in verhouding met de duur van de geleverde opleidingsinspanningen. Deze bijdrage staat echter in geen enkel verband tot de opleidingskosten. Het is een mechanisme dat louter tot doel heeft om solidariteit tussen de kapitaalkrachtige en de minder kapitaalkrachtige clubs te creëren.

Een laatste onderscheid dat men moet maken is tussen de opleidingsvergoeding en het scholingsbeding. Dit laatste is een beding waarbij de werknemer, die gedurende de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst een vorming volgt op kosten van de werkgever, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte van de vormingskosten terug te betalen ingeval hij de onderneming verlaat voor het einde van de overeengekomen periode. Het scholingsbeding is echter om verschillende redenen moeilijk toepasbaar in de voetbalsector. Ten eerste kan het enkel gestipuleerd worden in een overeenkomst van onbepaalde duur. Deze zijn echter niet gangbaar in de voetbalwereld. Ten tweede is de vergoeding die gevraagd kan worden als de werknemer de onderneming verlaat voor het einde van de opleiding verschuldigd door de werknemer zelf. Dit in tegenstelling tot de opleidingsvergoeding, die betaald dient te worden door de overnemende club. Ten slotte moet het beding de kosten van de vorming reeds op voorhand vastleggen. De FIFA is echter van mening dat de opleidingskosten van een voetballer moeilijk a priori ingeschat kunnen worden.

Deel 2/4: Link

Deel 3/4: Link

Deel 4/4: Link

 

opleidingsvergoeding


De zaak Mutu en Pechstein – EHRM – update

De zaak Mutu en Pechstein tegen Zwitserland

In een vorige blogpost (klik hier) werd uitgebreid ingegaan op de zaak Mutu en Pechstein en de beslissing van 2 oktober 2018 van het EHRM.

Het EHRM had hierbij geen fundamentele bezwaren vastgesteld met betrekking tot de werking van het CAS.

Er werd niettemin vastgesteld dat twee van de zeven rechters van het EHRM wel van oordeel waren dat het CAS niet voldeed aan verschillende vereisten opgelegd door het EVRM.

De beslissing stelde ook dat kon worden verzocht om de zaak voor te leggen aan de Grote Kamer van het Europees Hof van de Rechten van de Mens.

Gelet op de afwijkende opinie van de voormelde rechters had dit opnieuw kunnen leiden tot een interessante beslissing.

Geen verwijzing naar de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

De partijen hebben inderdaad verzocht – op basis van art. 43 van de Conventie – om de zaak door de Grote Kamer van het Europees Hof van de Rechten van de Mens te laten behandelen.

Op 4 februari 2019 heeft de Grote Kamer het verzoek tot behandeling van de zaak Mutu en Pechstein evenwel afgewezen.

Dit blijkt uit een persbericht van 5 februari 2019 van het Europees Hof van de Rechten van de Mens.

Hierdoor komt de beslissing van 2 oktober 2018 vast te staan.

Ook het Court of Arbitration for Sport heeft op 5 februari 2019 een persbericht uitgebracht naar aanleiding van deze beslissing.

Zij juicht vanzelfsprekend één en ander toe en merkt op dat zij inmiddels de nodige maatregelen heeft genomen om publieke hoorzittingen toe te laten.

In de praktijk moet een persoon of partij verzoeken om een publieke hoorzitting.

Dit is een gevolg van de wijziging van het artikel R57 van de CAS Code dat in werking trad op 1 januari 2019.

Op dat punt had het EHRM immers een schending vastgesteld.


Geneeskundige zorg (operatie, revalidatie, …) in het buitenland

Voorafgaandelijk

Als een sporter een blessure oploopt of dient te revalideren wenst hij de beste en meest gespecialiseerde zorgen waardoor geneeskundige zorg, zoals een operatie of een revalidatie, zich soms in het buitenland opdringt.

In de ééngemaakte markt van de Europese Unie is dit in veel gevallen mogelijk doch niet vanzelfsprekend.

De ervaring leert dat veel mutualiteiten hierin  erg terughoudend zijn en niet altijd een even correct zicht hebben op de wetgeving.

Diverse mutualiteiten staan buitenlandse geneeskundige zorg in een andere lidstaat van de Europese Unie niet toe of eisen dat U kunt aantonen dat er gunstiger geneeskundige voorwaarden zijn in het buitenland.

Onderstaand bespreken we een aantal belangrijke rechten waarop U zich kunt beroepen.

