+32 9 334 94 70

Blog

De “Wet van 78” – ontslagregeling voor sporters

Het gebruik van de ‘Wet van 78’

Tijdens de Belgische transferperiodes wordt er in de media regelmatig verwezen naar de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (hierna: wet van 78).

Bekende voetballers die gebruik maakten van de wet van 78 zijn onder meer Steven Defour, Andres Mendoza, Davy De Beule, Koen Casteels en recent Junior Malanda.

Deze wet regelt een aantal specifieke sport-gerelateerde kwesties die afwijken van de gewone Arbeidsovereenkomstenwet. Deze wet voorziet onder  meer in een bijzondere ontslagregeling voor betaalde sportbeoefenaars. Indien een club niet wilt meewerken met de overgang van een speler naar een andere club, dreigt de speler er soms mee om op grond van deze wet zijn arbeidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen. In ruil hiervoor moet de speler een opzegvergoeding betalen. Aangezien de opzegvergoeding in veel gevallen lager is dan een mogelijke transfersom, wensen clubs de wet van 78 zo weinig mogelijk toe te passen.

In deze bijdrage worden de basisprincipes van de wet toegelicht.

Toepassingsgebied van de “Wet van 78”

De wet van 78 is van toepassing op de betaalde sportbeoefenaar, mits deze jaarlijks een bepaald minimumloon ontvangt. Dit minimumloon wordt bepaald bij Koninklijk Besluit en bedraagt voor de jaren 2019-2020 10.612 euro. Daarnaast is het toepassingsgebied uitgebreid tot ook trainers en scheidsrechters.

Een betaalde sportbeoefenaar wordt gedefinieerd als een persoon die de verplichting aangaat zich voor te bereiden of deel te nemen aan een sportcompetitie of -exhibitie onder het gezag van een ander persoon. Voetballers staan onder het gezag van hun club en kunnen dus van de wet gebruikmaken. Ook andere professionele sporters vallen binnen het toepassingsgebied van de wet. Omdat er in andere sporten slechts zelden wordt gewerkt met transfersommen, wordt de wet en de ontslagregeling  niet vaak in andere sporten als drukkingsmiddel gebruikt. Een bekend voorbeeld van een niet-voetballer die gebruik maakte van de wet van 78 is de wielrenner Frank Vandenbroucke en dit om zijn overgang naar Mapei in 1994 af te dwingen.

Ook de werkgever van een betaalde sportbeoefenaar (of trainer of scheidsrechter) kan zich op de wet beroepen.

De ontslagregeling in de “Wet van 78”

Het zwaartepunt van de wet betreft de mogelijkheid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de betaalde sportbeoefenaar.

In het merendeel van de gevallen wordt er tussen de betaalde sportbeoefenaar en de werkgever een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten. Indien één van de partijen voor het einde van de termijn de arbeidsovereenkomst verbreekt, zonder een dringende reden op te geven, dan heeft de benadeelde partij recht op een opzegvergoeding.

Deze is gelijk aan het loon dat verschuldigd is voor de resterende duurtijd van de arbeidsovereenkomst.

De wetgever heeft echter een bovengrens ingesteld in functie van het bruto jaarloon van de betaalde sportbeoefenaar. Een opzegvergoeding mag immers niet meer bedragen dan het dubbel van de bedragen bepaald in het KB van 13 juli 2004. Onderstaande tabel geeft de actuele geïndexeerde bedragen weer. De onderstaande tabel heeft in principe betrekking op de vergoeding die dient betaald te worden bij het onrechtmatig verbreken van een overeenkomst van onbepaalde duur. Ze wordt echter ook gebruikt als bovengrens bij de berekening van de vergoeding bij een verbreking van een contract van bepaalde duur.

Jaarlijks loon Verbrekingsvergoeding = lopend loon en voordelen verworven krachtens de overeenkomst overeenstemmend met:
≤ 19.541,12 EUR
  • 4,5 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt tijdens de eerste twee jaar na aanvang van deze overeenkomst
  • 3 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt vanaf het derde jaar na aanvang van deze overeenkomst

 

> 19.541,12 EUR en ≤ 31.863,33 EUR
  • 6 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt tijdens de eerste twee jaar na aanvang van deze overeenkomst
  • 3 maanden indien de overeenkomst verbroken wordt vanaf het derde jaar na aanvang van deze overeenkomst

 

> 31.863,33 EUR en ≤ 42.484,45 EUR 6 maanden
> 42.484,45 EUR en ≤ 127.453,36 EUR 12 maanden
> 127.453,36 EUR 18 maanden

 Een illustratie:

Speler X tekent een arbeidsovereenkomst voor een duur van vijf jaar met club Y. Na zes maanden verbreekt speler X de arbeidsovereenkomst zonder een dringende reden op te geven. Speler X verdient jaarlijks 130.000 euro, wat neerkomt op 10.833,33 euro per maand.

De opzegvergoeding, verschuldigd door speler X, bedraagt in principe 585.000 euro (loon voor resterende duurtijd). Met toepassing van het KB van 13 juli 2004 bedraagt de opzegvergoeding echter ten hoogste twee keer 18 maanden loon. Speler X bevindt zich immers in de hoogste categorie (>127.453,36 euro). De opzegvergoeding bedraagt m.a.w. 390.000 euro (36 keer 10.833,33 euro).


