+32 9 334 94 70

Voetbal

Category Archives

De “Wet van 78” – ontslagregeling voor sporters

Het gebruik van de ‘Wet van 78’

Tijdens de Belgische transferperiodes wordt er in de media regelmatig verwezen naar de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (hierna: wet van 78).

Bekende voetballers die gebruik maakten van de wet van 78 zijn onder meer Steven Defour, Andres Mendoza, Davy De Beule, Koen Casteels en recent Junior Malanda.

Deze wet regelt een aantal specifieke sport-gerelateerde kwesties die afwijken van de gewone Arbeidsovereenkomstenwet. Deze wet voorziet onder  meer in een bijzondere ontslagregeling voor betaalde sportbeoefenaars. Indien een club niet wilt meewerken met de overgang van een speler naar een andere club, dreigt de speler er soms mee om op grond van deze wet zijn arbeidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen. In ruil hiervoor moet de speler een opzegvergoeding betalen. Aangezien de opzegvergoeding in veel gevallen lager is dan een mogelijke transfersom, wensen clubs de wet van 78 zo weinig mogelijk toe te passen.

In deze bijdrage worden de basisprincipes van de wet toegelicht.

Toepassingsgebied van de “Wet van 78”

De wet van 78 is van toepassing op de betaalde sportbeoefenaar, mits deze jaarlijks een bepaald minimumloon ontvangt. Dit minimumloon wordt bepaald bij Koninklijk Besluit en bedraagt voor de jaren 2019-2020 10.612 euro. Daarnaast is het toepassingsgebied uitgebreid tot ook trainers en scheidsrechters.

Een betaalde sportbeoefenaar wordt gedefinieerd als een persoon die de verplichting aangaat zich voor te bereiden of deel te nemen aan een sportcompetitie of -exhibitie onder het gezag van een ander persoon. Voetballers staan onder het gezag van hun club en kunnen dus van de wet gebruikmaken. Ook andere professionele sporters vallen binnen het toepassingsgebied van de wet. Omdat er in andere sporten slechts zelden wordt gewerkt met transfersommen, wordt de wet en de ontslagregeling  niet vaak in andere sporten als drukkingsmiddel gebruikt. Een bekend voorbeeld van een niet-voetballer die gebruik maakte van de wet van 78 is de wielrenner Frank Vandenbroucke en dit om zijn overgang naar Mapei in 1994 af te dwingen.

Ook de werkgever van een betaalde sportbeoefenaar (of trainer of scheidsrechter) kan zich op de wet beroepen.

De ontslagregeling in de “Wet van 78”

Het zwaartepunt van de wet betreft de mogelijkheid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de betaalde sportbeoefenaar.

In het merendeel van de gevallen wordt er tussen de betaalde sportbeoefenaar en de werkgever een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten. Indien één van de partijen voor het einde van de termijn de arbeidsovereenkomst verbreekt, zonder een dringende reden op te geven, dan heeft de benadeelde partij recht op een opzegvergoeding.

Deze is gelijk aan het loon dat verschuldigd is voor de resterende duurtijd van de arbeidsovereenkomst.

De wetgever heeft echter een bovengrens ingesteld in functie van het bruto jaarloon van de betaalde sportbeoefenaar. Een opzegvergoeding mag immers niet meer bedragen dan het dubbel van de bedragen bepaald in het KB van 13 juli 2004. Onderstaande tabel geeft de actuele geïndexeerde bedragen weer. De onderstaande tabel heeft in principe betrekking op de vergoeding die dient betaald te worden bij het onrechtmatig verbreken van een overeenkomst van onbepaalde duur. Ze wordt echter ook gebruikt als bovengrens bij de berekening van de vergoeding bij een verbreking van een contract van bepaalde duur.

Jaarlijks loon Verbrekingsvergoeding = lopend loon en voordelen verworven krachtens de overeenkomst overeenstemmend met:
≤ 19.541,12 EUR
  • 4,5 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt tijdens de eerste twee jaar na aanvang van deze overeenkomst
  • 3 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt vanaf het derde jaar na aanvang van deze overeenkomst

 

> 19.541,12 EUR en ≤ 31.863,33 EUR
  • 6 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt tijdens de eerste twee jaar na aanvang van deze overeenkomst
  • 3 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt vanaf het derde jaar na aanvang van deze overeenkomst

 

> 31.863,33 EUR en ≤ 42.484,45 EUR 6 maanden
> 42.484,45 EUR en ≤ 127.453,36 EUR 12 maanden
> 127.453,36 EUR 18 maanden

 Een illustratie:

Speler X tekent een arbeidsovereenkomst voor een duur van vijf jaar met club Y. Na zes maanden verbreekt speler X de arbeidsovereenkomst zonder een dringende reden op te geven. Speler X verdient jaarlijks 130.000 euro, wat neerkomt op 10.833,33 euro per maand.

De opzegvergoeding, verschuldigd door speler X, bedraagt in principe 585.000 euro (loon voor resterende duurtijd). Met toepassing van het KB van 13 juli 2004 bedraagt de opzegvergoeding echter ten hoogste twee keer 18 maanden loon. Speler X bevindt zich immers in de hoogste categorie (>127.453,36 euro). De opzegvergoeding bedraagt m.a.w. 390.000 euro (36 keer 10.833,33 euro).


De bescherming van minderjarige voetballers onder het FIFA-reglement

Minderjarige voetballers en het FIFA-reglement

In het hedendaagse voetbal proberen profclubs getalenteerde jeugdspelers op steeds jongere leeftijd aan te trekken. Men hoopt op die manier een transfersom uit te sparen door deze spelers zelf op te leiden tot ze het niveau van de eerste ploeg bereiken. Om de belangen van minderjarige voetballers te beschermen heeft de FIFA enkele artikelen aan deze problematiek gewijd in de Regulations on the Status and Transfer of Players (hierna: RSTP). Deze regels worden strikt geïnterpreteerd en clubs die zich er niet aan houden riskeren bestraft te worden. Onder andere R.S.C. Anderlecht en F.C. Chelsea werden recent veroordeeld door het FIFA Disciplinary Committee tot een boete van respectievelijk 200 000 en 600 000 CHF (zie krantenartikel RSCA) (zie krantenartikel Chelsea).

De relevante artikelen van de RSTP inzake de transfers van minderjarigen worden in deze bijdrage beknopt toegelicht.

  1. Ontstaan van de regels

In de nasleep van het arrest-Bosman uit 1995 was de FIFA genoodzaakt haar transferreglement aan te passen. Dit gebeurde in 2001 o.b.v. een gentlemen’s agreement tussen de FIFA en de Europese Commissie. Een van de punten in dat gentlemen’s agreement betrof de transfers van minderjarigen. De regels hieromtrent werden vastgelegd in art. 19 en 19bis RSTP. Het doel van de reglementering was om misstanden uit het verleden m.b.t. de transfers van minderjarigen te voorkomen.

  1. Krachtlijnen van de reglementering

De FIFA gaat uit van een verbod op internationale transfers van minderjarige voetballers. Enkel spelers die 18 jaar of ouder zijn kunnen getransfereerd worden naar een buitenlandse club. Deze strikte regel kan verklaard worden vanuit het streven van de FIFA om een stabiele omgeving te creëren voor de opvoeding en training van jonge voetballers.