Onderhavig artikel toont bovendien aan dat sportrecht (of “recht van toepassing op sporters”)  een erg ruim begrip is waarbij diverse rechtsdomeinen aan bod komen.

 

De richtlijn 2011/24/EU van 9 maart 2011 en de omzetting in de Belgische wetgeving

Er is uiteraard andere Europese wetgeving zoals de verordeningen 883/2004 en 987/2009 maar ons inziens biedt de richtlijn 2011/24/EU de meeste voordelen en garanties (link).

Een “richtlijn” is een rechtshandeling die een bepaald doel vastlegt dat alle EU-landen moeten bereiken. Maar zij mogen zelf de wetgeving vaststellen om dat doel te bereiken.

Een richtlijn is dus niets vrijblijvend en kan worden getoetst door het Europees Hof van Justitie.

De richtlijn werd onder meer omgezet in het artikel 294, en meer bepaald in §1, 13° en 14°, van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering.

De grondslag voor het desbetreffend artikel vindt men in het artikel 136 van de Wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

De richtlijn zelf kan worden beschouwd als de codificatie van de door de rechtspraak gecreëerde “Kohll-Deckerprocedure” gebaseerd op het arrest Kohhl (HvJ C-158/96, Kohll, Jur. 1998, 1-01931.

Zij kwam er nadat de gezondheidsdiensten een aantal maal werd veroordeeld door het Europees Hof van Justitie vanwege inbreuken op het vrij verkeer van diensten binnen de gezondheidszorg.

Europese rechtspraak heeft immers al geruime tijd uitgemaakt dat gezondheidsdiensten economische diensten zijn waarop het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging van toepassing zijn.

(Voor meer informatie: PEETERS, M., “Richtlijn 2011/24 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg: impact op de (Belgische Gezondheidszorg), T.Gezondheidszorg, 2011, 11/12, p. 94 ev.)

 

Wat bepaalt de richtlijn?

Artikel 7 van de richtlijn (omgezet in art. 294, §1, 13°) stelt het algemeen principe voorop dat er in beginsel géén voorafgaande toestemming vereist is voor de terugbetaling van grensoverschrijdende gezondheidszorg:

“Artikel 7

                Algemene beginselen voor de terugbetaling van kosten

7.8 Onverminderd de in artikel 8 bedoelde gevallen stelt de lidstaat van aansluiting de terugbetaling van kosten van grensoverschrijdende gezondheidszorg niet afhankelijk van voorafgaande toestemming.”

 

Enkel in een erg beperkt aantal omschreven gevallen, op basis van artikel 8 en 9 van de Richtlijn (omgezet in art. 294, §1, 13° van het KB van 3 juli 1996), kan er een voorafgaande toestemming vereist zijn:

“Artikel 8

                Gezondheidszorg die aan voorafgaande toestemming kan worden onderworpen

De lidstaat van aansluiting kan voorzien in een systeem van voorafgaande toestemming voor de terugbetaling van kosten van grensoverschrijdende gezondheidszorg overeenkomstig dit artikel en artikel 9.

Het systeem van voorafgaande toestemming, met inbegrip van criteria en de toepassing daarvan alsook individuele besluiten waarbij voorafgaande toestemming wordt geweigerd, wordt beperkt tot hetgeen noodzakelijk en evenredig is om het doel te bereiken en mag geen middel tot willekeurige discriminatie of een ongerechtvaardigde belemmering voor het vrije verkeer van patiënten vormen.

Dit is onder meer het geval wanneer de gezondheid van de patiënt / sporter in het gedrang komt, zoals het geval kan zijn bij experimentele behandelingen.

In art. 8.2 van de Richtlijn wordt dit verder uiteengezet.

Belangrijk is dat deze gevallen conform art. 8.7 van de Richtlijn publiekelijk bekend moeten worden gemaakt:

“8.7: De lidstaat van aansluiting maakt publiekelijk bekend voor welke gezondheidszorg ten behoeve van deze richtlijn voorafgaande toestemming vereist is en alle dienstige informatie over de regeling van voorafgaand toestemming.”

Indien aan al deze voorwaarden voldaan is kan men een voorafgaande toestemming vereisen.

Maar ook in dit geval, indien de voorafgaande toestemming vereist is, kan men slechts in een beperkt aantal gevallen tot weigering overgaan.