Rechtspersonenbelasting voor sportclubs

Wat is de rechtspersonenbelasting?

De rechtspersonenbelasting is een belasting op bepaalde inkomsten van de VZW, meer bepaald met betrekking tot onroerende, roerende en diverse inkomsten.

In principe dienen de normaal gemaakte winsten, zoals de opbrengsten van een kaartavond, om de VZW te financieren niet te worden aangegeven.

In veel gevallen zal de sportclub of sportfederatie een blanco aangifte kunnen doen.

Welke sportclubs of sportfederaties moeten deze aangifte doen?

De rechtspersonenbelasting is enkel van toepassing op VZW’s.

Alle sportclubs of sportfederaties onder de vorm van een VZW moeten in principe deze aangifte doen.

Er zijn enkele uitzonderingen voor bepaalde VZW’s zoals deze met aanzienlijke inkomsten of met een nijverheids-, handels- of landbouwactiviteit.
Zij zijn onderhevig aan de vennootschapsbelasting.

Sportclubs die geen VZW maar een NV of BV zijn dienen andere belastingaangiftes, zoals de vennootschapsbelasting, in te dienen.

Ook in het geval uw sportclub of sportfederatie, als VZW, geen belastbare inkomsten heeft moet er een (blanco) aangifte van rechtspersonenbelasting worden neergelegd.

Zelfs in het geval uw sportclub of sportfederatie, als VZW, niet meer actief is  (maar niet ontbonden is) dient zij de aangifte van rechtspersonenbelasting neer te leggen.

Hoe doe ik als sportclub of sportfederatie mijn aangifte?

De aangifte van de rechtspersonenbelasting kan digitaal.

Dit gebeurt via de overheidswebsite Biztax via volgende link: https://financien.belgium.be/nl/E-services/biztax

Naast de belastingbrief, dient men ook de jaarrekening en het proces-verbaal van de algemene vergadering toe te  voegen als bijlage.

Zorg ervoor dat U alle inkomsten en uitgaven kunt staven met bewijsstukken.

Volgende twee linken kunnen U op weg helpen: https://www.formaat.be/assets/2483 (powerpoint) en https://financien.belgium.be/sites/default/files/downloads/162-stapsgewijs-een-aangifte-indienen-2017.pdf  (pdf).

Tegen wanneer moet de rechtspersonenbelasting worden aangegeven?

In principe diende de aangifte te gebeuren op uiterlijk 17 september 2019. Door technische problemen werd de deadline tweemaal uitgesteld.

Momenteel dient de aangifte ten laatste te gebeuren op 14 oktober 2019 om middernacht.

Wat zijn de gevolgen indien ik de rechtspersonenbelasting niet aangeef?

Indien er geen aangifte wordt neergelegd volgt er een forfaitaire belasting van 625,00 EUR, eventueel aangevuld met een boete.

Mogelijks kunnen de bestuurders hiervoor persoonlijk aansprakelijk gesteld worden.

Verdere vragen? Aarzel niet om ons te contacteren via het nummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be

rechtspersonenbelasting


De sportclub en het UBO-register

Wat is het UBO-register?

Het UBO-register is een gevolg van een Europese Richtlijn en de hieruit ontstane Belgische Wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik in contanten.

Op basis hiervan trad op 31 oktober 2018 hetKoninklijk Besluit van 30 juli 2018 in werking dat de modaliteiten van het zogenaamde UBO-register regelt. UBO staat voor Ultimate Beneficial Owner of de Uiteindelijke Begunstigde Eigenaar.

Het komt er concreet op neer dat de FOD Financiën een centraal register heeft aangemaakt waarin alle ondernemingen de identiteit moeten opgeven van de “uiteindelijke begunstigden” van de onderneming en dit ter voorkoming van witwassen en de financiering van terrorisme. Op deze manier krijgen de bevoegde instanties, zoals de politiediensten en de fiscus, meer inzicht in de vennootschappen, hun eigenaars en de geldstromen.

Welke sportclub moet het UBO-register  invullen?

Alle rechtspersonen, waaronder vennootschappen, VZW’s en stichtingen, moeten het UBO-register invullen.

Alle sportclubs of sportfederaties die opereren onder de vorm van een VZW zullen het UBO-register dienen in te vullen.

Ook grotere sportorganisaties die werken via een NV, zoals een aantal grote voetbalclubs, zullen het UBO-register moeten invullen.

Wat met de sportclub als feitelijke vereniging?

Sportclubs die opereren onder de vorm van een feitelijke vereniging dienen het UBO-register niet in te vullen.

Feitelijke verenigingen zijn immers geen rechtspersonen.

Wat moet er ingevuld worden?

De “uiteindelijke begunstigden” moeten worden ingevuld . Het gaat meer bepaald om de volgende categorieën:

  • De leden van de Raad van Bestuur;
  • De personen die gemachtigd zijn om de sportclub of sportfederatie te vertegenwoordigen;
  • De personen die het dagelijks bestuur van de sportclub of sportfederatie uitoefenen;
  • De stichters van een stichting (dit is in principe niet van toepassing op een sportclub/sportfederatie);
  • De (categorie van) natuurlijke personen in wier belang de vereniging werd opgericht (voor sportclubs of sportfederaties mag dit algemeen worden aangeduid, bv. alle sportbeoefenaars van de sportclub);
  • Elke andere natuurlijke persoon die via andere middelen uiteindelijke zeggenschap heeft over de sportclub of sportfederatie.