Art. 19 lid 2 RSTP bevat echter 3 uitzonderingen op bovenstaand principe.

a) De parents-rule

Ten eerste is een internationale transfer van een minderjarige voetballer wel toegestaan indien zijn ouders verhuizen naar het buitenland om redenen die geen verband houden met voetbal. De FIFA benadrukt dat het begrip “ouders” strikt geïnterpreteerd moet worden. Het volstaat niet dat een speler in het buitenland kan wonen bij een familielid. Minderjarige spelers die zonder hun ouders verhuizen of waarvan de ouders verhuizen met het oog op de transfer van de speler, mogen niet geregistreerd worden door de nationale voetbalbond van het betrokken land.

b) De EU-rule

Vervolgens bevat art. 19 lid 2 RSTP een uitzondering die enkel geldt binnen de EU. Met name wanneer een speler minstens 16 jaar oud is, kan een internationale transfer wel plaatsvinden indien de overnemende club aan enkele inhoudelijke voorwaarden voldoet op het vlak van training en opvoeding.

De nieuwe club moet in staat zijn om een speler voetbaltechnisch op te leiden volgens de hoogste nationale standaarden. Ook dient de club ervoor te zorgen dat een speler zich op academisch gebied verder kan ontwikkelen. Ten slotte moet de club een goede verblijfsaccommodatie garanderen voor de speler. Het is aan de overnemende club om te bewijzen dat aan deze voorwaarden is voldaan op het moment van registratie van de speler.

c) De 50 + 50-rule

Een speler die op maximaal 50 km van een landsgrens woont kan getransfereerd worden naar een buitenlandse club die haar zetel eveneens op maximaal 50 km van diezelfde landsgrens heeft. De afstand tussen de woonplaats van de speler en de club bedraagt ten hoogste 100 km. De speler moet thuis blijven wonen en de nationale voetbalbonden van beide landen dienen expliciet akkoord te gaan. Deze uitzondering is ingegeven door het idee dat een buitenlandse club in bepaalde gevallen dichter bij de woonplaats van de speler gevestigd is dan de dichtstbijzijnde binnenlandse club.

  1. Bevoegde organen en mogelijke sancties

De nationale voetbalbonden zijn belast met het toezicht op de naleving van art. 19 RSTP door de clubs. Zij krijgen o.a. de bevoegdheid om ter plaatse te onderzoeken of een club de reglementen in kwestie respecteert.

Daarnaast heeft de FIFA een subcomité opgericht binnen het FIFA Players’ Status Committee, dat elke transfer m.b.t. een minderjarige voetballer moet goedkeuren vooraleer er een internationaal transfercertificaat aangevraagd kan worden door een club.

Clubs en makelaars die meewerken aan transfers van minderjarige voetballers zonder de regels te respecteren riskeren disciplinaire sancties, uiteengezet in de FIFA Disciplinary Code. Deze kunnen opgelegd worden door zowel de nationale voetbalbonden als het FIFA Disciplinary Committee

De vernoemde artikelen zijn hier te raadplegen:  link  


De basisprincipes van Third Party Ownership (TPO)

Third Party Ownership (TPO)

Op 19 februari 2019 legde de FIFA Disciplinary Committee de Portugese topclub Fc Porto een boete op van 50 000 CHF. De aanleiding hiertoe was een inbreuk op artikel 18ter van de FIFA Regulations on the Status and Transfer of Players (hierna: RSTP). Dit artikel bevat het verbod op Third Party Ownership (hierna: TPO). Deze praktijk werd in 2015 verboden door de FIFA omwille van de risico’s die het met zich meebracht, zowel voor spelers als voor clubs.

In deze bijdrage wordt eerst de TPO-techniek met bijhorende voor- en nadelen besproken. Vervolgens komt het TPO-verbod ter sprake. Tot slot wordt de wijze waarop men dit verbod omzeilt kort toegelicht.

TPO-techniek

TPO of Third Party Ownership is een praktijk die begin jaren 90 ontstaan is in Zuid-Amerika en rond de eeuwwisseling naar Europa is overgewaaid. Het essentiële kenmerk van TPO is dat (een deel van) de economische rechten van een speler worden overgedragen aan een derde partij. De economische rechten van een speler omvatten voornamelijk diens (toekomstige) transfersom. De derde partij aan wie de economische rechten worden overgedragen kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn. Vaak gaat het om investeringsfondsen of spelersmakelaars. Elke entiteit buiten de twee clubs tussen wie een transfer plaatsvindt, wordt beschouwd als een derde partij.

Er bestaan verschillende redenen om een TPO-constructie op te zetten. In de regel fungeert TPO als financieringsmechanisme bij de transfer van een speler. Hierbij krijgt een club met onvoldoende middelen financiële bijstand van een derde partij voor de verwerving van een speler. De speler wordt geregistreerd bij de overnemende club, maar (een deel van) de economische rechten komen toe aan de derde partij die de transfer financierde.

Een bekend voorbeeld van bovenstaande constructie is de transfer van Carlos Tevez van Corinthians naar West Ham United. Om de transfer te kunnen bekostigen had West Ham United geld geleend van een investeringsfonds dat in ruil daarvoor de economische rechten van Tevez verwierf. Het investeringsfonds had o.a. het recht om te beslissen of Tevez getransfereerd werd en tegen welke transfersom dit diende te gebeuren.

Voor- en nadelen van TPO

Het meest gebruikte argument tegen TPO / Third Party Ownership is dat het een moderne vorm van slavernij zou zijn. Zoals geïllustreerd in de zaak-Tevez beslist het investeringsfonds immers vaak buiten de wil van speler en club om over de transfer van de speler. Hierdoor kan het vrij verkeer van de speler belemmerd worden. Daarbij komt dat spelers niet altijd weten dat hun economische rechten door de club aan een derde partij zijn overgedragen.

Een tweede punt van kritiek betreft het risico op belangenvermenging. Twee clubs kunnen spelers geregistreerd hebben waarvan de economische rechten aan eenzelfde investeringsfonds zijn overgedragen. Het investeringsfonds zou haar macht kunnen aanwenden om het resultaat van de wedstrijd tussen de betrokken clubs te beïnvloeden.

Ten derde heeft TPO tot gevolg dat er geld uit de voetbalindustrie wegvloeit in de richting van de investeringsfondsen. Zij hebben immers het recht bedongen om de transfersom van een speler te kunnen innen.

De voorstanders van TPO argumenteren dat het een techniek is om kleinere clubs competitiever te maken. Via TPO kunnen zij immers spelers verwerven die anders financieel onhaalbaar zijn. Ook wordt het financieel risico van een transfer gedeeld tussen de club en het investeringsfonds. Mocht een speler niet doorbreken, dan heeft de club geen volledige transfersom moeten betalen.

Ten slotte stellen voorstanders ook dat het verbod op TPO een inbreuk vormt op het vrij verkeer van kapitaal in de EU en op de regels betreffende de vrije mededinging.

Verbod op TPO

Op 1 januari 2008 introduceerde de FIFA artikel 18bis RSTP waarin een verbod op Third Party Influence (TPI) werd opgenomen. Een club kan luidens dit artikel geen overeenkomst sluiten waarbij de tegenpartij of een derde de mogelijkheid krijgt om invloed uit te oefenen op het tewerkstellings- en transferbeleid van de club.

Omdat dit artikel de nadelige gevolgen van TPO niet volledig kon remediëren besloot de FIFA een artikel 18ter in te voegen dat van kracht ging op 1 mei 2015. Artikel 18ter RSTP bevat een volledig verbod op TPO. Elke overeenkomst waarbij een derde partij eenderwelk recht verkrijgt m.b.t. de toekomstige transfer van een speler is in strijd met dit artikel.

Omzeiling van het verbod

Een veelgebruikte techniek om het TPO-verbod te omzeilen is de zogenaamde bridge transfer. Dit is een transfer waarbij een speler niet rechtstreeks overgaat van de oorspronkelijke naar de nieuwe club, maar indirect via een derde club waar de speler wordt geregistreerd zonder aanwijsbare sportieve reden. De bridge club vervangt het investeringsfonds in een TPO-constructie. De overgang van de speler naar de bridge club gebeurt uit louter economische overwegingen, met name om de speler te kunnen verkopen of verhuren. Deze constructie heeft als voordeel dat een bridge club zich in geval van contractbreuk door de speler kan beroepen op artikel 17 RSTP, wat een investeringsfonds in een TPO-constructie niet kon.