 

Advies

In principe hebt U recht op de terugbetaling van geneeskundige zorg in een andere lidstaat van de Europese Unie.

Slechts in een beperkt aantal gevallen kan men toestemming vereisen en kan men vervolgens slechts onder bepaalde omstandigheden deze toestemming weigeren.

Het is niettemin te adviseren om een officieel verzoek te richten aan de mutualiteit met de vraag of de geplande behandeling valt onder de verplichte voorafgaande toestemming.

In de meeste gevallen zal men U moeten meedelen dat dit niet het geval is.

In de andere gevallen hebt U het recht om te vragen op basis van welke criteria conform de richtlijn deze toestemming vereist is en waar dit publiekelijk bekend werd gemaakt.

Bovendien bent U dan in de mogelijkheid om formeel om toestemming te verzoeken.

Deelt men U niets mee, hebt U een bijkomend element om later te argumenteren dat de verplichte voorafgaande toestemming U niet bekend werd gemaakt en er dus alsnog terugbetaling moet volgen.

Verdere vragen? Aarzel niet om ons te contacteren via het nummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be.

 

 


Vacature: studentenjob / stage in het sportrecht – Gent

Wegens de aanhoudende groei binnen het departement sportrecht van het advocatenkantoor Everest zijn wij op zoek naar een gemotiveerde, al dan niet afgestudeerde, student Rechten en dit gedurende meerdere maanden voor een vier à acht uur per week.

Gedurende de stage zal je actief zijn binnen het departement sportrecht maar zal je afhankelijk van jouw interesses ook kennismaken met andere rechtsdomeinen.

Je zal kennismaken met en meewerken aan sportdossiers in diverse sporten en domeinen. Wij werken zowel voor sporters als voor bedrijven, clubs, federaties en supporters.

Je takenpakket houdt onder meer het volgende in: het opstellen van voorbereidende nota’s, het meewerken aan procedures, het schrijven van juridische artikels / blogberichten, het opvolgen van sociale media, het organiseren van events, etc.

Wij verwachten een zelfstandige en gemotiveerde student met een interesse en enige voorkennis in het sportrecht. Vergoeding overeen te komen.

Geïnteresseerd in een eerste kennismaking met het sportrecht in de praktijk? Stuur dan een motivatiebrief met uw CV en uw puntenlijsten naar sport@everest-law.be. Vermeld in de motivatiebrief in welke periode en op welke tijdstippen je beschikbaar bent.

Everest heeft kantoren in Gent, Brussel, Antwerpen en Brugge maar het departement sportrecht opereert in hoofdzaak vanuit Gent.

Veel meer dan de individuele advocaat gespecialiseerd in sportrecht heeft het departement sportrecht binnen Everest de troef om te zijn ingebed binnen een in België groot en gereputeerd ondernemingsadvocatenkantoor (https://www.everest-law.eu/nl). Dit zorgt voor een unieke kruisbestuiving tussen het sportdepartement en de overige departementen – zoals de departementen sociaal recht, fiscaal recht,… –  waarmee ook de sporter, de sportclub of de sportfederatie in aanraking komt. Deze wisselwerking biedt de opportuniteit om een volledige juridische begeleiding aan de sporter, sportclub, sportfederatie of zelfs evenementorganisator aan te bieden.

 

 

 

 


Pers: Renner Lotto-Soudal test positief tijdens zesdaagse

Afgelopen week werd een van onze advocaten geciteerd in de pers:

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De zaak Mutu en Pechstein (CAS) voor het EHRM

Een korte voorgeschiedenis

Adrian Mutu

Adrian Mutu betreft een voetballer die in 2003 een transfer had gerealiseerd van AC Parma naar Chelsea. In 2004 werd de heer Mutu een positieve dopingtest inzake cocaïne ten laste gelegd. De interne geschillenbeslechting binnen de FA en vervolgens de FIFA oordeelden dat de heer Mutu contractbreuk had gepleegd en dat Chelsea gerechtigd was op schadevergoeding. Na jaren van procederen wees de Dispute Resolution Chamber van de FIFA een schadevergoeding van meer dan 17 miljoen euro toe aan Chelsea.