Van deze personen dient de naam, voornaam, geboortedatum, nationaliteit, verblijfplaats, rijksregisternummer, de datum waarop men “uiteindelijke begunstigde” is geworden en  de UBO-categorie (zie hierboven) te worden ingevuld.

Hoe doet de sportclub haar aangifte?

De aangifte gebeurt via de website van de FOD Financiën (https://eservices.minfin.fgov.be/myminfin-web/).

Hou hiervoor uw ondernemingsnummer bij de hand.

De FOD Financiën heeft een specifieke handleiding en video voor wat betreft de VZW :  Handleiding:  https://financien.belgium.be/sites/default/files/Wettelijke_Vertegenwoordiger_VZW_0.pdf
Video: https://www.youtube.com/watch?time_continue=3&v=xv5rwG1W8jA 

Wat is de uiterlijke deadline?

Theoretisch dient de aangifte via het platform van de FOD Financiën uiterlijk 30 september 2019 te zijn doorgevoerd.
Het is dan ook aan te bevelen om zich te houden aan deze datum.

De FOD Financiën heeft evenwel aangegeven een vorm van gedoogbeleid te voeren en dit tot eind 2019.
Dit betekent dat de aangifte moet gebeuren, maar dat indien dit nog niet gebeurd is men nog geen sancties zal treffen.

Wat zijn de gevolgen als de sportclub niets onderneemt?

Sportclubs en sportfederaties die ondanks hun verplichting hiertoe het UBO-register niet invullen riskeren een geldboete van 250,00 EUR tot 50.000,00 EUR.
Ook het foutief invullen kan aanleiding geven tot boetes.

Verdere vragen? Aarzel niet om ons te contacteren via het nummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be


Aansprakelijkheid in de sport

Aansprakelijkheid in de sport

Het is zo gebeurd tijdens het sporten. Een te harde tackle van de tegenstander, een gemene duw tijdens de eindspurt, een niet toegelaten wurggreep, etc. Voor je het weet ben je geblesseerd door de fout van een tegenstander of een ploegmaat.

De vraag die zich hierbij stelt is of de tegenstander of ploegmaat aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade in een sport gerelateerde context.

Aansprakelijkheidsgeschillen in de sport komen regelmatig voor, doch blijven vaak onder de radar.

Enkele ophefmakende dossiers, zoals de zaak Criquelion of de voetbal tackle van Desloover op Lozano, haalden wel uitgebreid de media.

Wij lichten één en ander verder toe.

Een juridisch nazicht

Er is enerzijds de burgerrechtelijke aansprakelijkheid en anderzijds de strafrechtelijke aansprakelijkheid.

De burgerrechtelijke aansprakelijkheid

Centraal binnen het leerstuk van de burgerrechtelijke, buitencontractuele aansprakelijkheid staat het art. 1382 BW dat stelt dat:

“Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld deze schade is ontstaan, deze te vergoeden.”

Art. 1383 BW voegt daaraan toe dat ook nalatigheid of onvoorzichtigheid tot aansprakelijkheid kan leiden.

Het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht steunt dus op 3 componenten, zijnde fout, schade en oorzakelijk verband.

Een fout bestaat uit de schending van een specifieke wetsbepaling of een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm.

De overtreden wetsbepaling moet een algemeen bindende norm zijn die door een wetgever is uitgevaardigd. Spelregels beantwoorden niet aan deze definitie. De bestraffing van een bepaalde overtreding met een gele kaart tijdens een voetbalmatch is slechts een interne regel waarvan de schending niet automatisch leidt tot burgerrechtelijke aansprakelijkheid. Mocht dit het geval zijn, dan zou de beoefening van de sport immers onmogelijk worden. Wel kan de overtreding van een spelregel gebruikt worden als argument om een schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm te staven.

De algemene zorgvuldigheidsnorm verwijst naar het gedrag van een goede huisvader. Dit is een normaal, voorzichtig, redelijk persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Die concrete omstandigheden refereren aan de context van de sportbeoefening. Een sliding die in het dagelijks leven tot aansprakelijkheid zou kunnen leiden, kan getolereerd worden binnen de sportieve context. Een schouderduw zal tijdens een voetbalwedstrijd toegelaten zijn, maar kan in het dagelijks leven mogelijks aanleiding geven tot burgerrechtelijke aansprakelijkheid.

Bij de beoordeling van een schadeverwekkende gedraging kan de rechter rekening houden met de beroepsbekwaamheid van de persoon in kwestie. Een professionele sporter wordt geacht zijn sport beter te beheersen dan een amateur, wat een verschil zal opleveren in de beoordeling van een bepaalde fout.

Ook de risico’s die inherent verbonden zijn aan bepaalde sporten dient de rechter in aanmerking te nemen. De kans dat men geblesseerd geraakt tijdens het downhill mountainbiken is groter dan bij het spelen van tafeltennis. Een vuistslag tijdens een bokswedstrijd moet anders geïnterpreteerd worden dan een vuistslag in een voetbalwedstrijd. Dit mag de sporter er echter niet van weerhouden om steeds de spelreglementen en de algemene zorgvuldigheidsnorm te respecteren.