Hoewel de RSTP geen expliciet verbod op bridge transfers bevat heeft het CAS zulke constructies reeds ongeldig verklaard omwille van het gebrek aan een sportieve reden. De huidige rechtspraak van het CAS is evenwel uiteenlopend, waarvan onder meer volgende uitspraken getuigen:

CAS 2009/A/1757 MTK Budapest v. FC Internazionale Milano S.p.A.

CAS 2014/A/3536 Racing Club Asociación Civil v. FIFA

 

 

 

 

 

 


Transfers in de voetbalsport: een beknopte juridische analyse

De transferperiode is geopend

Sinds enkele weken gonst het in sportkranten en op voetbalwebsites van de transfergeruchten. Op 15 juni opende immers de Belgische transfermarkt. Tot en met 2 september kunnen Belgische ploegen zich versterken met nieuwe spelers, dan wel overbodige spelers laten gaan.

De aan- en verkoop van voetballers is in de loop der jaren een miljoenenbusiness geworden waarop veel clubs hun verdienmodel baseren.

In deze bijdrage wordt er kort ingegaan op enkele juridische aspecten van het huidige transfersysteem.

Arbeidsovereenkomst tussen club en speler

De relatie tussen een speler en een club wordt geregeld aan de hand van een arbeidsovereenkomst. In de voetbalcontext is deze meestal van bepaalde duur. Een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur kan immers op elk moment opgezegd worden, met slechts een beperkte opzegvergoeding tot gevolg.

In plaats daarvan werken clubs met arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur die in voorkomend geval verlengd worden. Een dergelijke verlenging zal steeds plaatsvinden voor afloop van de duurtijd van de arbeidsovereenkomst. Ingevolge de zaak-Bosman kan een club na afloop van een arbeidsovereenkomst immers geen transfervergoeding meer vragen. De club loopt dan het risico dat een speler ‘transfervrij’ kan vertrekken.

Transferbegrip

Een transfer is de overgang van speler A van club X naar club Y. Een voetballer kan zowel nationaal als internationaal een transfer maken. Men spreekt van een internationale transfer wanneer er een overschrijving plaatsvindt van de ene nationale voetbalbond naar de andere.

Zoals gezegd wordt er tussen clubs naar aanleiding van een transfer vaak een transfervergoeding betaald. Een transfersom wordt juridisch gekwalificeerd als een vergoeding die tussen de oude club en haar speler overeengekomen wordt naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijdse toestemming. In theorie is de transfervergoeding verschuldigd door de speler zelf, maar in de praktijk wordt er tussen de speler en de nieuwe club overeengekomen dat deze laatste de transfersom onderhandelt en betaalt.

De hoogte van de transfersom kan voorafgaandelijk vastgelegd worden in de arbeidsovereenkomst d.m.v. een buy out-clause of een release-clause. In het merendeel van de gevallen wordt de transfersom echter ad hoc bepaald op basis van de marktwaarde van de speler.

Toepasselijke regelgeving

Op nationaal vlak wordt de arbeidsrelatie tussen een speler en een club hoofdzakelijk geregeld door het gemeenrechtelijk arbeidsrecht. Daarnaast dient men echter rekening te houden met de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (wet betaalde sportbeoefenaar). De beruchte ‘wet van 78’ bevat een speciale ontslagregeling voor betaalde sportbeoefenaars. Op basis van deze wet is de beëindigende partij een opzegvergoeding verschuldigd die gelijk is aan het loon van de resterende duurtijd van het contract. De wetgever heeft echter een maximum bepaald, namelijk het dubbele van wat verschuldigd zou zijn indien het om een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur ging.

Voetbalclubs wensen de toepassing van deze wet doorgaans te vermijden. In het geval dat een speler weg wil, onderhandelt men liever met de nieuwe club over een te betalen transfervergoeding. De vergoeding die, met toepassing van de wet betaalde sportbeoefenaar, ingevolge de opzeg van de speler verschuldigd is, zal immers veel lager zijn dan een transfervergoeding.

De wet betaalde sportbeoefenaar is aldus geëvolueerd tot een drukkingsmiddel van spelers t.a.v. hun club wanneer deze laatste niet meewerkt aan een transfer.

Op internationaal vlak geldt in geval van een transfer de regelgeving van de FIFA. Onder meer de Regulations on the Status and Transfer of Players(RSTP) zijn van toepassing. Art.17 RSTP bevat bijvoorbeeld de criteria op basis waarvan de vergoeding bepaald wordt die verschuldigd is in het geval de arbeidsovereenkomst ‘without just cause’ werd verbroken. De FIFA regelgeving en de nationale regelgeving zijn niet complementair.  Een conforme opzegging conform de wet van 24 februari 1978 kan mogelijks niet aanvaard worden door de FIFA. Dit heeft reeds tot diverse juridische procedures geleid.

Kritiek op het transfersysteem en de transfervergoeding

Het huidige transfersysteem is ontstaan na de zaak-Bosman. Voordien werden transfervergoedingen ook gevraagd wanneer een speler na afloop van zijn contract werd getransfereerd. Dit werd door het Hof van Justitie in de zaak-Bosman echter beschouwd als een ongerechtvaardigde beperking op het vrij verkeer van werknemers. Sindsdien kan een transfervergoedingen enkel verschuldigd zijn wanneer een speler in de loop van zijn contract een transfer maakt.

Ook het huidige systeem is niet onbetwist. Zowel op basis van het vrij personenverkeer als het Europees mededingingsrecht werd het transfersysteem reeds aangevochten.

In 2015 legde de FIFPRO, d.i. de internationale spelersvakbond, een klacht neer bij de Europese Commissie tegen het transfersysteem. Hierbij argumenteerde men dat de vrije mededinging beperkt wordt door de dominantie van rijke clubs op de spelersmarkt. De klacht werd uiteindelijk ingetrokken nadat de FIFA enkele toezeggingen had gedaan aan de FIFPRO inzake spelersrechten. Het toont echter aan dat ook het huidige systeem juridisch niet waterdicht is.


Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 4/4)

Een voorstel van opleidingsvergoeding in lijn met het Europees recht

In het vorige deel werden de jurisprudentiële ontwikkelingen over de opleidingsvergoeding geschetst. Hieronder volgt een concrete lijst van criteria die uit de voormelde rechtspraak gedistilleerd kan worden en waaraan een systeem van opleidingsvergoedingen dient te voldoen om de toets van het Hof van Justitie te doorstaan.

Een eerste vaststelling is dat het Hof van Justitie een systeem van opleidingsvergoedingen niet a priori uitsluit. Een opleidingsvergoeding kan clubs wel degelijk aansporen om te investeren in jeugdopleiding. Het Hof van Justitie bevestigt meermaals dat de aansporing tot de opleiding van jonge spelers een legitiem doel is, gelet op het sociaal-economische belang van voetbal in de EU.

Een aantal noodzakelijke criteria

Wanneer men de eerder besproken arresten samen leest met de bijhorende conclusies van de advocaten-generaal komt men tot de volgende lijst van cumulatieve voorwaarden:

  1. Een opleidingsvergoeding is mogelijk na afloop van de opleidingsperiode bij het sluiten van een eerste profcontract bij een andere club dan de opleidingsclub.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient de werkelijke opleidingskost te dekken. Zowel advocaat-generaal Lenz in de zaak-Bosman als het Oberlandesgericht in de zaak-Wilhelmshaven stelt dat een opleidingsvergoeding niet berekend mag worden o.b.v. de marktwaarde van de speler in kwestie.