De heer Mutu wendde zich naar het CAS (Court of Arbitration for Sport). Het CAS wees het hoger beroep echter af. De heer Mutu was van oordeel dat het CAS niet onafhankelijk en onpartijdig was. Er volgde uiteindelijk een procedure voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Claudia Pechstein

Claudia Pechstein was en is nog steeds een schaatser. Op 3 juli 2009 werd door de Internationale Schaatsunie (ISU) bekend gemaakt dat mevrouw Pechstein een dopingovertreding (bloeddoping) had begaan. Er volgde een schorsing van twee jaar. Mevrouw Pechstein vocht deze bevindingen aan en wendde zich tot het CAS. Het CAS, en nadien het Zwitsers Federaal Hof, wees het hoger beroep af als ongegrond.

Mevrouw Pechstein startte vervolgens een burgerrechtelijke procedure in Duitsland. Het Hof van Beroep van Munchen (Oberlandesgericht Munchen) volgde de argumenten van mevrouw Pechstein en oordeelde onder meer dat de overeenkomst tussen mevrouw Pechstein en de ISU ongeldig was. Het hof van Beroep meende namelijk dat mevrouw Pechstein geen vrije keuze had in het al dan niet ondertekenen van de overeenkomst indien zij wou sporten op het allerhoogste niveau. De rechtbank verklaarde de beslissingen van het CAS en het Zwitsers Federaal Gerechtshof als niet toepasselijk in Duitsland en kende mevrouw Pechstein een aanzienlijke schadevergoeding toe. Het Duits Federaal Grondwettelijk Hof hervormde echter de voormelde beslissing en oordeelde op 7 juni 2016  dat Pechstein uit vrije wil de overeenkomst met de ISU had ondertekend, onder meer inhoudende dat disputen door het CAS zouden worden behandeld. Het Hof oordeelde dat er geen misbruik van de dominante positie van de ISU werd vastgesteld.

Mevrouw Pechstein wendde zich hierop volgend eveneens naar het Europees Hof van de Rechten van de Mens.

De procedure voor het EHRM

Op 2 oktober 2018 volgde een beslissing in de beide dossiers van de heer Mutu en mevrouw Pechstein tegen Zwitserland (N. 40575/10 en N.  67474/10) voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

De kern van de zaak betrof de al dan niet geldigheid van de procedures van beide atleten voor het CAS. Beide atleten argumenteerden in hoofdorde dat het CAS niet kon aanzien worden als een onafhankelijk en onpartijdig tribunaal.

Het EHRM kwam in eerste instantie tot het belangrijk besluit dat het CAS moet voldoen aan alle vereisten die noodzakelijk zijn om de atleten een eerlijk proces conform het EVRM te garanderen. Het EHRM bevestigde tevens dat mevrouw Pechstein niet vrijwillig haar toestemming had gegeven om zich te onderwerpen aan het CAS nu dit haar enige optie was om te sporten op professioneel niveau.

Het EHRM oordeelde vervolgens dat de bezwaren van mevrouw Pechstein met betrekking tot het structureel gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid en dat de bezwaren van de heer Mutu met betrekking tot de onafhankelijkheid van bepaalde arbiters evenwel moesten worden verworpen. Het EHRM oordeelde met andere woorden dat er geen schending was van het artikel 6§1 EVRM, het recht op een eerlijk proces,  inzake de onafhankelijkheid van het CAS.

Het recht op toegang tot een rechtbank verhindert de werking van arbitragetribunalen niet en het CAS kan volgens het EHRM de vergelijking doorstaan met een door de wet opgericht tribunaal.

Het EHRM oordeelde tot slot wel dat er een schending was van het artikel 6§1 in de zaak van mevrouw Pechstein ingevolge het feit dat haar hoorzitting niet publiekelijk was. Deze schending was evenwel niet doorslaggevend.

Enkele kanttekeningen voor het CAS

Alhoewel één en ander op het eerste zicht een positieve beslissing lijkt voor het CAS dienen er niettemin ernstige kanttekeningen bij de beslissing te worden geplaatst.

Vooreerst is het oordeel van het EHRM dat atleten zich vaak niet vrijwillig verbinden om zich te onderwerpen aan het CAS opvallend. Dit zal in de toekomst ongetwijfeld worden aangegrepen door diverse partijen.

Daarnaast waren twee van de zeven rechters, Helen Keller en Georgios Serghides, van oordeel dat het CAS niet voldeed aan de vereisten van onafhankelijk en onpartijdigheid zoals vereist onder het artikel 6§1 van het EVRM. Beiden schreven een uitgebreide afwijkende opinie.