De sporter die beweert slachtoffer te zijn van een onrechtmatige daad zal naast de fout ook schade en het causaal verband tussen fout en schade moeten aantonen.

De burgerrechtelijke aansprakelijkheidsleer kan wel degelijk in sommige gevallen toegepast worden in een sport gerelateerde context.

De strafrechtelijke aansprakelijkheid

De strafrechtelijke vervolging van een sporter naar aanleiding van een sportongeval gebeurt in het merendeel van de gevallen op basis van de artikelen 398 SW of 418 t.e.m. 420 SW.

Artikel 398 SW bestraft het misdrijf van opzettelijke slagen en verwondingen. Dit misdrijf veronderstelt enerzijds een materieel bestanddeel, het toebrengen van slagen en verwondingen. Anderzijds moet er een moreel bestanddeel aanwezig zijn, namelijk het wetens en willens toebrengen van deze slagen en verwondingen.

Op het eerste gezicht zou men denken dat contactsporten als karate, rugby en zelfs voetbal per definitie aanleiding kunnen geven tot een aansprakelijkheid o.b.v art. 398 Sw. Ondanks het verbod om consensueel af te wijken van de strafwet, die immers van openbare orde is, wordt echter algemeen aangenomen dat deze sporten buiten het toepassingsgebied van artikel 398 SW vallen. Uiteraard geldt dit enkel voor gedragingen die toegelaten zijn volgens de reglementen van de sport in kwestie. Wanneer een voetballer d.m.v. een opzettelijke tackle het been van een tegenstander breekt zal hij uiteraard wel strafrechtelijk vervolgd kunnen worden.

De artikelen 418-420 Sw. behandelen de onopzettelijke slagen en verwondingen. Dit zijn de gevallen waarin een sporter door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg slagen en verwondingen toebrengt aan een derde. Dit gebrek aan voorzichtigheid wordt beoordeeld in de context van de beoefende sport. Wanneer een sporter de spelregels overtreedt kan hem niet automatisch een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg verweten worden. Net zoals bij de burgerrechtelijke fout dient men het gedrag van de sporter te vergelijken met het gedrag van een normaal, voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.

Ook de strafrechtelijke aansprakelijk kan in bepaalde gevallen toegepast worden in een sport gerelateerde context.

Vragen over aansprakelijkheid (binnen de sport of daarbuiten)? Aarzel niet om ons te contacteren via het telefoonnummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be

 


Arbitrage in de sport

Definitie en kenmerken van arbitrage in de sport

Arbitrage is een rechtsfiguur waarbij partijen overeenkomen een bestaand of toekomstig geschil ter beslechting voor te leggen aan een derde, de arbiter genoemd.

Het belangrijkste kenmerk van arbitrage is het vrijwillige karakter ervan. Op basis van de wilsautonomie kunnen partijen immers beslissen om een bepaald geschil te onttrekken aan de statelijke rechter en voor te leggen aan een arbiter. Arbitrage is slechts geldig wanneer elke partij zich daarmee uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard. Het vormt immers een uitzondering op het principiële recht op toegang tot de rechter.

Voorwaarden van sportarbitrage

Arbitrage in de sport of sportarbitrage is een inherent onderdeel van de sport geworden. De reglementen van sportorganisaties bevatten vaak arbitrageclausules. Net zoals bij tuchtrecht is een sporter die lid is van een club die bij een sportorganisatie is aangesloten, ook onderworpen aan het reglement van die sportorganisatie.

Ondanks meerdere kritische bedenkingen vanuit de doctrine aanvaardt de rechtspraak in de overgrote meerderheid van de gevallen dat een dergelijk arbitrageclausule de wilsautonomie van de partijen in voldoende mate respecteert. Een arbitrageclausule opgenomen in de reglementen van een sportorganisatie is dus geldig. Recent was er in België echter een opvallende beslissing van het Hof van Beroep te Brussel te noteren waarin  arbitrage clausule van de FIFA niet als geldig werd beschouwd. Deze uitspraak kwam er naar aanleiding van een procedure tussen de FIFA en RFC Seraing in het kader van een geschil over het Third Party Ownership. Dit arrest kreeg veel internationale weerklank (voor meer informatie, zie link).

Niet elk sportgeschil is vatbaar voor arbitrage. Luidens artikel 9 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars kunnen werkgever en sporter niet vooraf overeenkomen om een geschil omtrent de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst aan arbitrage te onderwerpen. De Vlaamse decreetgever stelt op zijn beurt in artikel 7 van het decreet tot vaststelling van het statuut van de niet-professionele sportbeoefenaar dat er geen overeenkomst tot arbitrage kan worden gesloten voor het ontstaan van een geschil.

In het Gerechtelijk Wetboek wordt een afdeling gewijd aan arbitrage. De artikelen 1676 t.e.m. 1723 Ger.W. bepalen onder welke voorwaarden een arbitrale uitspraak geldig is. Artikel 1717 Ger.W. bevat de gronden waarop een arbitrale beslissing vernietigd kan worden door de rechtbank van eerste aanleg. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de beslissing onvoldoende gemotiveerd is of wanneer de uitspraak in strijd is met de openbare orde.