 

  1. Een proportioneel aandeel van de opleidingskosten van de spelers die geen prof werden, dient meegenomen te worden in de berekening van de opleidingsvergoeding. Advocaat-generaal Sharpston komt in de zaak-Bernard tot het besluit dat slechts een minderheid van de jeugdspelers in aanmerking komt voor een profcontract. Om deze minderheid zichtbaar te maken, moet een club echter een groot aantal spelers opleiden. De inspanningen voor één speler reiken m.a.w. verder dan zijn eigen opleiding. Het Oberlandesgericht stelt die voorwaarde om de onzekerheid over het verkrijgen van een opleidingsvergoeding, inherent aan een systeem dat gelinkt is aan de transfer van een speler, enigszins te milderen.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient evenredig verdeeld te worden over alle clubs die hebben bijgedragen aan de opleiding van de speler.

 

  1. Een opleidingsvergoeding dient evenredig verminderd te worden voor elk jaar waarin een speler na zijn opleiding bij de club blijft.

 

  1. Een systeem van opleidingsvergoedingen waarin de speler zelf moet instaan voor een deel van zijn vergoeding is mogelijk. In dat geval heeft het aandeel dat de speler moet betalen enkel betrekking op zijn eigen opleidingskosten en niet op het evenredig aandeel van de totale opleidingskost van de club, zoals uitgelegd in de tweede voorwaarde.

 

Een systeem van opleidingsvergoedingen waarin rekening gehouden wordt met bovenstaande elementen zou de geschiktheids- en proportionaliteitstoets van het Hof van Justitie kunnen doorstaan.

Zolang opleidingsvergoedingen echter gekoppeld zijn aan de internationale transfer van een speler vormen ze een belemmering van het vrij verkeer. Zoals gezegd zou een dergelijke belemmering gerechtvaardigd kunnen worden, maar dit brengt toch enige onzekerheid met zich mee.

Een alternatief mechanisme: revenue sharing

Om hieraan te verhelpen heeft de doctrine enkele alternatieve mechanismen ontwikkeld die het vrij verkeer van personen niet belemmeren.

Het meest besproken alternatief is een systeem van revenue sharing. Hierbij wordt geld verzameld in een fonds, waarna het verdeeld wordt over de clubs, afhankelijk van hun geleverde opleidingsprestaties.

Het typevoorbeeld van een dergelijk mechanisme is het jeugdfonds van Basketbal Vlaanderen. Hierin dient elke club een bijdrage te leveren waarvan de hoogte recht evenredig is met het niveau waarop de club actief is. Grotere clubs zullen dus meer inbrengen dan kleinere clubs, terwijl die laatste clubs er juist meer zullen uithalen. Op die manier werkt het systeem herverdelend. Daarnaast wordt de betaling van een vergoeding uit het fonds losgekoppeld van de transfer van een speler.

Een dergelijk mechanisme vormt geen belemmering van het vrij verkeer van personen.  Over de invoering van een soortgelijk systeem in de context van het voetbal rijzen nog enkele praktische vragen, die echter buiten het bestek van deze reeks vallen.

Besluit

Concluderend kan men stellen dat, hoewel de betaling van opleidingsvergoedingen een ingeburgerde praktijk is in het moderne voetbal, er juridisch een en ander op aan te merken valt. Doorheen de jaren heeft de rechtspraak de bestaande systemen van opleidingsvergoedingen bekritiseerd, maar tegelijkertijd criteria aangereikt om een systeem te ontwikkelen dat geschikt is om clubs aan te sporen te investeren in jeugdopleiding en dat tegelijkertijd proportioneel is tot dit doel.

Omdat een systeem gelinkt aan de transfer van een speler echter per definitie een belemmering van het vrij personenverkeer vormt, loont het om alternatieve mechanismen van opleidingsvergoedingen te overwegen.

 

 Vorige delen: Deel 1Deel 2 Deel 3


Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 3/4)

De opleidingsvergoeding en het vrij verkeer van werknemers (EU Sportrecht)

Opleidingsvergoedingen kwamen in de afgelopen twee decennia onder druk te staan door het EU-recht. Vooral de regels omtrent de vier vrijheden die de Europese interne markt constitueren, hebben hun invloed gehad op de Europese sportwereld, en op het voetbal in het bijzonder. Omdat het merendeel van de professionele voetballers  door middel van een arbeidsovereenkomst bij een club aangesloten is, baseerden spelers en clubs zich herhaaldelijk op het vrij verkeer van werknemers om een verschuldigde  opleidingsvergoeding aan te vechten.

Sinds de zaak Walrave van 1974 aanvaardt het Hof van Justitie dat sportbeoefening onder het gemeenschapsrecht (thans EU-recht) valt, in zoverre zij een economische activiteit uitmaakt. Een professionele voetballer die aangesteld is als werknemer, oefent wel degelijk een economische activiteit uit, met de toepassing van het EU-recht als gevolg.

De primaire bron voor het vrij verkeer van werknemers is artikel 45 van het Verdrag betreffende  de Werking van de Europese Unie (hierna  VWEU). Om onder het toepassingsgebied van artikel 45 VWEU te vallen, moet aan drie voorwaarden voldaan zijn. Het moet gaan om een werknemer (1) die onderdaan is van een EU-lidstaat (2) en er moet sprake zijn van een grensoverschrijdend element (3).

Het begrip werknemer werd door het Hof van Justitie gedefinieerd als “een persoon die voor en onder gezag van een andere persoon bepaalde diensten verricht tegen een vergoeding”. De rechter zal telkens geval per geval in concreto beoordelen, maar een professionele voetballer die dagelijks traint, onder leiding en toezicht staat van zijn club en hiervoor betaald wordt, zal vermoedelijk als werknemer in de zin van artikel 45 VWEU gekwalificeerd worden.

Volgens artikel 45 VWEU is elke belemmering van het vrij verkeer of discriminatie tussen werknemers van lidstaten op basis van nationaliteit verboden. Belemmeringen kunnen echter  gerechtvaardigd worden aan de hand van de zogenaamde rule of reason, ontwikkeld door het Hof van Justitie in het arrest Cassis de Dijon.  Een beperkende maatregel die een rechtmatig, met het verdrag verenigbaar doel nastreeft en die zowel geschikt als noodzakelijk is om dat doel te bereiken, kan gerechtvaardigd worden.

Een opleidingsvergoeding die verschuldigd is naar aanleiding van een internationale transfer vormt een beperking op de bewegingsvrijheid van een voetballer als werknemer. De overnemende club dient de opleidingsvergoeding immers te betalen, wat de mogelijkheid van de voetballer om in een andere lidstaat te spelen bemoeilijkt.

De zaak Bosman

De eerste keer dat de verenigbaarheid van een opleidingsvergoeding met het vrij verkeer van werknemers ter sprake kwam was in het arrest-Bosman. Jean-Marc Bosman was een Belgische voetballer die op huurbasis getransfereerd werd van RC Luik naar Duinkerken. Omdat RC Luik geen vertrouwen had in de financiële capaciteit van Duinkerken om de gevraagde transfervergoeding te betalen, vroeg het de KBVB om het transfercertificaat niet op te sturen naar de Franse voetbalbond (FFF). Ook werd Bosman geschorst, waardoor hij voor de rest van het seizoen niet kon aantreden voor de eerste ploeg van RC Luik.

Bosman trok hierop naar de rechter en de zaak kwam uiteindelijk voor het Hof van Justitie. Een van de rechtvaardigingsgronden die de sportinstanties aanvoerden, was dat het transfersysteem moest blijven bestaan om clubs aan te sporen in jeugdopleiding te investeren. Zonder opleidingsvergoeding zou de incentive van clubs om jonge spelers op te leiden immers verdwijnen.