Zo menen beiden dat het problematisch is dat het CAS voor een aanzienlijk aantal professionele atleten de enige beroepsinstantie is die kan oordelen over hun zaken. Ook de invloed en de samenstelling van het ICAS (International Council of Arbitration for Sport) dat de arbiters selecteert kan als problematisch worden beschouwd.

De beslissing bepaalt tot slot dat beide atleten kunnen verzoeken om de zaak te laten behandelen door de Grote Kamer van het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Rekening houdende met de afwijkende opinies bestaat er een kans dat de beslissing hervormd zal worden door de Grote Kamer. De kans dat er wordt verzocht om de zaak door te verwijzen is dan ook reëel.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

De volledige beslissing vind je hier (franstalig).

Het persbericht vind je hier (engelstalig).

 


Bridgen en schaken, geen sporten in het kader van de BTW

Circulaire 2018/C/84 over de BTW-vrijstelling inzake sport

De FOD Financiën vaardigde recent een circulaire uit die inhoudt dat activiteiten met een niet te verwaarlozen lichamelijk component sport zijn en dus vallen onder de vrijstelling van het Wetboek BTW over de Btw-vrijstelling inzake sport [1]. De belastingautoriteit hanteert met andere woorden een nieuwe definitie van sport. Vanaf 1 januari 2019 zal men bridgen en schaken dus niet als een sport beschouwen in het kader van BTW. Dit kwam er naar aanleiding van een recent arrest van het Hof van Justitie.

The English Bridge Union en het HvJ

In het arrest van 26 oktober 2017 gaf het Hof van Justitie een definitie met betrekking tot het begrip sport in de zin van artikel 132, lid 1, m) van de btw-richtlijn [2]. Dit arrest kwam er naar aanleiding van een discussie tussen the English Bridge Union en de belastingdienst van het Verenigd Koninkrijk. De discussie betrof de vraag of bridge al dan niet een sport was in het kader van btw.

In de conclusie van advocaat-generaal SZPUNAR[3] werd vergeleken wat door de belastingautoriteiten in verschillende lidstaten als sport behandeld wordt. De conclusie was dat er geen uniformiteit te bespeuren was. Waar wedstrijdbridge in België, Denemarken, Frankrijk, Nederland en Oostenrijk een sport is, wordt dat niet zo gezien in Ierland en Zweden. Ook schaken wordt in sommige lidstaten zoals België en Italië als sport gezien, maar in Duitsland dan weer niet.

Volgens het Hof kan men slechts van een sport spreken als er een niet te verwaarlozen lichamelijk component aanwezig is, hierbij verwijzend naar de achterliggende bedoeling van het begrip “sport” in de omgangstaal. ‘Bridge is een activiteit die de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de beoefenaar ten goede komt, maar dat volstaat niet om te spreken van ‘sport’ in deze context’, zo dus het Hof van Justitie. Sport moet strikt worden uitgelegd en uit de systematische en teleologische uitlegging van de btw-richtlijn komt het Hof tot de conclusie dat het begrip slaat op ‘activiteiten die worden gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component’. Om deze reden valt bridge dus niet te begrijpen onder sport.

Een nieuwe definitie van sport

Naar aanleiding van dit arrest heeft men recentelijk op Belgisch niveau de voormelde circulaire uitgevaardigd met de voormelde nieuwe definitie van sport. Deze circulaire houdt in dat vanaf 1 januari 2019 de sporten waar een niet te verwaarlozen lichamelijk component aanwezig is, onder de vrijstelling van het BTW-Wetboek vallen. Waar de advocaat-generaal in zijn conclusie aanhaalde dat in België wedstrijdbridge door de belastingautoriteit als sport wordt aanzien, zal dat in de toekomst dus niet meer zo zijn. Dit heeft onder andere gevolgen voor de toepassing van de vrijstellingsregeling voorzien in artikel 44 van het wetboek btw.

 

[1] Circulaire 2018/C/84 over de Btw-vrijstelling inzake sport.

[2] HvJ 26 oktober 2017, nr. C-90/16, ECLI:EU:C:2017:814, The English Bridge Union Limited/Commissioners for Her Majesty’s Revenu & Customs.

[3] Concl. M. SZPUNAR bij HvJ 15 juni 2017, C-90/16.

 

Dit artikel werd geschreven door onze zomerstagiair Elodie Blancke.