Interne en externe arbitrage

Sportorganisaties voorzien vaak in interne geschillenbeslechtingsmechanismen. Tegen deze beslissingen staat meestal een beroepsmogelijkheid open bij een externe arbitrage instantie zoals het Belgisch Arbitragehof voor de Sport (BAS) of het Court of Arbitration for Sports (CAS).

Belgisch Arbitragehof voor de Sport ( BAS )

In 2012 werd de toenmalige Belgische Arbitragecommissie voor de Sport (link), opgericht door het BOIC, vervangen door het Belgisch Arbitragehof voor de Sport. In de vorm van een VZW behandelt het BAS geschillen in sportaangelegenheden die hem toegekend worden door de reglementen van sportorganisaties of door een arbitrageovereenkomst.

Een zaak wordt behandeld door 3 arbiters die een college vormen. Elke partij kan een arbiter kiezen uit een lijst, opgesteld door de Benoemingscommissie. De twee gekozen arbiters kiezen op hun een beurt een derde arbiter, die als voorzitter zal zetelen.

In de statuten van het BAS wordt expliciet vermeld dat deel VI van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de door het Arbitragehof behandelde geschillen. Artikel 27 van het BAS-reglement bepaalt dat de arbitrale uitspraak in laatste aanleg wordt gedaan. O.b.v. artikel 1717 Ger. W. is een vordering tot vernietiging bij de rechtbank van eerste aanleg echter altijd mogelijk.

Zoals reeds in een vorige bijdrage werd vermeld doet het BAS niet enkel aan arbitrage. In veel zaken fungeert het als beroepsinstantie tegen beslissingen genomen door interne tuchtrechtelijke instanties van sportorganisaties.

Court of Arbitration for Sports ( CAS )

Het Court of Arbitration for Sports (link) werd opgericht in 1984 in Lausanne, Zwitserland. Na de zaak-Gundel in 1994, waarbij haar onafhankelijkheid t.o.v. het IOC in vraag werd gesteld, onderging het CAS enkele hervormingen.

Het CAS telt meerdere afdelingen, Divisions genoemd, waarin verschillende types van geschillen beslecht worden. De Ordinary Arbitration Division behandelt geschillen die haar d.m.v. een arbitrageovereenkomst voorgelegd worden.

De afdeling waarin de meeste zaken behandeld worden is de Appeals Arbitration Division. Zoals gezegd voorzien sportorganisaties immers vaak in een beroepsmogelijkheid bij het CAS tegen beslissingen genomen door een interne arbitrage instantie.

De Ad Hoc Division is bevoegd voor geschillen die tijdens grote sportevenementen ontstaan en waarbij dus een zekere spoed vereist is.

Tegen een beslissing van het CAS kan men een vordering tot vernietiging instellen bij het Zwitserse Federale Hof o.b.v. de gronden opgesomd in artikel 190 van de Zwitserse Federal Code on Private International Law (PILA).

Vragen over arbitrage (binnen de sport of daarbuiten)? Aarzel niet om ons te contacteren via het telefoonnummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be

Reeks geschillenbeslechting in de sport: Inleidend artikel tuchtrecht 

 


Tuchtrecht in de sport

Definitie en kenmerken van tuchtrecht

Tuchtrecht, al dan niet sport gerelateerd, kan gedefinieerd worden als het geheel van gedragsregels die gelden binnen een bepaalde (beroeps)groep. Zo is tuchtrecht vaak voorkomend in het onderwijs, binnen de politie of bij gereglementeerde beroepen zoals de orde van advocaten of de orde van architecten. Deze regels dienen de interne cohesie en de externe reputatie van de (beroeps)groep te waarborgen. Ook sportorganisaties of sportfederaties stellen tuchtreglementen op waaraan hun leden zich moeten houden.

Men kan enerzijds rechtstreeks lid zijn van een sportorganisatie. Een voetbalclub is bijvoorbeeld aangesloten bij de nationale voetbalbond, waarvan de club het tuchtreglement dus moet respecteren.

Anderzijds is ook een onrechtstreeks lidmaatschap mogelijk. Een voetballer zal door de arbeidsovereenkomst die hem aan een club bindt ook gebonden zijn door het tuchtreglement van de sportorganisatie waarvan de club lid is. De arbeidsovereenkomst zal een verwijzing naar dit tuchtreglement bevatten.

Intern tuchtrecht

De overtreding van een tuchtregel geeft aanleiding tot een procedure voor een tuchtrechtelijk orgaan. In eerste instantie zal dit een interne tuchtrechtelijke commissie van de sportorganisatie zelf zijn. Een inbreuk op het bondsreglement van de KBVB zal bijvoorbeeld aanleiding geven tot een procedure voor de Geschillencommissie voor het Profvoetbal. Hetzelfde principe vindt men ook op internationaal niveau. De FIFA heeft meerdere tuchtrechtelijke organen, waaronder bv. het Disciplinary Committee dat inbreuken op de Disciplinary Code bestraft.