Het Hof van Justitie erkent dat het opleiden van jonge spelers een legitiem doel is. Ook kan het vooruitzicht op het verkrijgen van een opleidingsvergoeding clubs in principe aansporen om op zoek te gaan naar nieuw talent en om jonge spelers op te leiden. Omdat slechts een klein aantal van de spelers die men opleidt, beroepsvoetballer zullen worden en een sportcarrière moeilijk te voorspellen is, is er echter een te grote mate van onzekerheid en toeval die de opleidingsvergoeding kenmerken. Door het onzekere karakter ervan kan een voetbalclub er niet op vertrouwen dat het inkomsten haalt uit de opleiding van spelers. Ook wordt een opleidingsvergoeding gekoppeld aan de marktwaarde van een speler in plaats van aan de eigenlijke opleidingskosten die een club gespendeerd heeft. In die omstandigheden kan het vooruitzicht op een vergoeding geen beslissende stimulans zijn om spelers op te leiden, aldus het Hof.

 

De zaak Bernard

15 jaar na het arrest-Bosman moest het Hof van Justitie opnieuw oordelen over opleidingsvergoedingen, ditmaal in de zaak-Bernard. Het betrof een Franse speler die bij Olympique Lyonnais een beloftecontract ondertekende. Als gevolg hiervan was hij verplicht om na afloop van de termijn van dit contract in te gaan op elk contractvoorstel dat Olympique Lyonnais hem deed. Dit was zo geregeld in een charter dat ondertekend was door de Franse voetbalbond, de spelersvakbond en de liga van voetbalclubs. Bernard wilde echter spelen voor Newcastle United. Hierop trok Olympique Lyonnais naar de arbeidsrechtbank met de eis om een jaarsalaris toe te kennen als schadevergoeding voor contractbreuk. Zowel in beroep als in Cassatie beargumenteerde Bernard dat deze schadevergoeding in feite een verdoken opleidingsvergoeding is. De zaak werd doorverwezen naar het Hof van Justitie.

In dit arrest wijkt het Hof enigszins af van zijn bevindingen in het arrest-Bosman. Omdat slechts een deel van de opgeleide spelers uiteindelijk profvoetballer wordt en omdat de kosten van de opleiding van jonge spelers slechts gedeeltelijk gecompenseerd worden door de winst die men tijdens de opleidingsperiode uit deze spelers kan halen, wordt de opbrengst uit de door clubs gemaakte opleidingsinvesteringen gekenmerkt door toeval. In die omstandigheden, m.a.w. in die toestand van onzekerheid waarin een opleidingsclub zich bevindt, zou een club ontmoedigd worden te investeren in jeugdopleiding als ze geen opleidingsvergoeding zou ontvangen wanneer een speler na zijn opleiding een contract tekent bij een andere club. Een dergelijke regeling kan dus in principe gerechtvaardigd worden door het legitieme doel  om de opleiding van jonge spelers aan te moedigen. De regeling waarmee het Hof in de zaak-Bernard geconfronteerd wordt, is echter niet geschikt, noch proportioneel. De opleidingsvergoeding wordt immers berekend op basis van de schade die Olympique Lyonnais lijdt, zonder dat er enige link is met de werkelijke opleidingskosten.

Het Hof knoopt aldus twee keer een verschillend gevolg vast aan het onzekere karakter van de opleidingsvergoeding. In het arrest-Bosman was het van mening dat een opleidingsvergoeding in de toenmalige vorm geen geschikt middel is, gelet op het onzeker karakter ervan. In de zaak-Bernard daarentegen stelt het Hof dat de onzekerheid die gepaard gaat met een opleidingsvergoeding een reden is om de vergoeding te behouden. Clubs worden immers geconfronteerd met onzekerheid, deze zou alleen maar toenemen mocht men de opleidingsvergoeding verbieden.

 

De zaak Wilhelmshaven

Een laatste ijkpunt in de geschillenreeks omtrent de opleidingsvergoeding betreft de zaak-Wilhelmshaven. Het was de eerste keer dat het systeem van opleidingsvergoedingen, zoals uitgelegd in deel 1 van deze reeks, door een rechter getoetst werd op zijn conformiteit met het vrij verkeer van werknemers.

Het ging over een Argentijns-Italiaanse voetballer, Sergio Sagarzazu, die zijn opleidingsjaren doorbracht bij Atlético Excursionistas en Atlético River Plate. In 2007 werd hij verhuurd aan SV Wilhelmshaven, waar hij zijn eerste profcontract tekende. Excursionistas beweerde recht te hebben op een opleidingsvergoeding van 60 000 euro. River Plate claimde een vergoeding van 100 000 euro. SV Wilhelmshaven vond deze bedragen buitenproportioneel en vocht ze bij de FIFA DRC, het CAS en de gewone rechter aan. Uiteindelijk kwam de zaak voor het Oberlandesgericht Bremen.

Het Oberlandesgericht stelt dat een vorm van opleidingsvergoeding in het geval waarin een speler na beëindiging van zijn opleiding een eerste profcontract sluit bij een andere club dan de opleidingsclub gerechtvaardigd kan worden. De bestaande vormen van opleidingsvergoedingen werden echter niet beschouwd als een geschikt middel.

Enerzijds worden opleidingsvergoedingen gekenmerkt door onzekerheid en toeval. De professionele carrière van een jeugdspeler valt niet in te schatten en slechts een beperkt aantal jeugdspelers zal een profcontract tekenen. Anderzijds is de huidige vorm van opleidingsvergoedingen niet gebaseerd op de werkelijke opleidingskosten die een club gemaakt heeft. Het FIFA-reglement gaat immers uit van de door de aanwervende club uitgespaarde kosten in plaats van de door de opleidingsclub gemaakt kosten. Daarnaast houdt de FIFA geen rekening met de werkelijke opleidingskosten, maar met de economische waarde van een speler. Men waardeert de categorieën van opleidingsvergoedingen immers per continent, aan de hand van de economische waarde van de overkoepelende voetbalassociatie van een continent. Daarnaast worden clubs ingedeeld per categorie aan de hand van de nationale liga en klasse waarin ze spelen en dus niet volgens hun opleidingsinspanningen.

Het arrest-Wilhelmshaven is het voorlopig laatste hoofdstuk in de discussie over de opleidingsvergoeding. In deel vier van deze serie worden uit bovenstaande rechtspraak criteria gedistilleerd waaraan een systeem van opleidingsvergoedingen dient te voldoen om de rule-of- reason-test te doorstaan. Ook zal er aandacht zijn voor alternatieve systemen die in rechtspraak en doctrine geopperd worden.

 

Vorige delen: Deel 1Deel 2 

Volgend deel : Deel 4:  kritische analyse van het huidig systeem 


Reeks: De opleidingsvergoeding (Deel 2/4)

Regulering en berekening van de opleidingsvergoeding

De opleidingsvergoeding en de berekening van de opleidingsvergoeding wordt geregeld in artikel 20 en annex 4 van de RSTP. Ze is verschuldigd wanneer een speler zijn eerste professionele contract sluit en bij elke internationale transfer tot het einde van het seizoen waarin hij 23 wordt en dit zowel bij een transfer tijdens als na afloop van de overeenkomst die een speler aan een bepaalde club bindt. De opleidingsjaren die in aanmerking worden genomen zijn die van 12 tot 21 jaar, tenzij uit de concrete feiten blijkt dat een speler zijn trainingsperiode eerder heeft beëindigd.