 


Everest Sport geeft toelichting bij mogelijke overname Sniper Cycling Team

Mathieu Baert van het sportdepartement van Everest werd gecontacteerd door het Nieuwsblad en de Gentenaar om toelichting te geven bij de mogelijke overname door Aqua Blue Sport van Sniper Cycling Team.

Sniper Cycling team is het team van Wout Van Aert en wordt gesponsord door Veranda’s Willems en Crelan.

Er wordt onder meer dieper ingegaan op het proces en de gevolgen van een eventuele overname.

Het artikel verscheen op 2 augustus 2018 in het Nieuwsblad en de Gentenaar en geniet veel aandacht in de wielerwereld.

Lees hieronder het artikel:

Wout Van Aert

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De minimumleeftijd voor profvoetballers wordt verlaagd

De verlaging van de minimum leeftijd voor profvoetballers van 16 jaar tot 15 jaar

De minimumleeftijd voor professionele voetballers wordt op 16 juni 2018 verlaagd. Waar voorheen de minimumleeftijd om arbeidsovereenkomsten af te sluiten 16 jaar bedroeg, wordt dit nu verlaagd tot het einde van de voltijdse leerplicht. Dit is 15 jaar indien de eerste twee leerjaren van het secundair onderwijs werden doorlopen.

Op 6 juni 2018 verscheen in het Belgisch Staatsblad het Koninklijk besluit van 25 mei 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan. Het Koninklijk besluit treedt in werking op 16 juni 2018.

Wat werd nu precies gewijzigd?

Welnu, artikel 6 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars voorziet reeds jaar en dag in de regeling dat arbeidsovereenkomsten ten vroegste kunnen worden afgesloten vanaf het einde van de voltijdse leerplicht. Er wordt bij de bepaling evenwel vermeld dat er voor bepaalde sporttakken hogere leeftijdsgrenzen kunnen worden vastgesteld:

“De arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars kan slechts , en ten vroegste , geldig aangegaan worden vanaf het einde van de voltijdse leerplicht.
Na advies van het Nationaal Paritair Comité voor de Sport kan de Koning voor de uitoefening van bepaalde sporttakken een hogere leeftijd vaststellen dan onmiddellijk na het beëindigen van de voltijdse leerplicht.”

Deze hogere leeftijdsgrens kwam er ook voor een aantal sporttakken door het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan.

Deze sporttakken waren met name het basketbal, het voetbal, het volleybal en het wielrennen. Voor deze sporttakken werd de minimumleeftijd verhoogd tot 16 jaar voor deeltijdse arbeidsovereenkomsten waarbij de sporter maximaal 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever, en tot 18 jaar voor voltijdse arbeidsovereenkomsten en deeltijdse arbeidsovereenkomsten waarbij de sporter meer dan 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever.

Het bewuste artikel 1 bepaalt meer bepaald het volgende:

“De in artikel 6 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars bedoelde leeftijd vanaf welke de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars slechts, en ten vroegste, geldig kan worden aangegaan, wordt, voor de uitoefening van de sporttakken van het basketbal, het voetbal, het volleybal en het wielrennen, als volgt vastgesteld :
– voor een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars gesloten voor deeltijdse arbeid welke voorziet in een arbeidsregeling waarbij de betaalde sportbeoefenaar maximaal 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever : 16 jaar, onverminderd de bepalingen die de leerplicht regelen en de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 die van toepassing zijn op jeugdige werknemers;
– voor een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars gesloten voor deeltijdse arbeid welke voorziet in een arbeidsregeling waarbij de betaalde sportbeoefenaar meer dan 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever evenals voor een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars gesloten voor voltijdse arbeid : 18 jaar.”

Door het art. 1 van het “Koninklijk Besluit van 25 mei 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan” werd het woord “voetbal” opgeheven:

“In artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan, worden de woorden ′′het voetbal,′′ opgeheven.”

Hierdoor wordt voetbal niet langer als een uitgezonderde sporttak gezien en valt het voetbal terug onder de oorspronkelijke regeling van art. 6 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.

Vanaf 16 juni 2018 kunnen voetballers dan ook een arbeidsovereenkomst sluiten vanaf het einde van de voltijdse leerplicht. De voltijdse leerplicht loopt tot 15 jaar, weliswaar onder de voorwaarde dat tenminste de eerste twee leerjaren van het secundair onderwijs werden doorlopen. De voltijdse leerplicht eindigt sowieso op 16 jaar.