Extern tuchtrecht

Na een interne procedure krijgen leden van een sportorganisatie vaak de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij een externe tuchtrechtsinstantie. In België is dit het Belgisch Arbitragehof voor de Sport (BAS – link). Dit orgaan is in eerste instantie opgericht om geschillen tussen actoren uit de sportwereld via arbitrage te beslechten. Daarnaast fungeert het BAS als tuchtrechter voor beslissingen van sportorganisaties waartegen beroep is aangetekend als de betrokken sportorganisatie een beroepsmogelijkheid bij het BAS voorziet. Op internationaal vlak wordt het Court of Arbitration for Sports (CAS – link) door sportorganisaties algemeen erkend als hoogste tuchtorgaan.

Procedurele waarborgen

Gelet op de impact die een tuchtrechtelijke beslissing kan hebben op de carrière van een sporter dient een sportorganisatie te voorzien in een behoorlijke tuchtrechtspleging. Sinds het arrest Le Compte van het Hof van Justitie dienen de procedurele waarborgen, zoals vermeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, gerespecteerd te worden. Dit geldt echter enkel wanneer de private belangen van de sporter op het spel staan. Een voorbeeld hiervan is de tuchtprocedure ten gevolge van een dopingovertreding. Deze procedure kan leiden tot een schorsing van de betrokken atleet, waardoor deze zijn loopbaan tijdelijk moet onderbreken.

De Vlaamse decreetgever heeft in artikel 8 van het decreet tot vaststelling van het statuut van de niet-professionele sportbeoefenaar expliciet enkele procedurele waarborgen verplicht gesteld voor tuchtprocedures m.b.t. amateursporters. Deze kunnen echter mutatis mutandis ingeroepen worden in elke sportrechtelijke tuchtzaak.

Partijen hebben in een tuchtprocedure onder meer het recht om gehoord te worden, om inzage te krijgen in het dossier, om hoger beroep aan te tekenen en om een gemotiveerde beslissing te verkrijgen.

Rechterlijk toezicht

Na afloop van de tuchtprocedure kan men geen volwaardig hoger beroep instellen bij de gewone rechter. Wel kan de rechter een beperkt toezicht uitoefenen op de uitspraak van het tuchtorgaan indien alle interne rechtsmiddelen werden uitgeput. Enerzijds kan hij nagaan of de rechten van verdediging wel in voldoende mate werden gewaarborgd en of de sportorganisatie haar eigen reglementen heeft nageleefd.

Anderzijds kan ook de inhoud van de beslissing onderworpen worden aan een toetsing, zij het slechts marginaal. Enkel wanneer de beslissing van een tuchtorgaan kennelijk onredelijk is mag de rechter deze beslissing vernietigen.

Vragen over tuchtrecht (binnen de sport of daarbuiten)? Wenst U hulp bij het opstellen van een tuchtreglement? Aarzel niet om ons te contacteren via het telefoonnummer 09/334.94.70, via het contactformulier of via sport@everest-law.be

Reeks geschillenbeslechting in de sport: Inleidend artikel (link) – arbitrage (link – nog niet beschikbaar)


Geschillenbeslechting in de sport

Geschillenbeslechting in de sport

Georganiseerde sportbeoefening kent de laatste decennia een verregaande modernisering, zowel op organisatorisch als op structureel vlak. Dat brengt onvermijdelijk een toenemende juridisering met zich mee. Steeds meer aspecten van sportbeoefening behoeven immers specifieke reglementering. Als gevolg hiervan groeit ook het aantal sport gerelateerde geschillen. De geschillenbeslechting in de sport heeft de laatste jaren een belangrijke plaats binnen de rechtspraktijk ingenomen.

De sportwereld wil zich van oudsher autonoom organiseren. Ook op het vlak van conflictbeslechting wil men elke vorm van overheidsinmenging vermijden. Dat zou er immers onder meer toe kunnen leiden dat transnationale sportrechtsregels verschillend uitgelegd worden, afhankelijk van de jurisdictie waarin ze worden opgeworpen.

Om de uniforme toepassing van sportrechtsregels, alsook de inachtneming van de specifieke kenmerken van sport te garanderen, heeft de sportwereld eigen geschillenbeslechtingsmechanismen ontwikkeld.

De twee meest gehanteerde technieken van de geschillenbeslechting in de sport zijn het tuchtrecht en de arbitrage. In de volgende twee bijdragen wordt elk van beide mechanismen kort toegelicht.

Reeks geschillenbeslechting in de sport: tuchtrecht (link – nog niet beschikbaar) – arbitrage (link – nog niet beschikbaar)

geschillenbeslechting

 

 

 


Everest Sport staat wielrenner bij – Nieuwsblad

Everest Sport behartigde de afgelopen weken de belangen van een renner wiens schorsing uiteindelijk door de rechter werd opgeheven.

Alle sportverenigingen zijn gehouden om minstens de minimale rechten van verdediging van sporters te waarborgen.

Het Nieuwsblad verzocht Everest Sport om een reactie:

renner


De bescherming van minderjarige voetballers onder het FIFA-reglement

Minderjarige voetballers en het FIFA-reglement

In het hedendaagse voetbal proberen profclubs getalenteerde jeugdspelers op steeds jongere leeftijd aan te trekken. Men hoopt op die manier een transfersom uit te sparen door deze spelers zelf op te leiden tot ze het niveau van de eerste ploeg bereiken. Om de belangen van minderjarige voetballers te beschermen heeft de FIFA enkele artikelen aan deze problematiek gewijd in de Regulations on the Status and Transfer of Players (hierna: RSTP). Deze regels worden strikt geïnterpreteerd en clubs die zich er niet aan houden riskeren bestraft te worden. Onder andere R.S.C. Anderlecht en F.C. Chelsea werden recent veroordeeld door het FIFA Disciplinary Committee tot een boete van respectievelijk 200 000 en 600 000 CHF (zie krantenartikel RSCA) (zie krantenartikel Chelsea).