In drie gevallen is er geen opleidingsvergoeding verschuldigd. Ten eerste wanneer de vorige club het contract met de speler zonder geldige reden heeft verbroken. Ten tweede wanneer een speler getransfereerd wordt naar een club van categorie 4 (zie infra). Ten slotte wanneer een speler het statuut van amateur verkrijgt. De FIFA heeft voor de EU een extra situatie opgenomen waarin geen opleidingsvergoeding verschuldigd is. Met name wanneer de vorige club de speler geen nieuw contract geeft dat minstens de waarde heeft van het contract dat de speler reeds had bij die club. Deze regel vindt zijn oorsprong in het arrest-Bosman, dat in deel 3 van deze reeks aan bod komt.

De FIFA heeft een systeem van vier categorieën ontwikkeld, waarin elke club wordt ingedeeld op basis van niveau en investering in jeugdopleiding. Aan elke categorie wordt een forfaitair bedrag gelinkt dat moet overeenkomen met het bedrag dat een club jaarlijks spendeert aan jeugdopleiding, vermenigvuldigd met de zogenaamde ‘player factor’. Dit is het aantal spelers dat opgeleid moet worden om een professionele speler voort te brengen.

De berekening van de opleidingsvergoeding gebeurt door het aantal jaren training bij de vorige club te vermenigvuldigen met de trainingskosten van de nieuwe club, zoals die bepaald worden door de categorie waarbinnen deze club valt. Wanneer een speler van een lagere naar een hogere club gaat worden de opleidingskosten van de hogere club in aanmerking genomen. Wanneer een speler van een hogere naar een lagere club gaat worden de opleidingskosten van de lagere club in aanmerking genomen. Om de vergoeding voor de opleidingsjaren tussen de 12e en de 15e verjaardag van de speler te berekenen, dient men uit te gaan van de 4e categorie.

Opnieuw is er voor transfers binnen de EU in een uitzondering voorzien. Hier wordt de opleidingsvergoeding berekend door een gemiddelde te nemen van de categorie van de verkopende en aanwervende club, tenminste wanneer de verkopende club van een lagere categorie is dan de aanwervende club. Men probeert hiermee tegemoet te komen aan de eis die het Hof van Justitie in het arrest-Bosman had gesteld om de vergoeding te laten aansluiten bij de werkelijke opleidingskosten.

Bij de ondertekening van het eerste profcontract van een speler heeft elke club die de speler getraind heeft vanaf zijn 12e verjaardag recht op een deel van de vergoeding, pro rata van het aantal opleidingsjaren. Bij elke latere transfer tot het seizoen waarin de speler 23 wordt heeft enkel de laatste club van de speler recht op een opleidingsvergoeding.

Een voorbeeld van de berekening van de opleidingsvergoeding

 

Confederation Category 1 Category 2 Category 3 Category 4
AFC USD 40 000 USD 10 000 USD 2000
CAF USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
CONCACAF USD 40 000 USD 10 000 USD 2000
CONMEBOL USD 50 000 USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
OFC USD 30 000 USD 10 000 USD 2000
UEFA EURO 90 000 EURO 60 000 EURO 30 000 EURO 10 000

 

Bovenstaande tabel bevat de trainingskosten per categorie, vastgesteld door de FIFA in 2018.

Een eenvoudig voorbeeld van een berekening, ter illustratie van bovenstaande principes:

Speler X speelt van het seizoen waarin hij 12 geworden is tot en met het seizoen waarin hij 15 geworden is bij de Belgische club A, die tot categorie 2 behoort. Vanaf het seizoen waarin hij 16 wordt tot en met het seizoen waarin hij 21 wordt speelt hij voor een Duitse club B van de 3e categorie. Uiteindelijk tekent hij zijn eerste profcontract in het seizoen waarin hij 22 wordt bij een Nederlandse club C van categorie 1.

Als gevolg van de ondertekening van het profcontract hebben club A en club B recht op een opleidingsvergoeding.

Club A heeft recht op 4 x 10 000= 40 000 euro.  Ook al behoort club A tot categorie 2, tussen de leeftijd van 12 en 15 jaar dient men uit te gaan van de opleidingskosten van categorie 4.Club B heeft recht op  6 x ((90 000 + 30 000)/2)= 360 000 euro.  Aangezien speler X van een lager naar een hoger gerangschikte club gaat dient men binnen de EU het gemiddelde te nemen van de opleidingskosten van beide clubs.

 

Volgende delen: deel 3deel 4

Vorige delen: deel 1 link


Reeks: de opleidingsvergoeding (Deel 1/4)

Inleiding: de opleidingsvergoeding

In 2014 versierde Kevin De Bruyne een transfer van Chelsea naar Wolfsburg. Naast de transfersom van ruim 24 miljoen euro zou er door Wolfsburg ook een opleidingsvergoeding van 650 000 euro verschuldigd zijn aan KRC Genk, de ploeg waar De Bruyne zijn opleiding genoot. Ook voor de transfer van Eden Hazard van Rijsel naar Chelsea ontving opleidingsclub Tubeke een vergoeding van 750 000 euro.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de betaling van opleidingsvergoedingen een ingeburgerde praktijk is in het voetbal. Clubs in kleinere voetballanden profileren zich als opleidingsclubs die talentvolle spelers op jonge leeftijd aankopen en hen verder opleiden in de hoop hen aan een grotere club te verkopen en naast de eenmalige transfersom ook bij een latere transfer nog een opleidingsvergoeding te ontvangen.

Dit model lijkt op het eerste zicht goed te werken. De opleidingsclub heeft een vergoeding in het vooruitzicht, de speler krijgt een kwalitatieve opleiding en de aanwervende club kan gebruikmaken van de diensten van een talentvolle speler, zonder dat ze zelf in de opleiding van deze speler heeft moeten investeren. Toch brengt het bestaande systeem van opleidingsvergoedingen de nodige juridische problemen met zich mee, zowel voor de speler als voor de betrokken clubs.

In deze vierdelige reeks worden de bestaande problemen toegelicht en worden er alternatieven aangereikt voor het bestaande systeem van opleidingsvergoedingen in de voetbalsport.

Definitie en verwante begrippen

De opleidingsvergoeding in het voetbal wordt geregeld door artikel 20 en annex 4 van de FIFA Regulations on the status and transfer of players (hierna RSTP). Een opleidingsvergoeding kan omschreven worden als een geldelijke compensatie ter vergoeding van de kosten gemaakt voor de opleiding van een speler, te betalen aan elke opleidingsclub op het moment van de ondertekening van het eerste profcontract en bij elke transfer tot en met het einde van het seizoen dat de speler drieëntwintig wordt. De opleidingsjaren die in aanmerking worden genomen zijn die van 12 tot 21 jaar, tenzij uit de concrete feiten blijkt dat een speler zijn trainingsperiode eerder heeft beëindigd. De specificiteiten worden in het volgend deel verder toegelicht.

Een opleidingsvergoeding dient onderscheiden te worden van een transfervergoeding. Dit is een financiële vergoeding die verschuldigd is in het kader van de voortijdige beëindiging van de arbeids-of dienstenovereenkomst met wederzijdse toestemming. De hoogte van de transfervergoeding is vaak gelinkt aan de economische waarde van de speler en wordt onderhandeld tussen de huidige en de overnemende club.

Ook de schadevergoeding voor contractbreuk verschilt van de opleidingsvergoeding. Artikel 17 RSTP bevat de criteria die men in acht dient te nemen om de hoogte van de schadevergoeding te bepalen in geval van contractbreuk. Onder meer het toepasselijke nationale recht en de resterende duurtijd spelen hierin een rol.