Dit betekent de facto dat voetballers – in tegenstelling tot wielrenners, volleyballers en basketballers – vanaf 16 juni 2018 één jaar vroeger en op hun 15e een arbeidsovereenkomst kunnen ondertekenen.

Voor meer informatie en advies, aarzel niet om met ons contact op te nemen via ons  contactformulier, per e-mail (sport@everest-law.be) of telefonisch (09/334.94.70).


GDPR voor sportclubs en sportfederaties

De Algemene Verordening Gegevensbescherming (de “AGV”, ook bekend onder de Engelse afkorting “GDPR”) treedt op 25 mei 2018 in werking in de ganse Europese Unie.

De GDPR heeft een aantal consequenties voor elke organisatie die persoonsgegevens verwerkt. De begrippen “persoonsgegevens” en “verwerking” zijn zeer ruim gedefinieerd, zodat in feite bijna elke entiteit vroeg of laat met deze nieuwe regels geconfronteerd zal worden.

Ook sportclubs, sportfederaties en zelfs wedstrijdorganisatoren vallen onder het toepassingsgebied van de GDPR. Aangezien sportclubs en sportfederaties op velerlei wijze persoonsgegevens verwerken verwerken, denk maar aan leden- of deelnemerslijsten, of via databanken voor abonnementen- en ticketverkoop, is een bijzondere aandacht hiervoor aangewezen. Deze aandacht is des te meer gerechtvaardigd nu sportclubs en sportfederaties vaak werk met – 13 jarigen, hetgeen bijkomende verplichtingen met zich mee brengt.

De GDPR bouwt voort op de bestaande privacywetgeving, maar wijzigt deze ook substantieel. Een greep uit de belangrijkste verplichtingen onder de GDPR:

  • Elke sportclub of -federatie die persoonlijke gegevens laat verwerken door andere ondernemingen (bijvoorbeeld bepaalde IT-diensten, personeelsadministratie, bepaalde onderaannemers) is verplicht een schriftelijke overeenkomst af te sluiten (een zogenaamde verwerkingsovereenkomst) die conform is aan de GDPR en waarin de verplichtingen van deze dienstverlener, of onderaannemer met betrekking tot gegevensbescherming worden vastgelegd.
  • De vereisten voor een geldige toestemming van een individu voor het verwerken van zijn persoonsgegevens worden strenger;
  • Elke sportclub of -federatie die persoonlijke data verwerkt moet een intern register van haar verwerkingsactiviteiten bijhouden, moet een passend privacybeleid hebben en moet maatregelen implementeren die voldoen aan de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp (privacy by design) en gegevensbescherming door standaardinstellingen (privacy by default).
  • Mogelijks dienen bepaalde sportclub of -federaties voorafgaandelijk aan welbepaalde nieuwe verwerkingen van persoonsgegevens een ‘Gegevensbeschermingseffectbeoordeling’ uit te voeren (Data Protection Impact Assessment – PIA);
  • Bepaalde organisatie zullen misschien ook verplicht een functionaris voor gegevensbescherming (Data Protection Officer) moeten aanstellen;
  • In bepaalde omstandigheden moeten lekken van persoonsgegevens binnen de 72 uur aan de bevoegde autoriteit (in België de Gegevensbeschermingsautoriteit) moeten gemeld worden.
  • Inbreuken kunnen worden bestraft met geldboetes (tot 20 miljoen euro ofwel 4% van de wereldwijde omzet);

De GDPR treedt zoals gezegd in werking op 25 mei 2018. Tot dan hebben organisaties de tijd om zich in regel te stellen met de GDPR.

De implementatie van al deze verplichtingen vereist evenwel de nodige tijd en aanpassingen binnen de sportclub, sportfederatie of wedstrijdorganisatie.

Wij raden alle sportclubs, federaties en organisatoren dan ook aan om dit thema zo snel mogelijk aan te pakken. Een eerste stap bestaat erin te (laten) analyseren welke persoonsgegevens er binnen uw club, federatie of organisatie worden verwerkt en welke verplichtingen dit voor uw club of federatie met zich zal meebrengen onder de nieuwe wetgeving.

Everest Sport kan uw bedrijf begeleiden bij de opmaak van een eerste analyse en een verdere implementatie van de verplichtingen.

Voor meer informatie en advies over de GDPR, aarzel niet om met ons contact op te nemen via ons  contactformulier, per e-mail (sport@everest-law.be) of telefonisch (09/334.94.70).


Page 3 of 5First...234...Last