De relevante artikelen van de RSTP inzake de transfers van minderjarigen worden in deze bijdrage beknopt toegelicht.

  1. Ontstaan van de regels

In de nasleep van het arrest-Bosman uit 1995 was de FIFA genoodzaakt haar transferreglement aan te passen. Dit gebeurde in 2001 o.b.v. een gentlemen’s agreement tussen de FIFA en de Europese Commissie. Een van de punten in dat gentlemen’s agreement betrof de transfers van minderjarigen. De regels hieromtrent werden vastgelegd in art. 19 en 19bis RSTP. Het doel van de reglementering was om misstanden uit het verleden m.b.t. de transfers van minderjarigen te voorkomen.

  1. Krachtlijnen van de reglementering

De FIFA gaat uit van een verbod op internationale transfers van minderjarige voetballers. Enkel spelers die 18 jaar of ouder zijn kunnen getransfereerd worden naar een buitenlandse club. Deze strikte regel kan verklaard worden vanuit het streven van de FIFA om een stabiele omgeving te creëren voor de opvoeding en training van jonge voetballers.

Art. 19 lid 2 RSTP bevat echter 3 uitzonderingen op bovenstaand principe.

a) De parents-rule

Ten eerste is een internationale transfer van een minderjarige voetballer wel toegestaan indien zijn ouders verhuizen naar het buitenland om redenen die geen verband houden met voetbal. De FIFA benadrukt dat het begrip “ouders” strikt geïnterpreteerd moet worden. Het volstaat niet dat een speler in het buitenland kan wonen bij een familielid. Minderjarige spelers die zonder hun ouders verhuizen of waarvan de ouders verhuizen met het oog op de transfer van de speler, mogen niet geregistreerd worden door de nationale voetbalbond van het betrokken land.

b) De EU-rule

Vervolgens bevat art. 19 lid 2 RSTP een uitzondering die enkel geldt binnen de EU. Met name wanneer een speler minstens 16 jaar oud is, kan een internationale transfer wel plaatsvinden indien de overnemende club aan enkele inhoudelijke voorwaarden voldoet op het vlak van training en opvoeding.

De nieuwe club moet in staat zijn om een speler voetbaltechnisch op te leiden volgens de hoogste nationale standaarden. Ook dient de club ervoor te zorgen dat een speler zich op academisch gebied verder kan ontwikkelen. Ten slotte moet de club een goede verblijfsaccommodatie garanderen voor de speler. Het is aan de overnemende club om te bewijzen dat aan deze voorwaarden is voldaan op het moment van registratie van de speler.

c) De 50 + 50-rule

Een speler die op maximaal 50 km van een landsgrens woont kan getransfereerd worden naar een buitenlandse club die haar zetel eveneens op maximaal 50 km van diezelfde landsgrens heeft. De afstand tussen de woonplaats van de speler en de club bedraagt ten hoogste 100 km. De speler moet thuis blijven wonen en de nationale voetbalbonden van beide landen dienen expliciet akkoord te gaan. Deze uitzondering is ingegeven door het idee dat een buitenlandse club in bepaalde gevallen dichter bij de woonplaats van de speler gevestigd is dan de dichtstbijzijnde binnenlandse club.

  1. Bevoegde organen en mogelijke sancties

De nationale voetbalbonden zijn belast met het toezicht op de naleving van art. 19 RSTP door de clubs. Zij krijgen o.a. de bevoegdheid om ter plaatse te onderzoeken of een club de reglementen in kwestie respecteert.

Daarnaast heeft de FIFA een subcomité opgericht binnen het FIFA Players’ Status Committee, dat elke transfer m.b.t. een minderjarige voetballer moet goedkeuren vooraleer er een internationaal transfercertificaat aangevraagd kan worden door een club.

Clubs en makelaars die meewerken aan transfers van minderjarige voetballers zonder de regels te respecteren riskeren disciplinaire sancties, uiteengezet in de FIFA Disciplinary Code. Deze kunnen opgelegd worden door zowel de nationale voetbalbonden als het FIFA Disciplinary Committee

De vernoemde artikelen zijn hier te raadplegen:  link  


De basisprincipes van Third Party Ownership (TPO)

Third Party Ownership (TPO)

Op 19 februari 2019 legde de FIFA Disciplinary Committee de Portugese topclub Fc Porto een boete op van 50 000 CHF. De aanleiding hiertoe was een inbreuk op artikel 18ter van de FIFA Regulations on the Status and Transfer of Players (hierna: RSTP). Dit artikel bevat het verbod op Third Party Ownership (hierna: TPO). Deze praktijk werd in 2015 verboden door de FIFA omwille van de risico’s die het met zich meebracht, zowel voor spelers als voor clubs.

In deze bijdrage wordt eerst de TPO-techniek met bijhorende voor- en nadelen besproken. Vervolgens komt het TPO-verbod ter sprake. Tot slot wordt de wijze waarop men dit verbod omzeilt kort toegelicht.