Nauw verwant met de opleidingsvergoeding is de solidariteitsbijdrage. 5% van een transfersom die voor een speler betaald wordt bij overgang naar een andere club moet worden verdeeld over alle opleidingsclubs van een speler, in verhouding met de duur van de geleverde opleidingsinspanningen. Deze bijdrage staat echter in geen enkel verband tot de opleidingskosten. Het is een mechanisme dat louter tot doel heeft om solidariteit tussen de kapitaalkrachtige en de minder kapitaalkrachtige clubs te creëren.

Een laatste onderscheid dat men moet maken is tussen de opleidingsvergoeding en het scholingsbeding. Dit laatste is een beding waarbij de werknemer, die gedurende de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst een vorming volgt op kosten van de werkgever, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte van de vormingskosten terug te betalen ingeval hij de onderneming verlaat voor het einde van de overeengekomen periode. Het scholingsbeding is echter om verschillende redenen moeilijk toepasbaar in de voetbalsector. Ten eerste kan het enkel gestipuleerd worden in een overeenkomst van onbepaalde duur. Deze zijn echter niet gangbaar in de voetbalwereld. Ten tweede is de vergoeding die gevraagd kan worden als de werknemer de onderneming verlaat voor het einde van de opleiding verschuldigd door de werknemer zelf. Dit in tegenstelling tot de opleidingsvergoeding, die betaald dient te worden door de overnemende club. Ten slotte moet het beding de kosten van de vorming reeds op voorhand vastleggen. De FIFA is echter van mening dat de opleidingskosten van een voetballer moeilijk a priori ingeschat kunnen worden.

Deel 2/4: Link

Deel 3/4: Link

Deel 4/4: Link

 

opleidingsvergoeding


De minimumleeftijd voor profvoetballers wordt verlaagd

De verlaging van de minimum leeftijd voor profvoetballers van 16 jaar tot 15 jaar

De minimumleeftijd voor professionele voetballers wordt op 16 juni 2018 verlaagd. Waar voorheen de minimumleeftijd om arbeidsovereenkomsten af te sluiten 16 jaar bedroeg, wordt dit nu verlaagd tot het einde van de voltijdse leerplicht. Dit is 15 jaar indien de eerste twee leerjaren van het secundair onderwijs werden doorlopen.

Op 6 juni 2018 verscheen in het Belgisch Staatsblad het Koninklijk besluit van 25 mei 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan. Het Koninklijk besluit treedt in werking op 16 juni 2018.

Wat werd nu precies gewijzigd?

Welnu, artikel 6 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars voorziet reeds jaar en dag in de regeling dat arbeidsovereenkomsten ten vroegste kunnen worden afgesloten vanaf het einde van de voltijdse leerplicht. Er wordt bij de bepaling evenwel vermeld dat er voor bepaalde sporttakken hogere leeftijdsgrenzen kunnen worden vastgesteld:

“De arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars kan slechts , en ten vroegste , geldig aangegaan worden vanaf het einde van de voltijdse leerplicht.
Na advies van het Nationaal Paritair Comité voor de Sport kan de Koning voor de uitoefening van bepaalde sporttakken een hogere leeftijd vaststellen dan onmiddellijk na het beëindigen van de voltijdse leerplicht.”

Deze hogere leeftijdsgrens kwam er ook voor een aantal sporttakken door het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan.

Deze sporttakken waren met name het basketbal, het voetbal, het volleybal en het wielrennen. Voor deze sporttakken werd de minimumleeftijd verhoogd tot 16 jaar voor deeltijdse arbeidsovereenkomsten waarbij de sporter maximaal 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever, en tot 18 jaar voor voltijdse arbeidsovereenkomsten en deeltijdse arbeidsovereenkomsten waarbij de sporter meer dan 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever.

Het bewuste artikel 1 bepaalt meer bepaald het volgende:

“De in artikel 6 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars bedoelde leeftijd vanaf welke de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars slechts, en ten vroegste, geldig kan worden aangegaan, wordt, voor de uitoefening van de sporttakken van het basketbal, het voetbal, het volleybal en het wielrennen, als volgt vastgesteld :
– voor een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars gesloten voor deeltijdse arbeid welke voorziet in een arbeidsregeling waarbij de betaalde sportbeoefenaar maximaal 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever : 16 jaar, onverminderd de bepalingen die de leerplicht regelen en de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 die van toepassing zijn op jeugdige werknemers;
– voor een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars gesloten voor deeltijdse arbeid welke voorziet in een arbeidsregeling waarbij de betaalde sportbeoefenaar meer dan 80 uren per maand ter beschikking is van de werkgever evenals voor een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars gesloten voor voltijdse arbeid : 18 jaar.”

Door het art. 1 van het “Koninklijk Besluit van 25 mei 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan” werd het woord “voetbal” opgeheven:

“In artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 2001 tot vaststelling, voor de uitoefening van bepaalde sporttakken, van de minimumleeftijd die vereist is om een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars te kunnen aangaan, worden de woorden ′′het voetbal,′′ opgeheven.”

Hierdoor wordt voetbal niet langer als een uitgezonderde sporttak gezien en valt het voetbal terug onder de oorspronkelijke regeling van art. 6 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.

Vanaf 16 juni 2018 kunnen voetballers dan ook een arbeidsovereenkomst sluiten vanaf het einde van de voltijdse leerplicht. De voltijdse leerplicht loopt tot 15 jaar, weliswaar onder de voorwaarde dat tenminste de eerste twee leerjaren van het secundair onderwijs werden doorlopen. De voltijdse leerplicht eindigt sowieso op 16 jaar.

Dit betekent de facto dat voetballers – in tegenstelling tot wielrenners, volleyballers en basketballers – vanaf 16 juni 2018 één jaar vroeger en op hun 15e een arbeidsovereenkomst kunnen ondertekenen.

Voor meer informatie en advies, aarzel niet om met ons contact op te nemen via ons  contactformulier, per e-mail (sport@everest-law.be) of telefonisch (09/334.94.70).


De licentie voor het profvoetbal 1A en 1B

In de media waren er de afgelopen weken een aantal ophefmakende nieuwsberichten over de aanvragen tot het bekomen van een licentie in het voetbal door de clubs in eerste klasse A en eerste klasse B. Er werden zich onder meer vragen gesteld bij de verkoopsconstructie van KV Oostende – waarbij het effectieve overnamebedrag uitgesteld zou worden betaald – en of dit door de licentiecommissie zou worden toegelaten.

Enige duiding over de precieze procedure tot het bekomen van dergelijke licentie ontbreekt evenwel of kenmerkt zich door onvolledigheid.

Deze duiding levert evenwel interessante inzichten op.

1) De procedure en de aanvraag voor het bekomen van een licentie

De procedure voor het bekomen van een licentie wordt bepaald in de artikelen P401 tot P429 van het Bondsreglement van de KBVB.

Om in Eerste Klasse A of in Eerste Klasse B aan te treden moet een club beschikken over “een licentie van club in afdeling 1A van het profvoetbal”, respectievelijk “een licentie van club in afdeling 1B van het profvoetbal”. Vanaf het seizoen 2018-2019 zullen clubs die dalen naar Eerste Klasse B of die het komend jaar in Eerste Klasse B blijven ook dienen te beschikken over “een licentie van club in afdeling 1A van het profvoetbal”.

De licenties moeten conform art. P417 Bondsreglement worden aangevraagd per aangetekend schrijven en dit tussen 1 en 15 februari voorafgaand aan het nieuwe seizoen. De licentiecommissie stelt voor deze aanvragen een standaardformulier op, waarop alle voorwaarden en vereiste bewijsstukken en attesten worden aangegeven.

Indien een club wenst aan te treden in een Europese competitie dient deze club bovendien te beschikken over een Europese licentie.

2) De voorwaarden waaraan de clubs dienen te voldoen

Wat betreft de voorwaarden die door de clubs dienen te worden voldaan staat artikel P406 van het Bondsreglement centraal.

Artikel P406 Bondsreglement bepaalt als toekenningsvoorwaarden dat de clubs (1) de verantwoordelijke rechtsperso(o)n(en) dienen op te geven ; (2) dienen aan te tonen dat de continuïteit verzekerd is; (3) dienen te voldoen aan het artikel P407 Bondsreglement; en (4) dienen te voldoen aan het artikel P408 Bondsreglement voor de clubs in 1A en aan het artikel P410 Bondsreglement voor de clubs in 1B.

In de praktijk wordt in eerste instantie nagegaan of de clubs voldoen aan de artikelen P408, dan wel P410 Bondsreglement en aan art. P407 Bondsreglement.

Enkel in het geval hieraan voldaan is – het betreft een noodzakelijke voorwaarde – wordt onderzocht  – onder meer op basis van boekhoudkundige gegevens,  verklaringen van schuldeisers en verklaringen van financierders – of de continuïteit verzekerd is.

Belangrijk hierbij is dat een licentie nooit kan worden toegekend onder voorwaarden.

De artikelen P408/P410 Bondsreglement – afhankelijk of de club aantreedt in 1A of 1B – betreffen meer technisch vereisten zoals het behalen van de diverse criteria waaraan het stadion, het speelveld, de verlichting, etc. dienen te voldoen. In de praktijk leiden deze artikelen tot weinig discussie.

Het artikel P407 Bondsreglement – dat voor alle clubs een uitgebreide reeks van algemene voorwaarden uiteenzet – is voor de meeste clubs die geen licentie behalen het grootste struikelblok.

Voorwaarden die met regelmaat tot discussie leiden betreffen onder meer:

  • Art. 407.1.4°:  het voorleggen van een controleverslag door een benoemde commissaris over het laatst afgesloten boekjaar welke voldoet aan alle wettelijke bepalingen ter zake;
  • Art. 407.1.5°: een geraamde staat van ontvangsten en uitgaven tot het einde van het seizoen waarvoor de licentie wordt aangevraagd (leningen en waarborgen waarvan de schuldeiser de terugbetaling kan eisen voor het einde van het seizoen mogen hierbij niet in rekening worden genomen);
  • Art. 407.1.6°: het bewijs leveren niet in gebreke te blijven bij de betaling van onder meer de lonen aan spelers, trainers en alle personeel en de aan R.S.Z. verschuldigde sommen (de Licentiecommissie eist onbetwistbare bewijsstukken zoals bij wijze van voorbeeld een afbetalingsplan uitgaande van de RSZ of de betalingsbewijzen van de lonen).

Wat betreft de voorwaarde opgenomen in art. 407.1.6° dat betrekking heeft op de schulden van de club staat het Bondsreglement toe dat een licentie mag worden toegekend indien de desbetreffende schulden worden betwist en waarvan de betwisting niet kennelijk onredelijk schijnt te zijn. In voorkomend geval kan het toekennen van de licentie afhankelijk worden gemaakt van het blokkeren door de club van de betwiste sommen.

Tevens bepaalt artikel P407 Bondsreglement dat een licentie niet zal worden toegekend aan een club waarvan een of meerdere verbonden juridische entiteiten eveneens verbonden zijn met een andere club in het profvoetbal.  Het artikel definieert vervolgens wat onder een verbonden juridische entiteit wordt begrepen.

Een verbonden juridische entiteit is onder meer de partij die direct of indirect over 10% of meer van de stemrechten beschikt in de schoot van de algemene vergadering van de licentie kandidaat of die op één of andere wijze een beduidende invloed uitoefent op de licentie kandidaat; en/of de partij die de bevoegdheid heeft, in feite of in rechte, om het directie comité of de vertegenwoordigers van de club bij de Pro League te benoemen.

Gelet op de bewoordingen “die op één of andere wijze een beduidende invloed uitoefent op de licentiekandidaat” en in feite of in rechte”  kan zich de vraag gesteld worden of de door de media geschetste constructie van KV Oostende hieronder niet begrepen kan worden. In dit geval zou er zich wel degelijk een probleem voor zowel KV Oostende als voor RSCA Anderlecht kunnen stellen.

3) Tussenkomende schuldeisers

Tevens belangrijk is het artikel P418 Bondsreglement dat stelt dat schuldeisers van clubs die een aanvraag indienen die menen dat met hen rekening moet worden gehouden bij de toekenning van de licentie zich kenbaar kunnen maken bij de KBVB. In voorkomend geval kan de Licentiecommissie rekening houden met de schuld van deze schuldeiser bij het al dan niet toekennen van de licentie.

Onder meer de heer Eddy WAUTERS, voormalig voorzitter van RAFC Antwerp, heeft meermaals gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

4) De beslissing

Na het verslag van de Licentiemanager te hebben gehoord, spreekt de Licentiecommissie zich uit over de aanvraag van de club.

Ofwel kent de Licentiecommissie – indien aan alle voorwaarden is voldaan – de licentie onmiddellijk toe en moet de aanvragende club niet verschijnen voor de Licentiecommissie.

Indien de Licentiecommissie de licentie niet kan toekennen dan verzoekt zij om bijkomende stukken. Na het voorleggen van deze stukken dient de club vervolgens te verschijnen om één en ander toe te lichten op een zitting van de Licentiecommissie. Op basis hiervan oordeelt de Licentiecommissie of de vergunning al dan niet kan worden toegekend. Deze beslissing dient behoorlijk gemotiveerd te worden meegedeeld aan de club.

Artikel P419 Bondsreglement bepaalt dat er over alle licentieaanvragen in eerste aanleg een beslissing dient te zijn genomen voor 15 april voorafgaand aan het nieuwe seizoen.

5) De sanctie indien er geen licentie wordt bekomen

Iedere club die wenst uit te komen in het profvoetbal 1A of 1B moet houder zijn van de voormelde licentie.

Wordt een licentie geweigerd of werd geen licentie aangevraagd dan degradeert de club naar 1e klasse Amateurs, in zoverre ze aan de licentievoorwaarden voor 1e klasse Amateurs voldoet. Wordt de licentie bovendien geweigerd of ingetrokken doordat de club niet voldoet aan de voorwaarden zoals opgelegd in Art. P407.1.6° dan moet de club het  kampioenschap aanvangen in 2e klasse amateurs met een handicap van drie punten.

6) Verhaalsrecht bij het Belgisch Arbitragehof voor Sport

Binnen de drie dagen na de betekening van de beslissing kan de club hoger beroep aantekenen bij het Belgisch Arbitragehof voor Sport (BAS).

Ook het Bondsparket van de KBVB of een derde belanghebbende club kan tegen de beslissing tot het toekennen van de licentie beroep aantekenen.

Het BAS dient vervolgens uitspraak te doen uiterlijk op 10 mei voorafgaand aan het nieuwe seizoen.

Essentieel aan deze beroepsprocedure is dat het BAS de zaak in zijn geheel – dit betekent zowel de feiten, de stukken als de juridische argumenten – herneemt en dat zij volheid van rechtsmacht heeft. Het BAS mag hierbij rekening houden met nieuwe betalingen of akkoorden.

Dit betekent concreet dat ook in het geval de Licentiecommissie beslist om de licentie niet toe te kennen aangezien er bepaalde schulden niet werden betaald, het BAS de licentie alsnog kan toekennen indien de club naderhand deze schulden alsnog betaalt.

De club krijgt als het ware een tweede kans (en iets meer tijd) om aan de voorwaarden te voldoen.

Onder meer RAFC Antwerp heeft inmiddels meermaals en succesvol gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

 

Verdere vragen? Aarzel niet om ons te contacteren via het nummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be.

 


Page 1 of 212