TPO-techniek

TPO of Third Party Ownership is een praktijk die begin jaren 90 ontstaan is in Zuid-Amerika en rond de eeuwwisseling naar Europa is overgewaaid. Het essentiële kenmerk van TPO is dat (een deel van) de economische rechten van een speler worden overgedragen aan een derde partij. De economische rechten van een speler omvatten voornamelijk diens (toekomstige) transfersom. De derde partij aan wie de economische rechten worden overgedragen kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn. Vaak gaat het om investeringsfondsen of spelersmakelaars. Elke entiteit buiten de twee clubs tussen wie een transfer plaatsvindt, wordt beschouwd als een derde partij.

Er bestaan verschillende redenen om een TPO-constructie op te zetten. In de regel fungeert TPO als financieringsmechanisme bij de transfer van een speler. Hierbij krijgt een club met onvoldoende middelen financiële bijstand van een derde partij voor de verwerving van een speler. De speler wordt geregistreerd bij de overnemende club, maar (een deel van) de economische rechten komen toe aan de derde partij die de transfer financierde.

Een bekend voorbeeld van bovenstaande constructie is de transfer van Carlos Tevez van Corinthians naar West Ham United. Om de transfer te kunnen bekostigen had West Ham United geld geleend van een investeringsfonds dat in ruil daarvoor de economische rechten van Tevez verwierf. Het investeringsfonds had o.a. het recht om te beslissen of Tevez getransfereerd werd en tegen welke transfersom dit diende te gebeuren.

Voor- en nadelen van TPO

Het meest gebruikte argument tegen TPO / Third Party Ownership is dat het een moderne vorm van slavernij zou zijn. Zoals geïllustreerd in de zaak-Tevez beslist het investeringsfonds immers vaak buiten de wil van speler en club om over de transfer van de speler. Hierdoor kan het vrij verkeer van de speler belemmerd worden. Daarbij komt dat spelers niet altijd weten dat hun economische rechten door de club aan een derde partij zijn overgedragen.

Een tweede punt van kritiek betreft het risico op belangenvermenging. Twee clubs kunnen spelers geregistreerd hebben waarvan de economische rechten aan eenzelfde investeringsfonds zijn overgedragen. Het investeringsfonds zou haar macht kunnen aanwenden om het resultaat van de wedstrijd tussen de betrokken clubs te beïnvloeden.

Ten derde heeft TPO tot gevolg dat er geld uit de voetbalindustrie wegvloeit in de richting van de investeringsfondsen. Zij hebben immers het recht bedongen om de transfersom van een speler te kunnen innen.

De voorstanders van TPO argumenteren dat het een techniek is om kleinere clubs competitiever te maken. Via TPO kunnen zij immers spelers verwerven die anders financieel onhaalbaar zijn. Ook wordt het financieel risico van een transfer gedeeld tussen de club en het investeringsfonds. Mocht een speler niet doorbreken, dan heeft de club geen volledige transfersom moeten betalen.

Ten slotte stellen voorstanders ook dat het verbod op TPO een inbreuk vormt op het vrij verkeer van kapitaal in de EU en op de regels betreffende de vrije mededinging.

Verbod op TPO

Op 1 januari 2008 introduceerde de FIFA artikel 18bis RSTP waarin een verbod op Third Party Influence (TPI) werd opgenomen. Een club kan luidens dit artikel geen overeenkomst sluiten waarbij de tegenpartij of een derde de mogelijkheid krijgt om invloed uit te oefenen op het tewerkstellings- en transferbeleid van de club.

Omdat dit artikel de nadelige gevolgen van TPO niet volledig kon remediëren besloot de FIFA een artikel 18ter in te voegen dat van kracht ging op 1 mei 2015. Artikel 18ter RSTP bevat een volledig verbod op TPO. Elke overeenkomst waarbij een derde partij eenderwelk recht verkrijgt m.b.t. de toekomstige transfer van een speler is in strijd met dit artikel.

Omzeiling van het verbod

Een veelgebruikte techniek om het TPO-verbod te omzeilen is de zogenaamde bridge transfer. Dit is een transfer waarbij een speler niet rechtstreeks overgaat van de oorspronkelijke naar de nieuwe club, maar indirect via een derde club waar de speler wordt geregistreerd zonder aanwijsbare sportieve reden. De bridge club vervangt het investeringsfonds in een TPO-constructie. De overgang van de speler naar de bridge club gebeurt uit louter economische overwegingen, met name om de speler te kunnen verkopen of verhuren. Deze constructie heeft als voordeel dat een bridge club zich in geval van contractbreuk door de speler kan beroepen op artikel 17 RSTP, wat een investeringsfonds in een TPO-constructie niet kon.

Hoewel de RSTP geen expliciet verbod op bridge transfers bevat heeft het CAS zulke constructies reeds ongeldig verklaard omwille van het gebrek aan een sportieve reden. De huidige rechtspraak van het CAS is evenwel uiteenlopend, waarvan onder meer volgende uitspraken getuigen:

CAS 2009/A/1757 MTK Budapest v. FC Internazionale Milano S.p.A.

CAS 2014/A/3536 Racing Club Asociación Civil v. FIFA

 

 

 

 

 

 


Page 1 of 4123...Last